RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.304493.23
Datum uitspraak: 14 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1980],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
1. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 maart 2026.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 februari 2019 tot en met 10 december 2019, te Herveld en/of Kampen en/of Andelst en/of Steenwijk en/of Bussum en/of Ochten en/of Rhenen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs)administratie van [bedrijf 1], zijnde (dat deel van) die (bedrijfs)administratie(s) (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, althans laten opmaken en/of vervalsen, hebbende [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie(s) voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:
op welke verkoopfactu(u)ren voornoemd (telkens) was vermeld – zakelijk weergegeven- dat deze betrekking had/hadden op de levering van vlees, terwijl er in werkelijkheid feitelijk geen vlees was/werd geleverd door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] en/of aan [bedrijf 3], zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 februari 2019 tot en met 6 december 2019 te Herveld en/of Kampen en/of Andelst en/of Steenwijk en/of Ochten en/of Rhenen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de (bedrijfs)administratie van [bedrijf 1], zijnde (dat deel van) die (bedrijfs)administratie(s) (telkens) (een) (samenstel van) geschrift(en) die/dat bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, althans laten opmaken en/of vervalsen, hebbende [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie(s) voornoemd opgenomen en/of verwerkt, althans doen of laten opnemen en/of verwerken:
op welke CMR(‘s)/vrachtbrief(ven) voornoemd (telkens) was vermeld – zakelijk weergegeven- dat deze betrekking had/hadden op het vervoer van vlees, terwijl er in werkelijkheid feitelijk geen vlees was/werd vervoerd naar en/of geleverd door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2], zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 3:
[bedrijf 1] op of omstreeks 30 april 2019 en/of 30 juli 2019 en/of 31 oktober 2019 en/of 31 januari 2020, te Herveld en/of Kampen en/of Andelst en/of Steenwijk en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) kwartaalaangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over het/de aangiftetijdvak(ken):
1e kwartaal 2019 (DOC-002, p. 3/13 e.v.) en/of
2e kwartaal 2019 (DOC-002, p. 6/13 e.v.) en/of
3e kwartaal 2019 (DOC-002, p. 9/13 e.v.) en/of
4e kwartaal 2019 (DOC-002, p. 11/13 e.v.)
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen, immers heeft/hebben [bedrijf 1] en/of (een of meer) van haar medeverdachte(n) toen aldaar -zakelijk weergegeven- (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of elders in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval een of meer tijdvak(ken), (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting en/of een te laag en/of onjuist bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting aangegeven en/of laten aangeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
2. De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
3. De bewijsbeslissing.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Door of namens de verdachte zijn geen inhoudelijke bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Nu verdachte ten aanzien van alle feiten wordt vervolgd als zijnde de feitelijk leidinggever van de door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) verrichte gedragingen zal de rechtbank eerst vaststellen of [bedrijf 1] zich als rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan een verboden gedraging.
De inleiding.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
[bedrijf 1] is op 25 januari 2016 opgericht. [bedrijf 1] hield zich, volgens de gegevens uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, bezig met de volgende bedrijfsactiviteiten:
“Organisatie-adviesbureaus”; en
“Groothandel in voedings- en genotmiddelen algemeen assortiment”.
[bedrijf 1] stuurde in de tenlastegelegde periode onder meer facturen naar [bedrijf 2] (hierna: “[bedrijf 2]”) en “[bedrijf 3]” (hierna: “[bedrijf 3]”) voor de verkoop van grote partijen vlees. Deze werden vervolgens verkocht aan [bedrijf 4] (hierna: “[bedrijf 4]”) en daarna teruggekocht door [bedrijf 1]. De facturen van [bedrijf 1] werden door middel van factoring ingediend bij factormaatschappijen ter uitbetaling. De vragen die de rechtbank dient te beantwoorden is of [bedrijf 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk opmaken van valse of vervalste facturen (om die te gebruiken richting factormaatschappijen om zo betaald te krijgen) en vrachtbrieven en, als dat zo is, of verdachte daar feitelijk leiding aan heeft gegeven.
Tot slot is het de vraag of [bedrijf 1] opzettelijk onjuiste kwartaalaangiftes omzetbelasting over het boekjaar 2019 heeft ingediend.
Beoordeling feit 1 en feit 2. Zijn de door [bedrijf 1] opgemaakte facturen en vrachtbrieven valselijk opgemaakt of vervalst?
Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer dat [bedrijf 1] de tenlastegelegde facturen heeft opgemaakt terwijl zij wist dat de inhoud van die facturen niet overeenkwam met de werkelijkheid. Uit de verklaringen van de bestuurders van [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] blijkt dat al het over en weer verkochte vlees telkens (dus ook het vlees op de tenlastegelegde facturen) nooit daadwerkelijk is geleverd of van eigenaar is gewisseld. Door [bedrijf 1] is slechts een papieren werkelijkheid gecreëerd waarbij het telkens zo leek dat vlees werd vervoerd en van eigenaar wisselde, waardoor er over en weer vorderingen op elkaar ontstonden welke vorderingen ter (vooruit)betaling werden ingediend bij factormaatschappijen. In werkelijkheid vond er bij tussenschakel [bedrijf 3] slechts een dienst plaats (versnijding van vlees) of gebeurde er niets. Het vlees kwam volgens de papieren werkelijkheid uiteindelijk weer in eigendom van [bedrijf 1], waarbij zij het tegen een hogere prijs terug inkochten. Van een legitieme bedrijfseconomische reden voor dit gehele proces is op geen enkel moment gebleken.
Daarbij verdient opmerking dat de eigenaar van [bedrijf 2] naar eigen zeggen binnen dit proces niets deed. Een daadwerkelijke levering van vlees is door de door de Belastingdienst gehoorde personen die betrokken waren bij [bedrijf 2] zelfs nooit gezien. [bedrijf 3] had logischerwijs kunnen volstaan met het factureren van versnijdingskosten. Dat [bedrijf 3] toch verkoopfacturen opmaakte en de inkoopfacturen vanuit [bedrijf 1] betaalde gebeurde naar zeggen van de eigenaar op aandringen van verdachte. Het initiatief voor dit proces is in elk geval naar het oordeel van de rechtbank telkens uitgegaan van [bedrijf 1]. Zij is tot slot ook degene die het geld van de factoringmaatschappij ontving en overboekte naar de overige betrokkenen.
Beoordeling feit 3. Is namens [bedrijf 1] over het boekjaar 2019 telkens opzettelijk een onjuiste kwartaalaangifte ingediend?
Zoals hiervoor is overwogen heeft [bedrijf 1] in een samenwerkingsverband met [bedrijf 4], met als tussenschakels [bedrijf 3] en [bedrijf 2], een papieren werkelijkheid gecreëerd. Dit zag telkens op verkoop en inkoop van diverse partijen vlees waarbij in een rondje/carrousel gefactureerd werd. In werkelijkheid vond er geen eigendomsoverdracht en dus geen verkoop van het vlees plaats. Dit betekent dat alle door [bedrijf 1] verrichte betalingen ten aanzien van te betalen omzetbelasting aan [bedrijf 4] en alle door [bedrijf 1] ontvangen betalingen ten aanzien van in rekening te brengen omzetbelastingen van onder meer [bedrijf 3] en [bedrijf 2] plaats hebben gevonden op basis van valse facturen. Dit maakt daarmee ook de op basis van deze facturen ingediende aangiften omzetbelasting vals.
Het kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet anders zijn dan dat [bedrijf 1] telkens opzettelijk, op basis van valse facturen, een onjuiste kwartaalaangifte omzetbelasting heeft ingediend. Immers is het initiatief tot het plegen van deze fraude steeds van haar uitgegaan. [bedrijf 1] heeft er steeds willens en wetens voor gekozen om deze valse facturen mee te nemen in haar kwartaalaangiftes omzetbelasting. Hierdoor is in totaal meer dan twee ton aan belasting te veel in mindering gebracht.
Kunnen de feiten worden toegerekend aan [bedrijf 1]?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaatsvonden in de sfeer van [bedrijf 1]. De gedragingen pasten in de normale bedrijfsvoering van [bedrijf 1]. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de omzet van [bedrijf 1] in 2019 € 6.053.164,-- bedroeg. Een groot deel hiervan, namelijk € 5.587.144,-was afkomstig van factormaatschappijen [bedrijf 5], [bedrijf 6], [bedrijf 7] en [bedrijf 8]. Hieronder vielen ook de valselijk opgemaakte facturen. De door [bedrijf 1] verrichte verboden gedragingen, het opmaken van deze facturen en het indienen van onjuiste aangiftes op basis van deze facturen, zijn [bedrijf 1] dan ook dienstig geweest. Immers heeft zij geld ontvangen van de factormaatschappijen en heeft zij minder belasting moeten betalen.
