ECLI:NL:RBOBR:2026:6461

ECLI:NL:RBOBR:2026:6461

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 01-048833-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak poging tot doodslag. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en mishandeling van zijn (toenmalige) partner. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank een 38v-maatregel (contact- en locatieverbod met slachtoffer) op.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer [01.048833.26]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.048833.26Parketnummer vordering: 05.204288.25

Datum uitspraak: 8 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juni 2026 en 25 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 mei 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1 primair:

hij, op of omstreeks 15 februari 2026 te Veldhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven,

meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dicht heeft geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 1 subsidiair:

hij, op of omstreeks 15 februari 2026 te Veldhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer] ,

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dicht heeft geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 1 meer subsidiair:

hij, op of omstreeks 15 februari 2026 te Veldhoven

[slachtoffer] ,

heeft mishandeld, door

meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) de keel van voornoemde

[slachtoffer] vast te pakken en/of dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

t.a.v. feit 2:

hij, op of omstreeks 15 februari 2026 te Veldhoven

[slachtoffer] ,

heeft mishandeld, door

een telefoon tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te gooien,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 05.204288.25 is aangebracht bij vordering van 21 april 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 1 december 2025.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat het (voorwaardelijk) opzet op de dood niet bewezen kan worden. De officier van justitie acht de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 ten laste gelegde. Primair omdat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Subsidiair omdat er onvoldoende steunbewijs is. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag respectievelijk zware mishandeling vanwege het ontbreken van opzet op die gevolgen; hooguit de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid ‘levensgezel’.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de bewijsbijlage bij dit vonnis.

Feit 1

Vaststaat dat verdachte op 15 februari 2026 midden in de nacht onenigheid heeft gehad met zijn toenmalige partner [slachtoffer] en dat dit heeft plaatsgevonden in het [naam hotel] in Veldhoven .

De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster en verdachte over de gebeurtenissen van die avond en nacht deels uiteenlopen. Aangeefster heeft onder andere verklaard dat verdachte haar keel tweemaal (één keer op bed en één keer in de badkamer) met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij zich heel benauwd voelde, geen lucht kreeg, zwarte vlekken zag, zich duizelig voelde en licht in haar hoofd werd. Verdachte ontkent dit.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van aangeefster over de gebeurtenissen op 15 februari 2026 op essentiële onderdelen consistent. Hoewel de verklaringen van aangeefster tegenover verschillende personen niet identiek zijn, ziet de rechtbank daarin geen reden om aan haar betrouwbaarheid te twijfelen. Dat aangeefster enkel tegen de receptiemedewerker heeft gezegd dat zij was mishandeld door haar vriend en dat hij een telefoon tegen haar hoofd had gegooid en op dat moment niets heeft gezegd over het dichtknijpen van de keel, doet niet af aan de betrouwbaarheid. De rechtbank acht het aannemelijk dat aangeefster uit angst niet direct het volledige verhaal uit de doeken heeft gedaan en enkel heeft verklaard over het meest zichtbare letsel. Dat zij bang was, wordt ondersteund door de verklaring van de receptiemedewerker dat verdachte enkele minuten na aangeefster bij de receptie kwam, boos op haar was en agressief overkwam. De angst blijkt ook uit de bevindingen van de politie ter plaatse; de ambulancebroeder heeft aangeefster meegenomen in de ambulance en de deuren gesloten, omdat zij had aangegeven bang te zijn voor verdachte. Verbalisanten zagen dit ook.

Ook wordt de verklaring van aangeefster op dragende en essentiële onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen. In de ambulance heeft aangeefster onder andere verklaard dat verdachte haar keel heeft dichtgeknepen en dat zij daardoor minder lucht kreeg. [verbalisant] zag dat aangeefster tijdens het hele gesprek onbewust af en toe haar keel vastpakte. Aangeefster gaf aan dat ze moeite had met ademhalen. Ook zag verbalisant dat aangeefster emotioneel was en af en toe huilde. Daarnaast blijkt uit de forensisch-medische letselbeschrijving van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF) dat ongeveer 57 uur na het geweld onder andere bloeduitstortingen in de hals zijn geconstateerd. Het feit dat er door de oogarts en KNO-arts geen afwijkingen zijn geconstateerd, sluit een verwurging niet uit. Volgens deskundige G. Reijnen, die als forensisch arts verbonden is aan het LOEF, is de kans dat je na verwurging iets in de keel ziet 25%. Bij de meerderheid van de verwurgingsgevallen wordt in de keel niets gezien. Bovendien maakt het feit dat er geen puntbloedingen bij aangeefster zijn weergenomen evenmin dat een verwurging kan worden uitgesloten.

De rechtbank verwerpt dan ook de verweren en zal de verklaringen van aangeefster als uitgangspunt nemen voor wat er die avond is gebeurd.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de keel van aangeefster tot tweemaal toe met kracht heeft vastgepakt, dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden. Aangeefster had daardoor moeite met ademen, ze kreeg bijna geen lucht en zag op een gegeven moment een soort zwarte vlekken in haar zichtveld.

De rechtbank moet beoordelen of het handelen van verdachte poging tot doodslag (primair), poging tot zware mishandeling (subsidiair) of eenvoudige mishandeling (meer subsidiair) oplevert.

Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van aangeefster, respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn, dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank – mede gelet op de omstandigheid dat de duur van de verwurging niet vast te stellen is – niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Verdachte zal daarom van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er door de hiervoor vastgestelde handelingen van verdachte wel een aanmerkelijke kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat zich in de keel en hals kwetsbare en vitale organen bevinden, zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader. Het met kracht dichtdrukken van de keel kan leiden tot een (tijdelijke) belemmering van de bloedtoevoer (bloedverwurging), met naar algemene ervaringsregel ernstige risico’s. Ook kan het dichtknijpen van de keel gedurende slechts enkele seconden leiden tot een zuurstofgebrek (luchtverwurging), wat weer direct kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in de hersenen en daarmee tot hersenletsel. Eenieder, en dus ook verdachte, weet dit. Daar komt bij dat verdachte aangeefster tot tweemaal bij haar keel heeft vastgepakt en dichtgeknepen. Gelet op dit alles kan het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. De rechtbank acht de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te oordelen dat aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde feit de levensgezel van verdachte was, in de zin dat zij – beoordeeld naar aard en hechtheid van de relatie – met verdachte een nauwe persoonlijke betrekking onderhield die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Dit betekent dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

t.a.v. feit 1 subsidiair:

op 15 februari 2026 te Veldhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer] ,

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meerdere malen (met kracht) de keel van voornoemde [slachtoffer] heeft vastgepakt en dicht heeft geknepen en dichtgeknepen heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 2:

op 15 februari 2026 te Veldhoven

[slachtoffer] ,

heeft mishandeld, door

een telefoon tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te gooien.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en beheersing middelengebruik.

Verder heeft de officier van justitie de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gevorderd, inhoudende een contact- en locatieverbod met aangeefster, met een vervangende hechtenis van 1 week per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1, de duur van het voorarrest en de oriëntatiepunten voor een eenvoudige mishandeling (feit 2), heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er geen ruimte meer is voor een voorwaardelijk strafdeel gelet op de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tegen die achtergrond heeft de raadsvrouw verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling door tweemaal met kracht de keel van zijn (toenmalige) partner vast te pakken, dicht te knijpen en dichtgeknepen te houden. Daarnaast heeft verdachte aangeefster mishandeld door een telefoon tegen haar hoofd te gooien. Dit heeft plaatsgevonden in een hotel waar verdachte en aangeefster verbleven.. Verdachte heeft na het geweld niet meteen hulp voor aangeefster ingeroepen; zij is zelf huilend naar de receptie gegaan. Met zijn handelen heeft verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van zijn inmiddels ex-partner. Hij heeft agressief en ontoelaatbaar gedrag laten zien. Het geweld heeft een grote indruk op aangeefster gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Persoon van verdachte

Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, onder andere tegen zijn stiefvader. Hij liep nota bene nog in de proeftijd van deze veroordeling. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Dit is in strafverzwarende zin meegenomen bij het bepalen van de strafmaat en -soort.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte geen volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden door de meest verstrekkende geweldshandelingen te ontkennen. De houding van verdachte ter terechtzitting getuigt van weinig zelfreflectie; hij wijst vooral naar aangeefster als veroorzaker van de problemen tussen hen.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van psychologisch onderzoek van 12 juni 2026. Daaruit blijkt dat er bij verdachte aanwijzingen zijn voor beperkte intellectuele capaciteiten en voor een posttraumatische stressstoornis, maar omdat verdachte in beperkte mate heeft meegewerkt aan het onderzoek wordt er geen duidelijke pathologie vastgesteld. Daardoor kan de psycholoog geen uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid, het recidiverisico en interventies om het eventuele recidivegevaar te beperken. Ook de reclassering kon in de schorsingsrapportage van 7 juli 2026 het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden niet inschatten. In een eerdere schorsingsrapportage van 28 mei 2026 is het recidiverisico ingeschat als hoog, gelet op de dossierinformatie, de eerdere veroordelingen wegens geweldsdelicten en de zorgelijke signalen die blijken uit het dossier. Daarbij wijst de reclassering op de partnerrelatie (meerdere geweldsincidenten tussen verdachte en aangeefster waarbij zij letsel heeft opgelopen) en de huiselijke kring (verdachte zou zijn aangenomen vader mishandelen). In laatstgenoemd rapport heeft de reclassering mogelijke schorsingsvoorwaarden geformuleerd, namelijk een meldplicht, ambulante behandeling, contactverbod en beheersing middelengebruik.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Voor (voltooide) zware mishandeling zonder gebruik te maken van een wapen geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De rechtbank is echter van oordeel dat de omstandigheden van deze poging tot zware mishandeling, te weten binnen een relatie zijn partner tweemaal binnen korte tijd bij de keel vastpakken en de keel dichtknijpen, in combinatie met de mishandeling en de recente veroordeling voor een vergelijkbaar feit in de huiselijke sfeer, waarvan de proeftijd nog liep, maken dat een hogere straf passend is.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen met een onvoorwaardelijk deel dat nagenoeg gelijk is aan de duur van het voorarrest. Om het risico op herhaling tegen te gaan en de ernst van de feiten te benadrukken, acht de rechtbank het noodzakelijk om ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden op te leggen met een proeftijd van 3 jaren. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en beheersing middelengebruik verbinden. De rechtbank zal het geadviseerde contactverbod niet als bijzondere voorwaarde opnemen maar – samen met een locatieverbod – opleggen als 38v-maatregel, zoals hierna wordt omschreven.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr

Om aangeefster te beschermen en tegemoet te komen aan haar gevoelens van onveiligheid, zal de rechtbank tot slot aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen voor de duur van 3 jaren. Deze maatregel houdt in dat verdachte zich zal onthouden van direct of indirect contact met aangeefster en dat verdachte zich niet zal ophouden in een gebied van 500 meter rond het adres van aangeefster (overeenkomstig de aan het vonnis gehechte kaart). De rechtbank zal daarbij de vervangende hechtenis stellen op 1 week per overtreding, met een maximum van 6 maanden.

Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de risico-inschatting van de reclassering in het advies van 28 mei 2026, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, in dit geval aangeefster. De rechtbank zal daarom bevelen dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 79,99 ter vergoeding van materiële schade (reparatiekosten telefoon) en een bedrag van € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gehele toewijzing gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de machtiging niet is ondertekend door aangeefster en daardoor niet kan worden vastgesteld dat haar advocaat gemachtigd is tot het indienen van het verzoek tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich wat betreft de materiële schade op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen rechtstreeks verband is met de bewezen verklaarde feiten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht om het bedrag aanzienlijk te matigen, gelet op de bepleite vrijspraak voor feit 1.

Beoordeling.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de in het voegingsformulier opgenomen machtiging niet heeft ondertekend. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, nu de benadeelde partij met haar gemachtigde ter terechtzitting is verschenen en de vordering heeft toegelicht. De benadeelde kan daarom in de vordering worden ontvangen.

Materiële schade

De rechtbank acht de gevorderde kostenpost ‘reparatiekosten telefoon’ van € 79,99 voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Nu de telefoon beschadigd is bij het gooien ermee, zoals bewezen verklaard onder feit 2, is sprake van rechtstreekse schade.

Immateriële schade

Door de benadeelde partij wordt een immateriële schadevergoeding gevorderd. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek onder andere recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan die naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending maken dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen in de zin van een scheur in haar lip en een bult op haar voorhoofd. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat de scheur in de lip een blijvend zichtbaar litteken heeft achtergelaten, nu hiervan geen stukken zijn overgelegd en dit ook overigens niet uit het dossier kan worden afgeleid. Verder is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Verdachte heeft de benadeelde tweemaal met kracht haar keel dichtgeknepen en een telefoon tegen haar hoofd gegooid. Sindsdien kampt zij met angstgevoelens, slaapproblemen en herbelevingen.

Daarmee is voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze in de persoon is aangetast’ en daardoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank voor wat betreft het letsel categorie 13 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie ziet op licht letsel met een herstelperiode van ongeveer twee maanden en heeft een bandbreedte tot € 1.100,-. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op dit moment op een bedrag van € 2.500,-. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

De rechtbank acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 2.579,99. De rechtbank zal de toegewezen materiële schadevergoeding vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de factuur (21 april 2026) en de toegewezen immateriële schadevergoeding vanaf datum delict (15 februari 2026), beide tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 05.204288.25.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 subsidiair:

poging tot zware mishandeling

t.a.v. feit 2:

mishandeling

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregelen:

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Tactus Reclassering op het adres Linie 612 te Apeldoorn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de navolgende afspraak.

- dat de veroordeelde zich laat behandelen door de forensische zorg van Tactus of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de behandeldoelen. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

- dat de veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren, inhoudende dat veroordeelde wordt bevolen:

De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

De rechtbank beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

t.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 2.579,99 euro, bestaande uit 79,99 euro materiële schadevergoeding en 2.500,00 euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.579,99 euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 79,99 euro materiële schadevergoeding en 2.500,00 euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

De rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 1 december 2025, gewezen onder parketnummer 05-204288-25, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Voorlopige hechtenis:

De rechtbank heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.E. de Kryger, voorzitter,

mr. A. Bernsen en mr. T.J. Roest Crollius, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,

en is uitgesproken op 8 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.E. de Kryger
  • mr. A. Bernsen
  • mr. T.J. Roest Crollius

Griffier

  • mr. M.A.I.A. Aarts

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand