ECLI:NL:RBOBR:2026:6478

ECLI:NL:RBOBR:2026:6478

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 01/164493-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Geweldsincident op terrein van een GGZ-instelling. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag en legt uit waarom verdachte naar haar oordeel opzettelijk heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de bij hem aanwezige psychotische pathologie en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. Anders dan door de officier van justitie is geëist komt de rechtbank niet tot het opleggen van een tbs-maatregel. De rechtbank legt uit waarom de algemene veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de oplegging van de tbs-maatregel niet eist. De rechtbank heeft ambtshalve een zorgmachtiging voor betrokkene afgegeven (ECLI:NL:RBOBR:2026:6479).

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

vonnis

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01.164493.25

Datum uitspraak: 3 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 september 2025, 28 november 2025, 4 februari 2026, 7 april 2026, 4 juni 2026 en 20 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1. De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 augustus 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 mei 2025 te Helmond, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

meermaals (met kracht) met (gebalde) vuist(en) op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of meermaals (met geschoeide voet) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 mei 2025 te Helmond, althans in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een verwonding in het gezicht en (vermoedelijk) een gebroken hand, heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] meermaals (met kracht) met (gebalde) vuist(en) op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te slaan en/of meermaals (met geschoeide voet) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te schoppen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 mei 2025 te Helmond, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermaals (met kracht) met (gebalde) vuist(en) op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en/of meermaals (met geschoeide voet) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3. De bewijsbeslissing.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting van 20 augustus 2026 op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven en onder meer – op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag niet bewezen kan worden. Niet vastgesteld kan worden, aldus de raadsman, dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer).

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.

Op 27 mei 2025 vond er op het terrein van GGZ-instelling “ [GGZ-instelling] ” een ernstig geweldsincident plaats. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte veelvuldig (tweeëntwintig keer) met gebalde vuist tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen. Daarnaast heeft verdachte één keer een klap uitgedeeld tegen het hoofd van het slachtoffer met zijn knie en heeft hij nog vijf keer met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is waaruit afgeleid kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal deel van het lichaam betreft. Naar algemene ervaringsregels kan het meermalen met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat het schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben. Niet ieder schoppen tegen of stampen op het hoofd levert echter zodanig letsel op. Of in een concreet geval sprake is van een aanmerkelijke kans op het ontstaan daarvan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij spelen de kracht waarmee, de wijze waarop en de plek op het hoofd waar is geschopt een rol.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte excessief geweld heeft toegepast richting het hoofd van het slachtoffer. Deze geweldsexplosie, die steeds plaats vond richting het hoofd van het slachtoffer, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht te zijn dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. Dit betekent dat verdachte in elk geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Anders dan de raadsman heeft betoogd blijkt uit de beelden naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte zijn trappen heeft ingehouden. Het feit dat de benen van verdachte de zwaaiende beweging niet af lijken te maken kan ook worden verklaard door het feit dat het slachtoffer de klappen steeds heeft geïncasseerd. Het slachtoffer probeert immers het geweld ook steeds af te weren en zijn hoofd te beschermen.

De primair tenlastegelegde poging tot doodslag is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

4. De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 27 mei 2025 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermaals met kracht met gebalde vuisten op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en meermaals met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard, gelet op de Pro Justitia rapportage van de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum van 24 maart 2026 (hierna: het PBC-rapport).

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft eveneens de rechtbank verzocht om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van de inhoud van het PBC-rapport en van de ter terechtzitting gegeven toelichtingen van rapporterend GZ-psycholoog T. ’t Hoen. Uit het psychologisch en psychiatrisch onderzoek is – zakelijk weergegeven en onder meer – naar voren gekomen dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit bij verdachte sprake was van schizofrenie en ernstige middelenproblematiek ten aanzien van het gebruik van cannabis en amfetamine. In het bij de verdachte afgenomen bloedmonster is ook een grote hoeveelheid amfetamine aangetroffen. Er is, sinds 2015, sprake van een chronisch psychotisch beeld waarbij verdachte ondanks het innemen van antipsychotica steeds in meer of mindere mate psychotisch is gebleven. Uit de inhoud van het PBC-rapport maakt de rechtbank daarnaast op dat de onderzoekers van mening zijn dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zijn beïnvloed door de hiervoor omschreven psychotische pathologie.