Heeft verdachte feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen van [bedrijf 1]?
Gelet op de hiervoor gegeven conclusies komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan dan wel medepleger is van de verboden gedragingen van [bedrijf 1] als rechtspersoon.
Verdachte is volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel op 19 maart 2020 in functie getreden bij [bedrijf 1] als zelfstandig bevoegd directeur. De tenlastegelegde gedragingen vonden plaats in de periode van 14 februari 2019 tot en met 10 december 2019. Bij de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] dient niet uitsluitend de juridische positie te worden betrokken, maar ook de feitelijke positie van verdachte bij de rechtspersoon en het gedrag dat verdachte heeft vertoond of nagelaten op grond waarvan hij geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank in dat kader de volgende feiten en omstandigheden vast:
verdachte heeft op 19 september 2019 de Belastingdienst te woord gestaan namens [bedrijf 1]. Uit de terugkoppeling van de betrokken controlespecialist van de Belastingdienst aan de FIOD blijkt dat verdachte toen ook feitelijk de leiding had binnen [bedrijf 1];
verdachte heeft tegenover de FIOD verklaard dat [bedrijf 1] is opgericht door zijn ex-vriendin en het de bedoeling was dat hij het zou overnemen;
de eigenaar van [bedrijf 3] heeft over de tenlastegelegde periode verklaard dat:
o hij op verzoek van verdachte vlees heeft versneden en geretourneerd aan [bedrijf 1];
o hij op aanraden van verdachte verkoopfacturen heeft gestuurd aan [bedrijf 4];
o verdachte de in- en verkoop en het vervoer van vlees organiseerde; en
o verdachte het factuuradres van [bedrijf 4] aan hem heeft doorgegeven.
- de eigenaar van [bedrijf 4] heeft over de tenlastegelegde periode verklaard dat:
o hij op verzoek van verdachte ook bestuurder is geworden van [bedrijf 1];
o verdachte de administratie van [bedrijf 1] verzorgde; en
o verdachte altijd zei dat hij de facturen zou regelen.
verdachte heeft in het laatste kwartaal van 2019 € 750.000,-- als contante gelden opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 1];
uit gegevens van de [bedrijf 9] is gebleken dat verdachte de bankrekening van [bedrijf 1] beheerde;
uit de verklaring van [medewerker], die werkzaam was bij [bedrijf 10] en onder andere de financiële administratie van [bedrijf 1] verzorgde tijdens de tenlastegelegde periode, blijkt dat:
o verdachte haar enige contactpersoon was;
o verdachte voor alle jaren verantwoordelijk was voor de administratie bij [bedrijf 1];
o verdachte de verkoopfacturen maakte; en
o verdachte de stukken aanleverde voor de aangifte omzetbelasting.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de in de tenlastelegging beschreven verboden gedragingen van [bedrijf 1]. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt zonder meer dat verdachte ook, minst genomen, telkens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechtspersoon de strafbare gedragingen zou verrichten.
Is er sprake van medeplegen?
Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] feit 3 samen met anderen heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
Slotconclusie.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.
4. De bewezenverklaring.
op welke verkoopfactuur voornoemd telkens was vermeld — zakelijk weergegeven- dat deze betrekking had/hadden op de levering van vlees, terwijl er in werkelijkheid feitelijk geen vlees was geleverd door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] en/of aan [bedrijf 3], zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, aan welke verboden gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
ten aanzien van feit 1:
[bedrijf 1] op tijdstippen in de periode van 14 februari 2019 tot en met 10 december 2019 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk een deel van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1], zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, hebbende [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachten toen aldaar telkens opzettelijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt:
ten aanzien van feit 2:
[bedrijf 1] op tijdstippen in de periode van 18 februari 2019 tot en met 6 december 2019 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk een deel van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1], zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, hebbende [bedrijf 1] en/of (een of meer van) haar medeverdachten toen aldaar telkens opzettelijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen en/of verwerkt:
op welke CMR('s)/vrachtbrief voornoemd telkens was vermeld — zakelijk weergegeven- dat deze betrekking had op het vervoer van vlees, terwijl er in werkelijkheid feitelijk geen vlees was vervoerd naar en/of geleverd door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2], zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, aan welke verboden gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
ten aanzien van feit 3:
[bedrijf 1] op of omstreeks 30 april 2019 en 30 juli 2019 en 31 oktober 2019 en 31 januari 2020, in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een kwartaalaangifte voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over de aangiftetijdvakken
1e kwartaal 2019 en
2e kwartaal 2019 en
3e kwartaal 2019 en
4e kwartaal 2019
onjuist heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 1] toen aldaar -zakelijk weergegeven- telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of elders in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde aangiftetijdvakken, telkens in strijd met de waarheid een onjuist bedrag aan voorbelasting en een onjuist bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting aangegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
7. De oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Door of namens verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het stelselmatig opmaken van valse facturen. Deze facturen creëerden een papieren werkelijkheid terwijl het op de factuur aangegeven vlees nooit daadwerkelijk van eigenaar wisselde. Verdachte heeft andere bedrijven betrokken bij de door hem en [bedrijf 4] opgezette carrousel om factoring van deze valse facturen mogelijk te maken. Verdachte heeft middels deze constructie vele malen geld ontvangen van een factoringmaatschappij terwijl de onderliggende vordering feitelijk niet bestond. Dergelijk handelen vormt een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Ook zijn bonafide factoringmaatschappijen door het handelen van verdachte veelvuldig misleid. De eigen positie van verdachte bleek daarin telkens leidend. Er is namelijk niet spaken van een enkele onbewuste misslag, maar van het bewust opzetten van een volledige alternatieve en feitelijk onjuiste papieren werkelijkheid. Daar zijn veel handelingen en beslismomenten voor nodig. Allemaal momenten die verdachte ervan hadden kunnen en moeten weerhouden om door te gaan met zijn handelen. Verdachte heeft daarin echter andere keuzes gemaakt. En die keuzes rekent de rechtbank verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte opzettelijk de valse facturen meegenomen in zijn aangiftes omzetbelasting namens [bedrijf 1]. Hierdoor heeft de Belastingdienst in 2019 € 237.904,54 aan door [bedrijf 1] verschuldigde omzetbelasting misgelopen. Door zo te handelen heeft hij de verantwoordelijkheden die de wet aan een ondernemer stelt niet serieus genomen. Verdachte heeft daarbij vooral zijn eigen financiële gewin op het oog gehad en de Staat, in het bijzonder de rijksschatkist, fors nadeel toegebracht.
De overschrijding van de redelijke termijn.
Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de periode van 14 februari 2019 tot en met 10 december 2019. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop tot aan dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.
De rechtbank neemt de inverzekeringstelling (6 juni 2023) van verdachte als aanvangsmoment voor de redelijke termijn. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 1 jaar, 3 maanden en 9 dagen is overschreden. Daarnaast zijn de feiten inmiddels meer dan zes jaren geleden door verdachte begaan. De rechtbank zal daarom in strafmatigende zin rekening houden met deze feiten en omstandigheden.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van verdachte acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 22 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de ter terechtzitting door verdachte toegelichte persoonlijke omstandigheden zoals hij deze ter terechtzitting heeft toegelicht.
De strafmodaliteit.
In de regel wordt voor dit soort feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt gehanteerd. Alleen al ten aanzien van het derde feit geldt als LOVS-oriëntatiepunt voor straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden. Gelet op het forse tijdsverloop ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van deze strafmodaliteit. Normaliter zou dan een maximale taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden zijn. Nu de redelijke termijn ook fors is overschreden zal de rechtbank de duur van de op te leggen taakstraf matigen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, alhoewel de hiervoor beschreven oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voorschrijven, een forse taakstraf in dit specifieke geval en onder alle voornoemde omstandigheden passend en geboden is. Verdachte zal dan ook worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
8. De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 51, 57, 63, 225 van het Wetboek van Strafrecht
68, 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
9. DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
Feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
T.a.v. feit 2:
Feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
T.a.v. feit 3:
Feitelijk leidinggeven aan als degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot het verstrekking van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen deze onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. S.J.H. van de Kant en mr. A.A. Bloemberg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 14 september 2026.