RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.333304.21
Datum uitspraak: 14 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
1. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] op of omstreeks 11 februari 2018 te Jaarsveld, dan wel Purmerend dan wel Apeldoorn dan wel Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2016 ten name van [bedrijf 1] (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen, door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist belastbaar bedrag op te geven en/of te doen/laten opgeven terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 1] op of omstreeks 31 januari 2017 te Jaarsveld, dan wel Purmerend, dan wel Apeldoorn, dan wel Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal van het jaar 2016 ten name van [bedrijf 1] (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen/laten doen door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting/voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven terwijl dat feit (telkens) er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Het verweer van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven en onder meer – bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vervolging. De gronden hiervoor zijn, aldus de raadsman, dat er sprake is van een vormverzuim ex. art. 359a van het wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) omdat:
- het Openbaar Ministerie het ‘Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen’ (hierna: het AAFD-protocol) niet heeft nageleefd en vervolging van verdachte in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het verbod op willekeur. In strijd met het AAFD-protocol is verdachte vervolgd ondanks het gegeven dat het vermeende benadelingsbedrag minder is dan € 100.000,--; en
- het doel van de concrete doorzoeking onduidelijk is gebleven terwijl er bij de doorzoeking van het bedrijfspand door de FIOD gebruik is gemaakt van een onevenredig zware politiemacht. Dit doet vermoeden dat de doorzoeking een andere was, ook omdat de FIOD al beschikte over de informatie die ze stelde te zoeken.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het AAFD-protocol wel is nageleefd. Onder meer van belang voor de vervolgingsbeslissing was de professionele rol van verdachte als accountant en de maatschappelijke functie die hij als accountant inneemt. Dit staat ook in het AAFD-protocol als relevante factor. Ten aanzien van de doorzoeking heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van het team bijzondere bijstand in algemene zin noodzakelijk is om de veiligheid van de doorzoeking te garanderen. Dit geldt voor alle doorzoekingen van de FIOD.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat het AAFD-protocol in deze zaak niet is overtreden. Uit de aanmeldingscriteria van het AAFD-protocol blijkt duidelijk dat een zaak ook voor mogelijke strafrechtelijke afdoening kan worden aangemeld als sprake is van een vermoeden van opzet. Aan verdachte wordt ook opzettelijk handelen verweten. Daarnaast is zijn hoedanigheid als accountant expliciet genoemd onder de aanvullende wegingscriteria.
Door de inzet van het team bijzondere bijstand van de FIOD is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vormverzuim. Doorzoekingen, ook binnen financiële onderzoeken, kunnen aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengen voor de betrokken opsporingsambtenaren. Aan de voorkant is het nooit duidelijk wat er daadwerkelijk op een locatie wordt aangetroffen. De inzet van dit team is nodig om de veiligheid van de betrokken medewerkers zoveel mogelijk te kunnen garanderen. Uit het enkele feit dat verdachte in dit onderzoek heeft meegewerkt aan de doorzoeking kan daarom niet worden afgeleid dat de inzet van dit team buitensporig was. Dat een dergelijke doorzoeking voor verdachte en de overige betrokkenen als heftig is ervaren betreurt de rechtbank, maar maakt in dit geval niet dat daarmee sprake is van enig vormverzuim.
Het is de rechtbank tot slot niet gebleken dat de doorzoeking enig ander doel had dan het doel zoals vermeld op de machtiging. Dat de FIOD – achteraf bezien – al over een deel van de te zoeken bescheiden beschikte maakt al het voorgaande ook niet anders. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging wordt verworpen.
De overige formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
3. De bewijsbeslissing.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft – zakelijk weergegeven en onder meer – bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te spreken van opzettelijk handelen door verdachte. Hiertoe heeft de verdediging bepleit dat het feit dat door verdachte geen creditfactuur is opgemaakt en/of het feit dat de factuur niet juist in de boekhouding is verwerkt een fout is die te wijten is aan stress binnen een onstuimige periode. De fout is, aldus de verdediging, niet opzettelijk begaan.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Nu verdachte ten aanzien van alle feiten wordt vervolgd als zijnde de feitelijk leidinggever van de door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) verrichte gedragingen zal de rechtbank eerst vaststellen of [bedrijf 1] zich als rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan een verboden gedraging.
