beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Team strafrecht
Rekestnummer: C/01/424936
Zorgmachtiging
In deze beschikking beoordeelt de rechtbank het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz), zoals bedoeld in artikel 6:4 in samenhang bezien met artikel 6:5 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
hierna te noemen: betrokkene.
1. Het procesverloop
De rechtbank heeft gedurende de behandeling van de tegen betrokkene aanhangige strafzaak met parketnummer 01.164493.25 ambtshalve overwogen ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging af te geven. Ter voorbereiding hiervan zijn van de officier van justitie onder andere de volgende stukken ontvangen:
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het in de strafzaak tegen betrokkene opgemaakte multidisciplinair rapport van het Pieter Baan Centrum van 24 maart 2026 (het “PBC-rapport”). Van de zijde van de advocaat van betrokkene is verstrekt een behandelovereenkomst van betrokkene in het kader van zijn verblijf in [verblijfplaats] (van onbekende datum).
De mondelinge behandeling heeft, gelijktijdig met de strafzaak, plaatsgevonden op 20 augustus 2026 in het gebouw van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft geen verzoek ingediend om een zorgmachtiging te verlenen, omdat zij heeft gevorderd dat aan betrokkene (in de strafzaak) de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd.
3. Het standpunt van betrokkene
De advocaat heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
4. Het oordeel van de rechtbank
De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank verzocht bij haar oordeel geen acht te slaan op het zorgplan en de medische verklaring. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. Betrokkene is op 19 mei 2026 gezien door een onafhankelijke psychiater (Matton). Daarna is betrokkene op 4 augustus 2026 opnieuw is gezien door een andere onafhankelijke psychiater (Van der Steen), die de bevindingen conclusies en conclusies van Matton heeft onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de opgemaakte medische verklaring (en de actualisatie daarvan) aan alle wettelijke eisen en de rechtbank heeft geen enkele redenen aan de conclusies van de onafhankelijke psychiaters te twijfelen. Ook zal de rechtbank gebruik maken van het opgemaakte zorgplan. Hoewel het zorgplan met name is gebaseerd op historische informatie over betrokkene, is ook deze informatie bruikbaar voor de beoordeling of aan betrokkene verplichte zorg, en zo ja, welke vormen van zorg, mag worden verleend.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie, waarbij de negatieve symptomen (vlakke mimiek, initiatiefloosheid) het beeld bepalen. Tevens is betrokkene bekend met middelenmisbruik.
Deze stoornissen leiden tot (een risico op) ernstig nadeel:
In het verleden heeft betrokkene spullen in zijn kamer vernield en heeft hij soms ’s nachts buiten staan te schreeuwen. Door zijn overlastgevend gedrag kan hij niet bij zijn moeder wonen en is hij dakloos. Ook is sprake van forse negatieve symptomatologie met veel initiatiefverlies waardoor betrokkene niet zelfstandig kan functioneren; hij heeft intensieve aansturing en structurering nodig in zijn dagelijks functioneren. Betrokkene heeft zich op 27 mei 2025 naar het oordeel van de rechtbank in de hiervoor benoemde strafzaak schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. De oorzaak van het door betrokkene gepleegde geweld ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten in de bij hem aanwezige psychotische pathologie, al dan niet in combinatie met middelengebruik.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene zorg nodig heeft om:
Het is de rechtbank gebleken dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis. Om die reden is verplichte zorg nodig. De rechtbank is van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk zijn:
vorm van verplichte zorg
toedienen van medicatie
het verrichten van medische controles
het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening
beperken van de bewegingsvrijheid
onderzoek aan kleding of lichaam
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen
opnemen in een accommodatie
De rechtbank is van oordeel dat deze vormen van verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief zijn. Bij het bepalen van deze vormen van zorg is rekening gehouden met de veiligheid van betrokkene en met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen. Het is de rechtbank niet gebleken dat minder bezwarende alternatieven hetzelfde beoogde effect kunnen hebben.
De rechtbank komt tot de conclusie dat is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg zoals bedoeld in de Wvggz. De rechtbank zal de zorgmachtiging verlenen voor de vormen van verplichte zorg zoals hierboven is weergegeven en voor de duur van zes maanden.
5. De beslissing
De rechtbank:
- verleent ambtshalve een zorgmachtiging ten aanzien van:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1996] .
en bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:
vorm van verplichte zorg
toedienen van medicatie
het verrichten van medische controles
het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening
beperken van de bewegingsvrijheid
onderzoek aan kleding of lichaam
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen
opnemen in een accommodatie
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot uiterlijk 3 maart 2027;
- bepaalt dat deze zorgmachtiging bij voorraad uitvoerbaar is. De machtiging is geldig vanaf dagtekening en moet binnen twee weken ten uitvoer worden gelegd.
Deze machtiging is op 3 september 2026 gegeven door
mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. S.H.C. Merkx, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.
Tegen de beschikking van deze rechtbank staat het rechtsmiddel van cassatie open bij de Hoge Raad, in te stellen door een advocaat door middel van het indienen van een verzoekschrift bij de griffie van de Hoge Raad binnen drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking.