RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.139107.25
Datum uitspraak: 10 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 juli 2026.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Budel, gemeente Cranendonck en/of Arnhem en/of Rotterdam en/of Utrecht en/of Tiel en/of Groenlo en/of Zwolle, althans in Nederland,
een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen en/of het verlenen van diensten tegen betaling,
te weten via Facebook Marktplaats en/of Facebook Messenger en/of Whatsapp en/of middels videobellen, door:
- een huurwoning aan te bieden in Eindhoven aan [slachtoffer 1] (dossier pagina 22), tegen betaling van €1700,00,
- een huurwoning aan te bieden in Arnhem aan [slachtoffer 2] (dossier pagina 69), tegen betaling van € 850,00,
- een huurwoning aan te bieden in Rotterdam aan [slachtoffer 3] (dossier pagina 98), tegen betaling van € 850,00,
- een huurwoning aan te bieden in Utrecht aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (dossier pagina 116) tegen betaling van € 475,00,
- een huurwoning aan te bieden in Rotterdam aan [slachtoffer 6] (dossier pagina 142), tegen betaling van € 475,00,
- een huurwoning aan te bieden in Rotterdam aan [slachtoffer 7] (dossier pagina 151), tegen betaling van € 900,00,
- een huurwoning aan te bieden in Tiel aan [slachtoffer 8] (dossier pagina 180), tegen betaling van € 375,00,
- een huurwoning aan te bieden in Groenlo aan [slachtoffer 9] (dossier pagina 199), tegen betaling van € 375,00 en/of
- een huurwoning aan te bieden in Zwolle aan [slachtoffer 10] (dossier pagina 223), tegen betaling van € 175,00,
met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 18 augustus 2024 te Budel, gemeente Cranendonck en/of Arnhem en/of Rotterdam en/of Utrecht en/of Tiel en/of Groenlo en/of Zwolle, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels: - [slachtoffer 1] (dossier pagina 22), - [slachtoffer 2] (dossier pagina 69), - [slachtoffer 3] (dossier pagina 98), - [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (dossier pagina 116), - [slachtoffer 6] (dossier pagina 142), - [slachtoffer 7] (dossier pagina 151), - [slachtoffer 8] (dossier pagina 180), - [slachtoffer 9] (dossier pagina 199) en/of - [slachtoffer 10] (dossier pagina 223)
heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van één of meerdere geldbedragen (bankoverschrijvingen), door: - te reageren op oproepen/advertenties van die voornoemde slachtoffers waarin zij aangaven op zoek te zijn naar een huurwoning, - aan te geven dat hij, verdachte, een huurwoning had in de regio waar voornoemde slachtoffers op zoek waren, - aan te geven dat er veel belangstelling was voor de woning en/of aan te geven dat slachtoffers snel geld moesten overmaken, als borg en/of reserveringskosten en/of voorrangskosten, - slachtoffers foto's te sturen die van de woning zouden zijn en/of middels videobellen een rondleiding te geven in wat de woning zou zijn en/of - deze huurwoningen (vervolgens) niet te leveren en/of alle contact te verbreken, waarbij verdachte ook nooit eigenaar of verhuurder van deze woningen is geweest en daarmee ook nooit had kunnen leveren.
De vorderingen tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De zaak met v.i. zaaknummer 99-001021-44 is aangebracht bij vordering van 9 september 2025. De vordering is in het digitale dossier gevoegd. Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 365 dagen van de gevangenisstraf van in totaal 8 jaar en 9 maanden, opgelegd bij vonnissen van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 12 september 2018 onder de parketnummers 01.865004.18, 01.880507.17 en 01.860046.18.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdachte heeft bij de politie geen officiële verklaring afgelegd, maar hij heeft ten overstaan van de politie ontkend iets van de ten laste gelegde feiten af te weten. De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.
Het oordeel van de rechtbank.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte via een geautomatiseerd werk een negental mensen of stellen heeft benaderd en de verhuur van een woning aan hen heeft aangeboden. Dit heeft de verdachte gedaan door digitaal op hun oproepen/advertenties op Facebook te reageren. Deze woningzoekende aangevers zijn op zijn aanbod ingegaan en zij hebben allen digitaal gecommuniceerd met de verdachte. Eén van de aangevers heeft de verdachte ook fysiek ontmoet. In zijn communicatie heeft de verdachte telkens om betaling van zijn diensten verzocht. Aangevers moesten bijvoorbeeld een maand borg betalen of een deel van de eerste maand huur. De verdachte deelde met aangevers kopieën van zijn ID-bewijs en bankpassen, waardoor bij aangevers vertrouwen ontstond. Aangevers hebben bedragen, giraal en/of contant, aan hem betaald zonder dat zij daadwerkelijk een huurwoning via hem hebben verkregen.
Gebleken is dat de verdachte helemaal niet de beschikking had over huurwoningen en de woningen in kwestie waren niet beschikbaar voor verhuur aan de aangevers. Niet is gebleken dat de verdachte enige poging heeft gedaan om de (aan)betalingen terug te betalen. Het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling is dan ook bewezen.
Gelet op voormelde modus operandi die naar voren komt in de aangiftes en op het aantal aangevers, die over het hele land op zoek waren naar een huurwoning, is sprake van het meermalen verrichten van soortgelijke feiten, die gericht zijn op het ontvangen van gelden van derden die vervolgens de betaalde diensten niet geleverd krijgen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een gewoonte als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht.
De stelling van de verdachte dat hij niets van de feiten afweet, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De verdachte heeft zichzelf met zijn eigen naam/namen bekend gemaakt, hij heeft afbeeldingen van zijn ID-bewijs met pasfoto en bankpassen gedeeld met aangevers en aangevers herkenden de persoon met wie zij via videoverbinding belden als de persoon op de ID-kaart. Ook politieambtenaren die de verdachte kennen, hebben hem herkend. Het bewijsverweer wordt door de bewijsmiddelen weerlegd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
in de periode van 1 mei 2024 tot en met 18 augustus 2024 in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verlenen van diensten tegen betaling, te weten via Facebook Marktplaats en/of Facebook Messenger en/of Whatsapp en/of middels videobellen, door: - een huurwoning aan te bieden in Eindhoven aan [slachtoffer 1] , tegen betaling van € 1700,00, - een huurwoning aan te bieden in Arnhem aan [slachtoffer 2] , tegen betaling van € 850,00, - een huurwoning aan te bieden in Rotterdam aan [slachtoffer 3] , tegen betaling van € 850,00, - een huurwoning aan te bieden aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , tegen betaling van € 475,00, - een huurwoning aan te bieden in Rotterdam aan [slachtoffer 6] , tegen betaling van € 475,00, - een huurwoning aan te bieden in Rotterdam aan [slachtoffer 7] , tegen betaling van € 900,00, - een huurwoning aan te bieden in Tiel aan [slachtoffer 8] , tegen betaling van € 375,00, - een huurwoning aan te bieden in Groenlo aan [slachtoffer 9] , tegen betaling van € 375,00 en - een huurwoning aan te bieden in Zwolle aan [slachtoffer 10] , tegen betaling van € 175,00, met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die diensten te verzekeren.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2).
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 180 dagen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.
De bewezen verklaarde feiten.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan online handelsfraude, meermalen gepleegd. Via Facebook, Whatsapp en videobellen heeft de verdachte personen benaderd die op zoek waren naar een nieuwe woning. Het ging daarbij ook om kwetsbare slachtoffers die bijvoorbeeld met spoed op zoek waren naar een nieuwe woning omdat zij zwanger waren. De verdachte heeft het vertrouwen van de slachtoffers gewonnen door zijn eigen persoonsgegevens te delen. Vervolgens hebben de slachtoffers gevoelige informatie gedeeld door salarisstroken, werkgeversverklaringen en kopieën van hun eigen ID-bewijs of paspoort te delen. Zij hebben het geld overgemaakt naar de verdachte, waarna de verdachte meer dan eens vroeg om een aanvullende betaling. Op het moment dat de slachtoffers hun geld terugvroegen of kritische vragen stelden over de woning, gaf de verdachte niet meer thuis of reageerde hij agressief. Met deze handelwijze heeft de verdachte het vertrouwen van de aangevers op een ernstige wijze beschaamd, hetgeen ook wordt omschreven door aangeefster [slachtoffer 3] in haar ter terechtzitting gegeven toelichting. Ook heeft de verdachte aangevers financiële schade toegebracht.
De verdachte.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Ten tijde van het plegen van deze feiten, liep de verdachte nog in de proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidstelling. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen. Ook weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte op geen enkel moment na zijn aanhouding ook maar enig inzicht heeft getoond in zijn handelen of iets van bereidheid heeft getoond om zich daarvoor te willen verantwoorden.
Oplegging straf.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de vordering toewijsbaar geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de vordering toewijsbaar geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de vordering toewijsbaar geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de vordering toewijsbaar geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de vordering toewijsbaar geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de vordering toewijsbaar geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
De vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Slotbepaling ten aanzien van alle toegewezen vorderingen.
De rechtbank zal met betrekking tot elke toegewezen vordering bepalen dat de verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens die benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van de schade van die benadeelde partij.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank deze vordering afwijst, omdat ter terechtzitting duidelijk is geworden dat de partner van de benadeelde partij, [slachtoffer 11] , dezelfde vordering heeft ingediend.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling.
De rechtbank zal de vordering afwijzen. Ter terechtzitting is duidelijk geworden dat zowel [slachtoffer 11] als [slachtoffer 8] vergoeding van dezelfde schade hebben gevorderd.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, V.I. zaaknummer 99-001021-44 (parketnummers 01.865004.18, 01.880507.17 en 01.860046.18).
De rechtbank heeft op 12 september 2018 drie strafvonnissen gewezen tegen de veroordeelde.
Onder parketnummer 01.865004.18 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd.
Onder parketnummer 01.880507.17 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 8 jaar opgelegd.
Onder parketnummer 01.860046.18 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd.
De veroordeelde is, gelet op de artikelen 6:2:10 en 6:2:11 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), op 10 augustus 2023 (op het moment dat de veroordeelde feitelijk in vrijheid is gesteld) voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Toen is de proeftijd van 1064 dagen ingegaan. Eerder, op 11 juli 2023, zijn aan de veroordeelde voorwaarden opgelegd, waaronder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Op 6 augustus 2024 is de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk herroepen voor de duur van 180 dagen.
De vordering van de officier van justitie van 9 september 2025 voldoet aan alle wettelijke eisen. Deze houdt in dat de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk (voor 365 dagen) wordt herroepen.Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan de hiervoor bewezen strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.
In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan. De rechtbank zal de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk herroepen voor een periode van 365 dagen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 63 (oud) en 326e Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die diensten te verzekeren.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en de maatregelen:
een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 850,00 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2], van een bedrag van 850,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 10] , van een bedrag van 175,00 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 10], van een bedrag van 175,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 850,00 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3], van een bedrag van 850,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 11] , van een bedrag van 375,00 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 06 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 11], van een bedrag van 375,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 06 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 7] , van een bedrag van 900,00 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 04 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 7], van een bedrag van 900,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 9 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 04 juli 2024 tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald.
Bepaalt met betrekking tot elke toegewezen vordering dat de verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens die benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van de schade van die benadeelde partij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Beslissing op vordering herroeping v.i. (parketnummers 01.865004.18, 01.880507.17 en 01.860046.18).
Wijst de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe.
De rechtbank gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 365 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 10 september 2026.