RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Meervoudige economische kamer strafzaken
Parketnummer: 82.228324.25
Datum uitspraak: 11 september 2026
Datum zitting: 28 augustus 2026
Tegenspraak
De verdachte rechtspersoon: [verdachte] ,
gevestigd te [adres]
Advocaat van de verdachte rechtspersoon: mr. J.S. Spijkerman
Officier van Justitie: mr. I.M. Koopmans
1. Tenlastelegging
De volledige beschuldiging (tenlastelegging) houdt in dat:
Feit 1:
zij op of omstreeks 9 juni 2024 en/of 28 december 2024, te Maarheeze, gelegen in
de gemeente Cranendonck, althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk, meermalen althans één maal,
als degene die een milieubelastende activiteit verricht als bedoeld in artikel 3.128
lid 1 onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, te weten het exploiteren
van een IPPC-installatie voor het bewerken en verwerken van dierlijke of
plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, bedoeld in
categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies,
in strijd met artikel 2.21 van voornoemd besluit, niet onverwijld het bevoegd
gezag, te weten het college van burgemeester en wethouders van gemeente
Cranendonck, heeft geïnformeerd over één of meer ongewone voorvallen;
Feit 2:
zij op of omstreeks 14 november 2024 en/of 28 december 2024, te Maarheeze,
gelegen in de gemeente Cranendonck, althans in Nederland,
al dan niet opzettelijk, meermalen althans één maal,
in strijd heeft gehandeld met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor
een milieubelastende activiteit, te weten lozingsvoorschrift 4 van bijlage I van de omgevingsvergunning met kenmerk MA 20080016 (met inachtneming van de
vergunningswijziging van 28 december 2017),
immers heeft zij, verdachte,
- op 14 november 2024 ongeveer 5.493,5 kilogram per etmaal, althans meer dan
2.700 kilogram per etmaal, CZV-vracht van bedrijfsafvalwater geloosd op het
vuilwaterriool (lozingsvoorschrift 1 van bijlage 1 van voornoemde vergunning)
en/of
- op 28 december 2024 ongeveer 9.362,9 kilogram per etmaal, althans meer dan
2.700 kilogram per etmaal, CZV-vracht van bedrijfsafvalwater geloosd op het
vuilwaterriool (lozingsvoorschrift 1 van bijlage I van voornoemde vergunning).
2. Geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.
3. Bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd om kennis te nemen van de beschuldiging.
4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
5. Schorsing van de vervolging
Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
6. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld voor de feiten 1 en 2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit met betrekking tot feit 1 dat de verdachte rechtspersoon dient te worden vrijgesproken voor het incident van 9 juni 2024. Daartoe heeft de verdediging – kort weergegeven – het volgende betoogd.
De verdediging betwist primair dat het incident op 9 juni 2024 een ‘ongewoon voorval’ was. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om de significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving van de lekkage aan te tonen.
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het incident wel degelijk onverwijld is gemeld, nu de melding is gedaan 15 minuten nadat de oorzaak van de lekkage was ontdekt.
Voor het overige heeft de verdediging geen bewijsverweren gevoerd.
Waar nodig bespreekt de rechtbank het standpunt van de verdediging bij de beoordeling van het bewijs.
Oordeel van de rechtbank
T.a.v. feit 1:
9 juni 2024
Op 9 juni 2024 is om 09:30 uur als gevolg van een lekkage door een openstaande klep van een suikertank, gedurende twee uur circa 25.000 liter suikerwater gelekt en gedeeltelijk in het vuilwaterriool geloosd.
De verdachte rechtspersoon wordt – kort gezegd – verweten dat zij als degene die een milieubelastende activiteit verricht (al dan niet opzettelijk) niet onverwijld het bevoegd gezag heeft geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Een ongewoon voorval
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de lekkage op 9 juni 2024 kan worden aangemerkt als een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 2.21van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Er is sprake van een ongewoon voorval als er een gebeurtenis plaatsvindt die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten en waarbij significante nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het incident op 9 juni 2024 afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Ter terechtzitting van 28 augustus 2026 heeft de vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon verklaard dat het niet vaak voorkomt dat er suikerwater uit de suikertank lekt, dat dit niet de bedoeling is, dat er een klep aangestuurd werd die normaal niet aangestuurd werd en dat 25.000 liter lekkage absoluut veel is.
Volgens de verdediging is onvoldoende vast komen te staan dat de lekkage daadwerkelijk nadelige gevolgen voor het milieu heeft gehad.
Zoals hiervoor overwogen hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat het incident daadwerkelijk nadelige gevolgen voor het milieu heeft gehad, maar is het voldoende dat die gevolgen dreigen te ontstaan. Uit het dossier blijkt dat afvalwater van de verdachte rechtspersoon er ongeveer één uur over doet om de waterzuiveringsinstallatie te bereiken. Door het lekken van 25.000 liter suikerwater in het vuilwaterriool ontstond op dat moment de dreiging voor nadelige gevolgen voor het milieu (die zich buiten de inrichting zouden voordoen) en daarmee trad de strafrechtelijke meldplicht direct in werking. Dat de exacte samenstelling van het suikerwater niet bekend was op het moment van de lekkage doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank stelt vast dat verdachte het voorval ook heeft gemeld. Kennelijk werd de lekkage van het suikerwater in een hoeveelheid als hier aan de orde door verdachte zelf dus ook is gezien als een ongewoon voorval dat gemeld moest worden aan het bevoegd gezag.
Onverwijld melden
De lekkage vond plaats om 09:30 uur. Volgens de schriftelijke verklaring namens de verdachte rechtspersoon is de suikertank vervolgens op inactief gezet en is van de lekkage om 09:45 uur een melding gedaan aan de teamleider. Deze heeft vervolgens monteurs aangestuurd om de oorzaak van de lekkage te vinden. Nadat de oorzaak is ontdekt, is om 10:51 uur het bevoegd gezag geïnformeerd.
De melding aan het bevoegd gezag is ruim één uur en 20 minuten na het ontstaan van de lekkage gedaan. Dit terwijl de lekkage al na een kwartier aan de teamleider is gemeld. Deze had vervolgens direct het bevoegd gezag moeten informeren. Door vervolgens eerst ruim één uur zelf onderzoek te doen naar de oorzaak van de lekkage. is geen sprake van het onverwijld melden van het ongewone voorval. Het begrip ‘onverwijld’ laat naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om eerst onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de lekkage. Alleen als handelingen moeten worden verricht die de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval kunnen beperken moeten eerst die handelingen worden verricht en moet het bevoegd gezag direct daarna worden geïnformeerd. Daarvan is in dit geval geen sprake.
28 december 2024
Op basis van de bewijsmiddelen – waaronder de bekennende verklaring van de verdachte rechtspersoon – acht de rechtbank ook bewezen dat zich op 28 december 2024 een ongewoon voorval heeft voortgedaan en dat dit ongewone voorval ook toen niet onverwijld is gemeld aan het bevoegde gezag.
Resumé
Daarmee acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen
T.a.v. feit 1:
De bewijsmiddelen van feit 1 zijn in bijlage I opgenomen.
T.a.v. feit 2:
De verdachte rechtspersoon heeft feit 2 bekend (en de advocaat heeft geen vrijspraak bepleit). De rechtbank noemt daarom voor dit feit de bewijsmiddelen in bijlage II, maar schrijft deze niet uit.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1.
zij op 9 juni 2024 en 28 december 2024, te Maarheeze, gelegen in
de gemeente Cranendonck,
opzettelijk, meermalen,
als degene die een milieubelastende activiteit verricht als bedoeld in artikel 3.128
lid 1 onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, te weten het exploiteren
van een IPPC-installatie voor het bewerken en verwerken van dierlijke of
plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, bedoeld in
categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies,
in strijd met artikel 2.21 van voornoemd besluit, niet onverwijld het bevoegd
gezag, te weten het college van burgemeester en wethouders van gemeente
Cranendonck, heeft geïnformeerd over ongewone voorvallen;
Feit 2.
zij op 14 november 2024 en 28 december 2024, te Maarheeze,
gelegen in de gemeente Cranendonck,
opzettelijk, meermalen,
in strijd heeft gehandeld met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor
een milieubelastende activiteit, te weten lozingsvoorschrift 4 van bijlage I van de omgevingsvergunning met kenmerk MA 20080016 (met inachtneming van de
vergunningswijziging van 28 december 2017),
immers heeft zij, verdachte,
- op 14 november 2024 ongeveer 5.493,5 kilogram per etmaal, althans meer dan
2.700 kilogram per etmaal, CZV-vracht van bedrijfsafvalwater geloosd op het
vuilwaterriool (lozingsvoorschrift 1 van bijlage 1 van voornoemde vergunning)
en
- op 28 december 2024 ongeveer 9.362,9 kilogram per etmaal, althans meer dan
2.700 kilogram per etmaal, CZV-vracht van bedrijfsafvalwater geloosd op het
vuilwaterriool (lozingsvoorschrift 1 van bijlage I van voornoemde vergunning).
7. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar gesteld als:
Feit 1:
Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Feit 2:
Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte rechtspersoon
De feiten en de verdachte rechtspersoon zijn strafbaar.
8. Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld tot een
geldboete ter hoogte van € 130.000,-.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat er bij een bewezenverklaring rekening mee gehouden dient te worden dat het incident op 28 december 2024 beperkte financiële gevolgen heeft gehad voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie en geen impact heeft gehad op de fysieke leefomgeving of op het drink/oppervlaktewater. Daarnaast heeft de verdachte rechtspersoon zich na de incidenten ingezet om haar beleid en productieproces nog verder aan te scherpen om zo in de toekomst incidenten zoveel mogelijk te beperken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt de verdachte rechtspersoon een geldboete ter hoogte van € 80.000,- op. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.
De bewezenverklaarde feiten
De verdachte rechtspersoon zich 9 juni 2024 en 28 december 2024 schuldig gemaakt aan het opzettelijk overtreden van voorschriften, gesteld bij en krachtens de Omgevingswet. Binnen het bedrijf hebben zich een aantal ongewone voorvallen voorgedaan. Deze ongewone voorvallen zijn twee keer niet onverwijld gemeld aan het bevoegd gezag.
Daarnaast heeft de verdachte rechtspersoon op 14 november 2024 en 28 december 2024 gehandeld in strijd met lozingsvoorschriften van de omgevingsvergunning door teveel CZV-vracht van bedrijfsafvalwater te lozen op het vuilwaterriool.
CZV (chemisch zuurstofverbruik) is een parameter voor de hoeveelheid zuurstof die nodig is om alle organische stoffen in een watermonster van een waterkwaliteitsanalyses en
afvalwaterbehandeling chemisch te oxideren. Een hoog CZV duidt op een grote hoeveelheid organische vervuiling in het water. Dit kan leiden tot zuurstoftekort en negatieve effecten op het ecosysteem.
De rechtbank rekent dit de verdachte rechtspersoon aan.
Zoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd.
De verdachte rechtspersoon
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 juli 2026 blijkt dat de verdachte rechtspersoon in 2020 is veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,- voor het overtreden van artikel 17.2 lid 1 van de Wet milieubeheer. Ook daarvoor is verdachte al een keer veroordeeld voor het meermalen niet onverwijld melden van een ongewoon voorval.
Oplegging straf
De rechtbank stelt vast dat verdachte na eerdere veroordelingen kennelijk nog steeds onvoldoende in staat is gebleken om binnen het bedrijf een cultuur te creëren van het snel een effectief omgaan met ongewone voorvallen en in het bijzonder de melding ervan aan het bevoegd gezag. Dit leidt ertoe dat door verantwoordelijke diensten niet adequaat en snel genoeg kan worden gereageerd op dreigingen voor het milieu, zoals het treffen van maatregelen ten behoeve van het instandhouden van een ongestoorde waterzuivering. Er lijkt sprake van een patroon. Niettemin legt de rechtbank een lagere geldboete op dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank heeft er bij de straftoemeting onder andere rekening mee gehouden dat is gebleken dat verdachte na het begaan van de onderhavige feiten diverse maatregelen heeft genomen (en nog steeds neemt) om herhaling van die feiten te voorkomen. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar straffen opgelegd in soortgelijke gevallen.
De rechtbank legt – alles overwegende – de verdachte rechtspersoon een geldboete van € 80.000,- op.
9. Wettelijke voorschriften
De rechtbank baseert deze straf op de artikelen:
- 23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht,
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,
- 2.21, 3.128 en 3.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving,
- 4.3, 5.1 en 5.5 van de Omgevingswet.
10. Beslissingen
Voorvragen
De rechtbank verklaart de dagvaarding geldig.
De rechtbank verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de feiten.
De rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte rechtspersoon de feiten, zoals in hoofdstuk 7.1 is omschreven, heeft gepleegd.
Kwalificatie en strafbaarheid
De rechtbank stelt vast dat de feiten strafbaar zijn gesteld zoals vermeld in hoofdstuk 7.2. De rechtbank verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar.
Straf
Geldboete
De rechtbank legt de verdachte rechtspersoon een geldboete op van € 80.000,-.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Blanken, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. S.H.C. Merkx, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 11 september 2026.