De vaststaande feiten en omstandigheden.
[bedrijf 1] hield zich in de tenlastegelegde periode bezig met (kortgezegd) boekhoudkundige werkzaamheden. Hieronder vielen ook werkzaamheden voor het bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] heeft op 1 oktober 2016 een factuur ontvangen van [bedrijf 1] ter hoogte van € 181.500,--. De gefactureerde kosten zagen volgens de factuur op kosten met betrekking tot ‘voor u verrichte en nog te verrichten werkzeemheden’ door verdachte ter hoogte van € 150.000,-- en 21% omzetbelasting over dat bedrag ter hoogte van € 31.500,--. [bedrijf 2] heeft deze factuur op 4 oktober 2016 op de zakelijke rekening van [bedrijf 1] voldaan en heeft de omzetbelasting meegenomen in haar eigen aangiftes richting de Belastingdienst. In de aangifte omzetbelasting ten aanzien van het laatste kwartaal 2016 en de aangifte vennootschapsbelasting ten aanzien van het boekjaar 2016 van [bedrijf 1] (hierna: de aangiftes van [bedrijf 1] ) is deze factuur steeds niet meegenomen.
In 2016 was de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, dhr. [vertegenwoordiger] (hierna: [vertegenwoordiger] ), als enige verantwoordelijk voor de boekhouding en de aangiftes van [bedrijf 1] . Uit het verhoor van [vertegenwoordiger] bij de FIOD en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat niet ter discussie staat dat de aangiftes van [bedrijf 1] onjuist zijn gedaan. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of namens [bedrijf 1] opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan.
[vertegenwoordiger] heeft bij de verhoren van de FIOD verklaard dat het ontvangen bedrag van
€ 181.500,-- als lening is verwerkt in de administratie. [bedrijf 1] had op dat moment schulden die moesten worden terugbetaald en [bedrijf 1] had daar op dat moment de liquiditeit niet voor. Ook stonden er nog kosten open voor verrichtte werkzaamheden. Met betrokken partijen is na ontvangst van voornoemd bedrag besproken dat dit (toch) mag/moet worden gezien als een lening, althans zo heeft verdachte dat destijds begrepen.
Heeft verdachte opzettelijk gehandeld?
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [vertegenwoordiger] de aangiftes van [bedrijf 1] ingediend terwijl hij wist dat deze niet strookten met de werkelijkheid. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij weet dat hij vanaf het moment van verzending van een factuur waar belasting op staat, hij gehouden is die belasting op zijn beurt op te geven en af te dragen. Van een accountant wordt deze kennis verondersteld. Dat verdachte dit wist is ter terechtzitting ook door [vertegenwoordiger] bevestigd. Het standpunt van [vertegenwoordiger] , inhoudende dat hij het ontvangen bedrag als lening heeft verwerkt in de administratie van [bedrijf 1] omdat het naar zijn mening een lening was (geworden), doet niks af aan het feit dat de aangiftes van [bedrijf 1] , ondanks die wetenschap, alsnog onjuist zijn gedaan. Hij wist immers dat als de factuur ten onrechte was verstuurd hij om dit te herstellen een creditfactuur had moeten opmaken en een leningsovereenkomst had moeten (laten) opmaken. Nu dit – ook op een later moment - is nagelaten is [bedrijf 1] (nog steeds) belastingplichtig over het factuurbedrag en had hij dit moeten opgeven.
Ook het impliciete standpunt van [vertegenwoordiger] dat hij niet willens en wetens de wet heeft (willen) overtreden doet hier niets aan af. Vast staat immers dat hij wist dat [bedrijf 1] over de op de factuur vermelde bedragen belastingplichtig was en dat hij deze omzet bij de aangiftes van [bedrijf 1] niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst. Dit kan, mede gelet op het beroep van verdachte, redelijkerwijs niet anders dan een bewuste keuze zijn geweest.
Kunnen de feiten worden toegerekend aan [bedrijf 1] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van [bedrijf 1] . De gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1] en zijn haar ook dienstig geweest. Als gevolg van voornoemde handelingen heeft zij immers minder belasting afgedragen.
De rechtbank concludeert dat [bedrijf 1] zich schuldig heeft gemaakt aan de verboden gedragingen.
Heeft verdachte feitelijk leidinggegeven aan [bedrijf 1] ?
Verdachte was als enige verantwoordelijk voor de boekhouding van [bedrijf 1] en het indienen van de aangiftes van [bedrijf 1] . Ten tijde van het begaan van het feit was verdachte enig aandeelhouder en bestuurder.
De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld ten aanzien van de gedragingen van de verdachte en zijn rol bij de door de rechtspersoon begane strafbare feiten, dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de tenlastegelegde gedragingen van [bedrijf 1] . Dit betekent dat het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard.
Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.
4. De bewezenverklaring.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1: [bedrijf 1] op 11 februari 2018 in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2016 ten name van [bedrijf 1] onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, door in de ingediende aangifte een onjuist belastbaar bedrag op te geven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
ten aanzien van feit 2: [bedrijf 1] op 31 januari 2017 in Nederland opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de omzetbelasting over het vierde kwartaal van het jaar 2016 ten name van [bedrijf 1] onjuist en/of onvolledig heeft gedaan door in de ingediende aangifte een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
7. De oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven en onder meer – verzocht om rekening te houden met:
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aangiftes van [bedrijf 1] zijn opzettelijk onjuist gedaan door verdachte. Door zo te handelen heeft hij de verantwoordelijkheden die de wet aan een ondernemer stelt niet serieus genomen. Daarmee heeft hij uitsluitend zijn eigen financiële gewin op het oog gehad en de Staat, in het bijzonder de rijksschatkist, nadeel toegebracht. In totaal is € 61.500,-- te weinig belasting geheven. Verdachte heeft weliswaar betoogd dat hij handelde onder grote externe druk en dat het hem op dat moment even niet uitmaakte hoe hij van zijn problemen af kwam, maar dat laat onverlet dat verdachte met zijn handelen zichzelf, zijn bedrijf en ook zijn klanten bloot heeft gesteld aan enorme (fiscale en strafrechtelijke) risico’s. Risico’s die hij ook op een later moment, toen voor hem de relatieve rust weer was wedergekeerd en hij de aangiftes deed, niet alsnog heeft beperkt of ongedaan gemaakt. Verdachte heeft daarbij eerder de houding aangenomen dat het zo wel los zou lopen. Een houding die, zeker gezien zijn functie (destijds) als accountant, de rechtbank hem aanrekent.
Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de laatste bewezenverklaarde gedraging is gepleegd op 11 februari 2018. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop tot aan dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.
De rechtbank neemt de doorzoekingen van 14 oktober 2021 als aanvangsmoment voor de redelijke termijn. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn fors is overschreden, namelijk met 2 jaar, 11 maanden en 1 dag. Daarnaast zijn de feiten inmiddels meer dan 8 jaren geleden door verdachte begaan. De rechtbank zal daarom in strafmatigende zin rekening houden met deze feiten en omstandigheden.
Alhoewel hiervoor onder 2.1.3 is overwogen dat de doorzoeking van de FIOD niet onrechtmatig is heeft de rechtbank wel oog voor de impact die de doorzoeking en de strafzaak in het algemeen op verdachte hebben gehad. Verdachte heeft ter terechtzitting invoelbaar naar voren gebracht dat zijn leven door de strafzaak ingrijpend en blijvend is veranderd, onder meer omdat hij moest stoppen als accountant.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 22 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis passend en geboden.
8. De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 51, 57 van het Wetboek van Strafrecht
68, 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9. DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:
ten aanzien van feit 1:
feitelijk leidinggeven aan als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekking van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen deze onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, opzettelijk begaan door een rechtspersoon
ten aanzien van feit 2:
feitelijk leidinggeven aan als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekking van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen deze onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, opzettelijk begaan door een rechtspersoon
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 14 september 2026.