Anderzijds beseft de rechtbank zich dat de onderzoekers ook duidelijk naar voren brengen dat zij beperkt zicht hebben kunnen krijgen op het denken, voelen en handelen van verdachte tijdens het tenlastegelegde. In een van de gesprekken met de onderzoekers verklaart verdachte dat hij er van overtuigd was dat het slachtoffer aan hem dacht als hij stond te douchen. In andere gesprekken benoemt verdachte dit dan weer niet als aanleiding voor zijn geweldsuitbarsting. Concluderend komen de psychiater en het psycholoog tot het oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, met de kanttekening dat niet is uitgesloten dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Ter terechtzitting van 20 augustus 2026 heeft rapporterend GZ-psycholoog dhr. ‘t Hoen op nadere vragen van de rechtbank verklaard dat voor zover er ruimte is om verdachte het toe te rekenen deze ruimte als zeer beperkt moet worden gezien. Hierbij heeft hij toegelicht dat het gedrag van verdachte kan voortkomen uit een reëel conflict, maar dat de kans ook zeker aanwezig is dat het gedrag is voortgekomen uit een betrekkingswaan (zoals de gedachtegang van verdachte dat het slachtoffer aan hem dacht in de douche).

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend. De keuze van verdachte om op dat moment geweld toe te passen naar een medebewoners moet redelijkerwijs voort zijn gekomen uit de bij verdachte reeds lange tijd aanwezige psychotische pathologie. Van contra-indicaties, zoals een reële aanleiding voor het conflict en/of van (reële) overwegingen van verdachte voor het toepassen van geweld, is niet gebleken.

Dit betekent dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. De oplegging van maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht om aan verdachte geen tbs-maatregel op te leggen. De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte ambtshalve een zorgmachtiging op te leggen. Het subsidiariteitsbeginsel verzet zich, aldus de raadsman, tegen het opleggen van de tbs-maatregel nu een zorgmachtiging ook voldoende ruimte biedt om het recidiverisico, voor zover deze er is, terug te brengen tot een aanvaardbaar risico.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist (i), de tbs-maatregel aan een verdachte kan worden opgelegd. Hierbij dient bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens te bestaan (ii) en het door hem begane misdrijf dient een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving van vier jaar of meer is gesteld (iii).

Naast het opleggen van een tbs-maatregel is door de rechtbank ambtshalve overwogen aan verdachte een zorgmachtiging op te leggen ex artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz). Deze procedure is gelijktijdig met de strafzaak behandeld. Verdachte heeft ten aanzien van deze procedure bijstand gekregen van zijn raadsvrouw, mr. H.M.S. Cremers.

Zoals hiervoor is overwogen onder 6.3 was er bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake van schizofrenie (voorwaarde ii). Het door verdachte gepleegde feit, poging tot doodslag, kent een wettelijk strafmaximum van meer dan vier jaren (voorwaarde iii). De vraag die de rechtbank moet beantwoorden en waar de officier van justitie en de verdediging tevens over van mening verschillen, is of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de tbs-maatregel eist (voorwaarde i).

Uit de inhoud van het PBC-rapport maakt de rechtbank op dat verdachte, naar het oordeel van de onderzoekers, primair geen agressieve man is. Tijdens zijn verblijf in het PBC als gedurende zijn jeugd en adolescentie zijn geen aanwijzingen voor agressief of antisociaal gedrag. De onderzoekers zijn van mening dat de door verdachte op 27 mei 2025 vertoonde agressie afkomstig is uit de bij hem aanwezig psychopathologie, al dan niet in combinatie met het (frequente) gebruik van middelen. Concluderend vatten de onderzoekers samen dat zij geen gedragsmatig onderbouwde uitspraak kunnen doen over de mate van verhoging van het recidiverisico op soortgelijke feiten. Indien verdachte intensieve monitoring en ondersteuning krijgt achten de onderzoekers geen hoog beveiligingsniveau nodig.

In het bijzonder overwegen de onderzoekers als volgt: “Onderzoekers hebben de verschillende juridische kaders uitgebreid overwogen. Vanwege de primair op psychiatrie gerichte behandelnoodzaak, het feit dat betrokkene primair geen agressieve man is en een hoog beveiligingsniveau niet noodzakelijk is, menen onderzoekers dat een zorgmachtiging (in het kader van de Wvggz) als maatregel overwogen kan worden. Hoewel betrokkene beperkt ziektebesef en -inzicht heeft, weinig probleembesef vertoont en op de afdeling nauwelijks initiatief laat zien, komt tevens naar voren dat hij in een voldoende gestructureerde setting met voldoende begeleiding wel doet wat hem wordt aangedragen en er geen sprake is van oplopende spanning of agressie. Zo neemt hij ook zijn medicatie op dit moment vrijwillig en accepteert hij aanpassingen hierin. Zorg op een afdeling met een hoge zorgintensiteit, zoals een High Intensive Care (HIC) of een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), wordt zodoende het meest passend geacht.”

Ter terechtzitting van 20 augustus 2026 heeft rapporterend GZ-psycholoog dhr. ‘t Hoen als deskundige (onder meer) op vragen van de rechtbank verklaard:

dat uit het onderzoek bij het PBC en uit de voorgeschiedenis van verdachte niet blijkt dat als de psychotische problematiek van verdachte toeneemt hij gewelddadiger wordt;

dat het risico op gewelddadig gedrag door de onderzoekers van het PBC slechts voortkomt uit de psychotische pathologie van verdachte en geen oorsprong is vastgesteld in de persoonlijkheid van en/of een aanwezige persoonlijkheidsstoornis bij verdachte.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de oplegging van de maatregel niet eist. Uit het PBC-rapport en het onderzoek ter terechtzitting blijkt immers niet dat het recidivegevaar, welke uitsluitend voortkomt uit de bij verdachte aanwezige psychotische pathologie, zodanige risico’s met zich brengt dat dit de oplegging van de maatregel vereist.

Dit geldt des te meer nu er een minder ingrijpende mogelijkheid (de zorgmachtiging) is die de psychotische problematiek van verdachte kan behandelen en het recidiverisico kan inperken.

De stelling van de officier van justitie, inhoudende dat het risico op geweld door de onderzoekers niet is uitgesloten, biedt onvoldoende grondslag om toch te komen tot het opleggen van deze ingrijpende maatregel.

Dit betekent dat aan verdachte geen tbs-maatregel wordt opgelegd. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat met betrekking tot verdachte, gelijktijdig met deze uitspraak, een zorgmachtiging is afgegeven in de zin van artikel 2.3 Wfz.

8. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De vordering.

De benadeelde [slachtoffer] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 5480,--. Dit bedrag bestaat, aldus de vordering, uit materiële schade ( € 480,--), immateriële schade ( € 2000,--) en affectieschade ( €3000,--).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade ter hoogte van € 480,-- geheel kan worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, die door de officier van justitie samen wordt genomen tot één vordering ter hoogte van € 5000,-- heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht dit bedrag deels te matigen en daarbij gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu deze niet is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de gevorderde affectieschade niet op te vatten als gevorderde immateriële schade. Voor zover er schadevergoeding plaatsvindt ten aanzien van immateriële schade dient, aldus de raadsman, gelet op het beperkte letsel, het gevorderde bedrag gematigd te worden. De raadsman verzocht de rechtbank daarbij gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

De beoordeling.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van benadeelde [slachtoffer] dient te worden opgevat als bestaande uit twee posten, zijnde een vordering tot vergoeding van materiële schade en een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Dat de benadeelde abusievelijk een deel van zijn vordering heeft ingevuld als zijnde affectieschade kan redelijkerwijs niet anders worden gezien dan als een gevolg van het feit dat hij het formulier kennelijk niet goed begrepen heeft. Immers voert hij als grondslag voor de affectieschade aan dat er sprake is van een blijvend litteken bij het oog, een blijvend dikke hand na de breuk en dat er sprake is van angst en/of een trauma door het incident.

Materiële schade.

De rechtbank vindt de vordering onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vorderingen in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.

De immateriële schade van de benadeelde is niet met stukken onderbouwd. Gelet hierop zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank sluit hierbij aan bij de categorie “(d) minder ernstig”, waarbij als uitgangspunt een vergoeding wordt toegekend van tussen de € 2.675,-- en € 4.000,--. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 3000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

9. De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 45, 287 Wetboek van Strafrecht.

10. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert het misdrijf:

poging tot doodslag

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

- wijst af de vordering van de officier van justitie tot oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De rechtbank:

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 3.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;

- vermeerdert de vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 3.500,00 euro;

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade;

- vermeerdert de vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. S.H.C. Merkx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,

en is uitgesproken op 3 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.M.T. Keukens
  • mr. J.G. Vos
  • mr. S.H.C. Merkx

Griffier

  • mr. S.B.J. de Leeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand