RECHTBANK OOST-BRABANT
[naam] en [naam], uit [woonplaats], eisers,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten, het college
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 26/1896 en 26/1485
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),
en
(gemachtigden: mw. mr. E. Nooijen en D.T.N. Huisman ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] en [naam] uit [woonplaats], verzoekers om handhaving (hierna: de derde-partij),
(gemachtigde: mr. A.C.Z. van Beijsterveldt)
1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde last onder dwangsom, die strekt tot verwijdering van een zwembad op hun perceel [adres] (hierna: het perceel) te [plaats]. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de last onder dwangsom.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit en de opgelegde last onder dwangsom in stand blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. De derde-partij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het zwembad op het perceel van hun buren.
Het college heeft dit verzoek met het primaire besluit van 21 oktober 2025 ingewilligd. Hierbij zijn eisers gelast om vόόr 22 oktober 2026 de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet te beëindigen en beëindigd te houden. Volgens het besluit kunnen eisers dit doen door het zwembad op de huidige locatie in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden of dicht te storten. Als hier op 22 oktober 2026 niet of niet volledig aan is voldaan, verbeuren eisers een dwangsom van € 15.000,- voor iedere week dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 60.000,-. Met het bestreden besluit van 14 april 2026 op het bezwaar van eisers is het college bij het opleggen van de last onder dwangsom gebleven. Wel heeft het college de formulering van de last aangepast doordat de woorden “dicht te storten” uit de last zijn verwijderd.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (SHE 26/1485) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (SHE 26/1896).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij,
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten
3. Omstreeks 2021 hebben eisers op hun perceel een zwembad gebouwd. Het zwembad is aan de zuidkant van de gevel ter hoogte van de erfgrens met de buren gerealiseerd. Op 12 maart 2025 heeft de derde-partij bij het college verzocht om handhavend optreden ten aanzien van het zwembad en een haag op het perceel.
Gemeentelijke toezichthouders hebben op 24 maart 2025 het perceel van eisers gecontroleerd en geconstateerd dat een zwembad op het perceel aanwezig is. Hiervoor is geen omgevingsvergunning verleend. Het college heeft vervolgens de last onder dwangsom aan eisers opgelegd.
Overtreding
Het college heeft deze last onder dwangsom opgelegd, omdat eisers artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet hebben overtreden. Daarbij heeft het college gesteld dat het volgens het ter plaatse geldende omgevingsplan alleen is toegestaan om een zwembad zonder vergunning te bouwen als het zwembad voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Uit artikel 23.3.2, aanhef en onder d, van de planregels volgt dat een niet-overdekt zwembad zonder vergunning is toegestaan als het zwembad achter de achtergevel of het verlengde daarvan is gerealiseerd en op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens. Tussen partijen is niet in geschil dat het zwembad niet is gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en dat het zwembad aan de zijgevel ligt op minder dan 3 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens. Het zwembad ligt tegen de perceelsgrens van de buren aan. Het zwembad is ook niet vergunningsvrij op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dat betekent dat eisers met de realisatie van het zwembad de planregels hebben overtreden en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Concreet zicht op legalisatie
5. Eisers betogen dat artikel 23.3.3 van de planregels, anders dan het college stelt, een mogelijkheid biedt om af te wijken van artikel 23.3.2 aanhef en onder d, van de planregels. Deze bepaling moet uit een oogpunt van rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. Eisers verwijzen hierbij ook naar de uitspaak van de Afdeling van 23 oktober 2019, waarin is opgenomen dat planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk dienen te worden uitgelegd. Volgens eisers kan het college dan ook niet achteraf stellen dat het gaat om een kennelijke verschrijving, temeer omdat de bepaling al jarenlang ongewijzigd onderdeel is van het bestemmingsplan. Eisers bestrijden daarnaast dat voor eenieder duidelijk zou zijn dat in artikel 23.3.3 eigenlijk naar artikel 23.3.2, onder e, van de planregels had moeten worden verwezen. Uit een interne e-mail van de gemeente van 1 april 2025 blijkt bovendien dat artikel 23.3.3 wél kan worden gebruikt voor de gewenste vergunning. Verder stellen eisers dat een zwembad kan worden aangemerkt als een ondergronds bouwwerk. De algemene formulering van artikel 23.3.3 biedt volgens hen daarom ruimte om ook voor een zwembad van de betreffende bouwregels af te wijken. Dat de gemeenteraad hier ook een beperking aanbrengt ten aanzien van de bouwdiepte van een zwembad in relatie tot de waterhuishoudkundige situatie en de archeologische waarde, is niet vreemd, gelet op het feit dat het gaat om ‘ondergronds bouwen’ en dus ingrepen in de bodem. Eisers zijn van mening dat het daarom niet gaat om een ‘kennelijke verschrijving’ en dat het college ten onrechte stelt dat geen vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 23.3.3 van de planregels. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onzorgvuldig gemotiveerd.
Het college stelt dat artikel 23.3.3 van de planregels geen mogelijkheid biedt om een omgevingsvergunning te verlenen, omdat deze bepaling niet voor zwembaden is bedoeld. In de bepaling is een verkeerde verwijzing opgenomen. Het gaat hier om een kennelijke verschrijving. In artikel 23.3.3 van de planregels is abusievelijk verwezen naar artikel 23.3.2, onder d, maar beoogd is om te verwijzen naar artikel 23.3.2, onder e. Dat had voor eisers ook duidelijk kunnen zijn, omdat artikel 23.3.2, onder e, van de planregels ziet op een ontheffing van de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken en niet op de overige voorwaarden die gelden voor zwembaden. Deze fout is voor eenieder direct kenbaar. Volgens het college bestaat op grond van artikel 23.3.3 geen mogelijkheid om het zwembad te legaliseren.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat op grond van artikel 23.3.3 van de planregels geen mogelijkheid bestaat om het zwembad te legaliseren. Uit de tekst van artikel 23.3.3 van de planregels volgt dat de bevoegdheid van het college ziet op een afwijking van een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter. De maximale ondergrondse bouwdiepte is geregeld in artikel 23.3.2, onder e, van de planregels en niet in artikel 23.3.2, onder d, van de planregels. In deze laatste bepaling komt het woord bouwdiepte niet voor. Dit is, zoals het college ook betoogt, voor eenieder duidelijk. Maar zelfs als het mogelijk is om een ontheffing te verlenen op grond van artikel 23.3.3 van de planregels, dan nog voldoet het zwembad van eisers niet aan de andere eisen, te weten dat het zwembad achter de achtergevel moet liggen en op ten minste drie meter van de zijdelingse perceelgrens.
Eisers stellen in het kader van concreet zicht op legalisatie verder dat het college heeft overwogen niet bereid te zijn om mee te werken aan een vergunning, omdat sprake kan zijn van mogelijke overlast. Zij verwijzen naar rechtspraak van de Afdeling, waaruit weliswaar volgt dat het in beginsel volstaat dat het college niet bereid is om een omgevings-vergunning te verlenen. Dit volstaat echter niet als op voorhand duidelijk is dat een dergelijk besluit rechtens onhoudbaar is. In het advies van de commissie is niet ingegaan op eisers stelling dat hiervan sprake is. De gestelde mogelijke hinder voor omwonenden is volgens eisers geen reden om de aangevraagde vergunning te weigeren
De voorzieningenrechter stelt vast dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit (een BOPA) een bevoegdheid is die toekomt aan het college en dat de voorzieningenrechter dit terughoudend toetst. Het college heeft meermaals aan eisers laten weten niet mee te willen werken aan een dergelijke procedure en heeft dit standpunt ook onderbouwd. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat niet op voorhand duidelijk is dat de weigering om mee te werken rechtens onhoudbaar is. Bij een verlening van een BOPA wordt namelijk getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel van die toets kan zijn of de gevraagde activiteit overlast/hinder veroorzaakt. De voorzieningenrechter ziet in dit betoog van eisers geen reden om het bestreden besluit te vernietigen.
Gelijkheidsbeginsel
6. Eisers stellen verder dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben 44 vergelijkbare gevallen aangedragen van zwembaden die ook op minder dan 3 meter van de perceelsgrens liggen. Volgens eisers is voor de beoordeling van de vraag of het gaat om gelijke gevallen vooral van belang dat het in de gevallen die zij hebben aangedragen om dezelfde overtreding gaat, te weten het realiseren van een zwembad zonder omgevingsvergunning. De ligging achter de achtergevel of het al dan niet hebben van directe buren maakt voor de beoordeling of het gaat om gelijke gevallen volgens eisers niet uit. Uit de stukken die zij met het Wet open overheid (Woo)-verzoek hebben verkregen, is bovendien gebleken dat voor 36 zwembaden geen vergunning is verleend en dat het college ook niet handhavend optreedt. Daarnaast zijn volgens eisers in het verleden meerdere vergunningen verleend voor zwembaden op minder dan 3 meter van de perceelsgrens. Eisers stellen dat het college daarom, als het in deze andere gevallen niet heeft gehandhaafd of zelfs heeft gelegaliseerd, ook in hun geval van handhaving moet afzien of moet meewerken aan legalisatie. De door het college genoemde mogelijke hinder kan volgens eisers geen onderscheidend argument zijn, omdat die hinder ook bij de andere zwembaden kan optreden.
Het college stelt dat voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake dient te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling. De door eisers genoemde gevallen zijn volgens het college geen gelijke gevallen. Geen enkel zwembad is gelegen in het zij-erf tussen 2 woningen in. Daarmee ontbreekt volgens het college de noodzakelijke feitelijke gelijkheid. Daarnaast is van belang dat de vergunningen die wel zijn verleend voor een zwembad nog zijn verleend op basis van oude bestemmingsplannen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat schending van het gelijkheidsbeginsel een bijzondere omstandigheid kan vormen die kan nopen tot het afzien van handhavend optreden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moeten dan de gevallen op relevante punten gelijk zijn. Het moet gaan om een gelijk geval, dat door het bestuursorgaan ongelijk wordt behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Hieraan is inherent dat het bestuursorgaan wetenschap moet hebben van zulke gevallen en daartegen desondanks niet optreedt, terwijl het in het voorliggende geval wel optreedt.
Anders dan eisers betogen, is voor een beoordeling van de vraag of het gaat om een gelijk geval, niet alleen van belang of het in juridische zin om dezelfde overtreding gaat. Ook de feitelijke situatie is, zoals het college terecht stelt, van belang. Hoewel het uitgangspunt is dat het college in de regel van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik moet maken, moet het ook beoordelen of zich bijzondere omstandigheden voordoen en of handhaving evenredig is. Voor deze laatste beoordeling is de feitelijke situatie, dus in deze zaak de ligging van een zwembad op een perceel, mede van belang. Voor het antwoord op de vraag of het gaat om een gelijk geval, waarin het college niet handhavend optreedt, is dus niet alleen de juridische, maar ook de feitelijke situatie van belang.
Het college is tijdens de bezwaarfase uitgebreid ingegaan op de vele door eisers aangedragen gevallen. Het heeft een overzicht gemaakt van de gevallen waarnaar eisers hebben verwezen en het heeft per geval gemotiveerd waarom het geen gelijk geval is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich voor die gevallen terecht op het standpunt gesteld dat het niet gaat om gelijke gevallen, omdat de feitelijke situatie en/of de juridische situatie anders is. De voorzieningenrechter overweegt verder dat niet van het college kan worden gevergd dat zij in dit geval eerst het gehele relevante gebied van de gemeente in kaart had gebracht met betrekking tot mogelijk vergelijkbare overtredingen en daartegen indien nodig ook al handhavend zou hebben opgetreden. Het is de voorzieningenrechter verder niet gebleken dat de gevallen die eisers na de bezwaarfase nog hebben aangedragen ook zijn gesitueerd aan de zijgevel, met hetzelfde planologische regime en waaraan ook een handhavingsverzoek ten grondslag ligt. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dan ook niet.
Vertrouwensbeginsel
7. Eisers doen verder een beroep op het vertrouwensbeginsel en wijzen in dit kader op het voorstel van het college van 22 mei 2025 om onder voorwaarden een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor een periode van 15 jaar. Eisers zijn van mening dat zij er op basis van deze e-mail gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat vergunningverlening (voor 15 jaar) tot de juridische mogelijkheden behoorde. Met deze toezegging heeft het college het vertrouwen gewekt dat het kennelijk bereid was om tot
vergunningverlening over te gaan en dat in dit kader de mogelijk hinderaspecten niet van belang waren om eventueel een omgevingsvergunning te weigeren. Door nu toch over te gaan tot handhavend optreden, handelt het college in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eisers zijn verder van mening dat het zeer onevenredig is dat geen (tijdelijke) vergunning wordt verleend, omdat de buren niet bereid zijn geweest om in overleg te treden. Dat de voorwaarde niet is vervuld, was dus niet gelegen in het handelen van eisers, maar in het gedrag van de derde-partij.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de e-mail een uitdrukkelijk voorbehoud is gemaakt. Eén van de voorwaarden was namelijk dat er een regeling zou komen met de buren. Daarnaast zouden eisers iets met de haag moeten doen en aan de hand van bouwtekeningen van het zwembad aan moeten tonen dat het zwembad constructief veilig is. Aan de gestelde voorwaarden is niet (volledig) voldaan. Dat dit niet volledig aan eisers te wijten is doet hier niet aan af. Ook een algemene vraag of een zwembad vergunningsvrij is, is onvoldoende om een geslaagd beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. Daarmee is volgens het college geen sprake van een duidelijke, ondubbelzinnige en aan het bestuursorgaan toe te rekenen toezegging.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet die situatie zich hier niet voor. In de mails tussen eisers en het college maakt de voorzieningenrechter op dat er in dit geval geen uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eisers het vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat geen omgevingsvergunning is vereist of dat het college een omgevingsvergunning zal verlenen voor het zwembad. Wat betreft het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van 15 jaar, stelt de voorzieningenrechter vast dat het college met dit voorstel heeft geprobeerd om een oplossing voor de situatie tussen de buren te vinden. Het college heeft daarbij uitdrukkelijk gesteld dat moest worden voldaan aan drie voorwaarden. Eén van die voorwaarden was een regeling met de buren. Ter zitting is gebleken dat niet aan alle voorwaarden is voldaan. Voor zover eisers zich beroepen op een e-mail van 25 juni 2025, stelt de voorzieningenrechter vast dat deze e-mail niet is gericht aan eisers en bovendien volgt uit deze e-mail ook dat het college een tijdelijke vergunning heeft voorgesteld om de situatie tussen de buren op te lossen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
Evenredigheid
8. Eisers stellen dat handhavend optreden onevenredig is en dat het college hieraan in het bestreden besluit onvoldoende aandacht heeft besteed. Ook de bezwaarschriftencommissie heeft volgens eisers onvoldoende aandacht besteed aan hun belangen. Eisers wijzen erop dat op dezelfde locatie wel een niet-ingezonken zwembad vergunningsvrij kan worden gerealiseerd of bijvoorbeeld een terras. Volgens eisers heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom handhaving in dit geval noodzakelijk en evenredig is. Zij stellen dat het handhavingsbelang beperkt is. Er is geen reëel veiligheidsrisico: het zwembad ligt er al jaren zonder problemen en is stevig uitgevoerd. Ook is geen concrete hinder aangetoond. Het geluid betreft normale woongeluiden, er is een geluidswerende erfafscheiding en van schade door chloor aan beplanting is nooit gebleken. Bovendien heeft het college zelf aangegeven dat een zwembad achter in de tuin mogelijk meer overlast veroorzaakt. Volgens eisers is het belang van de derde-partij daarom niet dusdanig zwaarwegend dat handhavend optreden op zijn plaats is.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in redelijkheid het algemene belang mogen laten prevaleren boven het belang van eisers. Daarbij komt gewicht toe aan de aard van de overtreding en de gevolgen daarvan voor de omgeving. De voorzieningenrechter ziet geen zwaarwegende noodzaak om het ondergrondse bouwwerk in afwijking van het Omgevingsplan te laten voortbestaan. Uit de door het college gemaakte belangenafweging blijkt dat hij de individuele belangen van eisers heeft afgewogen tegen het algemene belang dat met handhavend optreden is gediend. Bij deze weging heeft het college betrokken dat het gehele bouwwerk in strijd met het Omgevingsplan is opgericht. Concreet betekent dit dat het zwembad niet achter de achtergevel én niet drie meter van de zijdelingse perceelsgrens is gesitueerd. Van een overtreding van geringe aard en ernst is daarom geen sprake. Daarnaast heeft het college van belang mogen achten dat het gebruik en de plaatsing van het ondergrondse bouwwerk, zo vlak naast de perceelsgrens van de buren, overlast veroorzaakt. Uit wat eisers ter zitting hebben aangevoerd, begrijpt de voorzieningenrechter dat het voor hen bezwaarlijk is om het bouwwerk af te breken. Die omstandigheid betekent echter niet dat het onmogelijk is om aan de last te voldoen.
9. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat het college van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden gebruik heeft mogen maken. Hieronder zal de voorzieningenrechter de beroepsgronden behandelen die zien op de last en de begunstigingstermijn.
Nadelige positie (Reformatio in Peius)
10. Eisers stellen dat het college ten onrechte de last in bezwaar heeft gewijzigd. Door het verwijderen van de woorden ‘of dicht te storten’ kunnen eisers niet meer volstaan met het dichtstorten van het zwembad, maar moeten zij het hele zwembad verwijderen. Daarmee zijn ze in een nadeligere positie gekomen en heeft het college in strijd gehandeld met het verbod van reformatio in peius.
De voorzieningenrechter stelt vast dat eisers als gevolg van het instellen van bezwaar in een slechtere positie is gekomen, omdat eisers om te voldoen aan de last niet meer mogen volstaan met het dichtstorten van het zwembad. In het bestuursrecht geldt een regel dat een burger in principe niet slechter af mag raken door in bezwaar te gaan (het verbod op reformatio in peius). Maar op deze regel bestaan verschillende uitzonderingen. De regel geldt niet als het bestuursorgaan hoe dan ook na afloop van de procedure bevoegd was geweest om het nadeligere besluit alsnog te nemen. De regel geldt in principe ook niet als sprake is van een besluit waarbij verschillende partijen tegengestelde belangen hebben.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het in deze zaak gaat om een zogeheten driepartijengeschil, waarin de derde-partij heeft verzocht om handhaving ten aanzien van het zwembad. Het belang van de derde-partij is daarmee tegengesteld aan het belang van eisers. Dat betekent dat zich in deze zaak een uitzondering voordoet op het verbod op reformatio in peius. Daar komt bij dat de last inhoudt dat eisers een einde moeten maken aan de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Met het volstorten van het zwembad kunnen eisers niet voldoen aan de last. Immers, in die situatie blijft het volgestorte zwembad een ondergronds bouwwerk, en deze mogen op grond van artikel 23.3.2, onder a, van de planregels alleen onder een bouwwerk worden gerealiseerd.
Begunstigingstermijn
11. Eisers stellen dat de geboden begunstigingstermijn onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de last.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan het college enige vrijheid toekomt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn. Daarbij geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Verder is van belang dat de begunstigingstermijn er niet op gericht is om de mogelijke legalisering van niet vergunde activiteiten af te wachten en dat de omstandigheid dat de overtreding reeds lange tijd heeft voortgeduurd, niet van belang is voor de termijn waarbinnen de overtreding kan worden beëindigd. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is alleen van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan en niet of de overtreder dat op een zo gunstig mogelijke wijze kan doen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in dit geval een begunstigingstermijn heeft gesteld van 12 maanden voor het beëindigen van de overtreding. Deze termijn van 12 maanden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onredelijk kort. Eisers hebben weliswaar gesteld dat het voor hen op dit moment te kort dag is om een gespecialiseerd bedrijf te vinden die het zwembad kan verwijderen, maar daartegenover staat dat zij vanaf de datum van het bestreden besluit weten dat het zwembad verwijderd moet worden. Die tijd hadden eisers kunnen gebruiken om een gespecialiseerd bedrijf te vinden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat het college in het bestreden besluit een langere begunstigingstermijn had moeten stellen dan het in het primaire besluit heeft gesteld.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
De voorzieningenrechter realiseert zich echter wel dat eisers binnen korte termijn het zwembad moeten afbreken. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, zou het verzoek om een voorlopige voorziening moeten worden afgewezen, omdat de verzochte voorziening op grond van 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb vervalt zodra uitspraak is gedaan op het beroep. De voorzieningenrechter ziet daarom reden om een voorziening te treffen om te voorkomen dat eisers vrij snel dwangsommen verbeuren en eisers in de gelegenheid te bieden het zwembad met behulp van een gespecialiseerd bedrijf te verwijderen. De voorzieningenrechter verlengt met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de begunstigingstermijn tot 1 februari 2027. Dat betekent dat eisers tot die tijd hebben om aan de opgelegde last te voldoen of rechtsmiddelen aan te wenden ter voorkoming daarvan.
In aanmerking genomen dat het beroep ongegrond is en eiser in zoverre in het ongelijk wordt gesteld en een voorlopige voorziening wordt getroffen, die niet het gevolg is van een onjuistheid in het bestreden besluit maar enkel dient om het belang van eisers te dienen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Gelet daarop bestaat evenmin aanleiding om het college te gelasten het griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt verlengd tot1 februari 2027.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Bestemmingsplan “Woongebieden Asten”
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
ondergronds bouwen:
het beneden de aardoppervlakte, onder peil, realiseren van een bouwwerk.
peil:
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
23. 3.2
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen:
1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen als opgenomen in de regels behorende bij de desbetreffende bestemming in acht wordt genomen;
3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil;
bij het berekenen van de blijkens de plankaart of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.
23.3.3
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 23.3.2. sub d voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat: