ECLI:NL:RBOBR:2026:6616

ECLI:NL:RBOBR:2026:6616

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 01-134158-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 5500,00 vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.134158.23

Datum uitspraak: 14 september 2026.

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [2004],

wonende te [adres].

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 mei 2025, 30 juli 2026 en 31 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 maart 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 november 2022 te Eindhoven, althans in Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een of meer gebroken ribben en/of een of meer laceraties in de milt, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] te duwen en/of tegen de buik, althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] te trappen/schoppen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 november 2022 te Eindhoven, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te duwen en/of tegen de buik, althans het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] te trappen/schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een of meer gebroken ribben en/of een of meer laceraties in de milt ten gevolge heeft gehad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het primair aan verdachte ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere bewijsoverwegingen.

De aanloop.

Op 19 november 2022 hebben in de parkeergarage aan de Ten Hagestraat te Eindhoven twee geweldsincidenten plaatsgevonden waarbij aangever [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) slachtoffer zijn geworden. Aan verdachte is zware mishandeling ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegd, hetgeen ziet op het eerste incident.

De rechtbank stelt het volgende vast.

Omstreeks 04:21 uur rijdt de Peugeot Partner waarvan medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) de bestuurder was richting de slagboom om de parkeergarage te verlaten. Daarachter bevindt zich de BMW met daarin aangevers, waarvan [slachtoffer 2] de bestuurder was. De BTW toetert terwijl [medeverdachte 1] probeert het uitrijkaartje in de automaat te stoppen. Als hij hierin niet slaagt, stapt hij uit en loopt hij direct naar [slachtoffer 2]. [medeverdachte 1] is vervolgens met [slachtoffer 2] in gesprek, waarbij [medeverdachte 1] met zijn arm op het dak van de BMW leunt. [slachtoffer 2] probeert het portier te openen, wat hem niet in één keer lukt omdat [medeverdachte 1] zich daartegen verzet. Het portier wordt toch geopend, waarop [slachtoffer 2] uitstapt en met zijn rechterarm uithaalt naar [medeverdachte 1]. Hierop heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] vastgepakt/geduwd waardoor [slachtoffer 2] ten val is gekomen. Vervolgens stappen medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) uit de Peugeot en sprinten naar de plek waar [medeverdachte 1] en [slachtoffer 2] zich op dat moment bevinden. Daarna stappen nog drie inzittenden uit de Peugeot, waaronder verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte])., Ook [slachtoffer 1] is uit de BMW gestapt en zij begeven zich allemaal naar de plek waar [medeverdachte 1] op dat moment was met [slachtoffer 2].

Vervolgens is er een vechtpartij tussen [slachtoffer 2] en de verdachten ontstaan, waarbij [slachtoffer 2] meermaals is geslagen. [slachtoffer 2] bloedde hierna zichtbaar bij zijn mond.

Op enig moment schopt verdachte [slachtoffer 1] terwijl zij op de grond lag. Toen eindigde het gevecht. Hierop gaan de verdachten gezamenlijk terug naar de Peugeot en rijden weg.

Mishandeling.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op enig moment op de grond is geduwd en dat zij vervolgens in haar buik is getrapt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] [slachtoffer 1] een harde trap tegen haar buik of heup heeft gegeven toen zij al op de grond lag. Verdachte zelf heeft eveneens verklaard [slachtoffer 1] een schop te hebben gegeven toen zij op de grond lag. Uit voornoemde feiten acht de rechtbank zonder meer bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 1].

De vraag die aan de rechtbank voor ligt, is of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

De rechtbank stelt aan de hand van de medische gegevens die door [slachtoffer 1] zijn overgelegd vast dat zij onder meer een klaplong, gebroken ribben en laceraties in de milt heeft opgelopen. Dit letsel is levensbedreigend gebleken en [slachtoffer 1] is vier dagen opgenomen geweest op de Intensive Care in het ziekenhuis. Bovendien volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en ook uit de vordering benadeelde partij dat zij lange tijd last heeft gehad van de klachten. [slachtoffer 1] moest zes weken bedrust houden en heeft ook zes weken last gehad van de gebroken ribben en klaplong. De rechtbank kwalificeert het letsel als zwaar lichamelijk letsel.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Opzet.

De rechtbank stelt vast dat het letsel te wijten is aan het handelen van verdachte, namelijk een harde trap of schop in de buik aan de linkerzijde, gelet op de hierboven aangehaalde (medische) stukken en omdat er redelijkerwijs geen andere oorzaak van het letsel is aan te wijzen.

Verdachte heeft verklaard aangeefster te hebben geschopt in een poging om het gevecht met [slachtoffer 2] te laten stoppen. Door [medeverdachte 1] is verklaard dat dit een harde trap is geweest omdat [slachtoffer 1] daarna niet meer kon opstaan. De rechtbank overweegt dat naar de uiterlijke verschijningsvorm komt vast te staan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Door een kleine vrouw dermate hard tegen het bovenlichaam te schoppen heeft verdachte deze kans aanvaard. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in de buik/het bovenlichaam vitale organen bevinden.

Conclusie.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde feit.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 19 november 2022 te Eindhoven, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en gebroken ribben en laceraties in de milt, heeft toegebracht door tegen de buik, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] te trappen/schoppen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1]. Er was een vechtpartij ontstaan tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1], waarbij later ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geraakt. Verdachte heeft verklaard de vechtpartij te willen beëindigen door [slachtoffer 1] te schoppen. Verdachte heeft [slachtoffer 1] toen zij op de grond lag een harde schop in haar buik/bovenlichaam gegeven. [slachtoffer 1] heeft hierbij levensbedreigend letsel opgelopen, waarvan zij lange tijd heeft moeten herstellen. De rechtbank overweegt dat indien de intentie van verdachte inderdaad was om de vechtpartij te beëindigen, dat verdachte anders had kunnen en moeten handelen. Hierdoor kan ernstig worden betwijfeld of dit wel de intentie was van verdachte. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de volgende feiten en omstandigheden.

Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 juni 2026 betreffende verdachte is verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten, en is verdachte ook sinds het ten laste gelegde niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf, waarbij voor zware mishandeling een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden het uitgangspunt is. Het uitgangspunt voor trappen tegen het hoofd is een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank overweegt dat gelet op het feit dat het in dit geval gaat om levensbedreigend letsel, waarbij [slachtoffer 1] weerloos op de grond lag toen verdachte haar een harde schop tegen de romp gaf, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend en geboden is.

De rechtbank stelt voorts vast dat de redelijke termijn met 18 maanden is overschreden, waardoor een matiging op zijn plaats is.

Alles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot vergoeding van de schade ingediend, bestaande uit € 3.086,00 materiële schade en € 5.000,00 immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de helft van het gevorderde schadebedrag toe te wijzen. Daarvoor is van belang dat op 19 november 2022 ook een tweede geweldsincident heeft plaatsgevonden waarvan [slachtoffer 1] het slachtoffer is geworden en waaraan zij ook letsel heeft overgehouden. Niet alle schade is dus toe te rekenen aan verdachte. De officier van justitie heeft tevens verzocht om het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Beoordeling.

Ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor kosten voor huishoudelijke hulp, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank concludeert dat deze post in totaal € 3.066,00 bedraagt (6 x € 334 + 6 x € 177), in plaats van € 3.086,00.

De rechtbank overweegt voorts dat de schade voldoende is onderbouwd. Onbetwist is dat [slachtoffer 1] vóór het incident het huishouden volledig zelf verzorgde. De rechtbank acht het aannemelijk dat zij als gevolg van het geweld het huishouden voor de gevorderde periode niet (volledig) zelf heeft kunnen verzorgen. Dit is een rechtstreeks gevolg van de gedragingen van verdachte, waardoor de kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank dat de hoogte van de gevorderde immateriële schade is gebaseerd op het lichamelijk letsel van de benadeelde partij. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van de handeling van verdachte inwendig letsel aan de milt, een klaplong en gebroken ribben overgehouden. Als gevolg van het tweede geweldsincident heeft [slachtoffer 1] een gebroken kaak. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een totaalbedrag van € 5.000,--.

Gelet op het feit dat de vordering op twee geweldsincidenten ziet met twee verschillende verdachten, die vlak na elkaar hebben plaatsgevonden, zal de rechtbank de vordering naar rato gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat het letsel dat door verdachte is veroorzaakt het grootste gedeelte van de geleden schade oplevert. De rechtbank zal ten aanzien van verdachte alles overziend een bedrag van € 2.000,00 aan materiële schade toewijzen en een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2022 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f en 302, van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

* zware mishandeling;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

* een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

legt op de volgende maatregel:

* de maatregel van schadevergoeding;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], van een bedrag van € 5.500,00. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt een gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 2.000,00 materiële schade en € 3.500,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 5.500,00, bestaande uit € 2.000,00 materiële schade en € 3.500,00 immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. M. Langstraat en mr. S.V. Vullings, leden,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,

en is uitgesproken op 14 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. M. Langstraat
  • mr. S.V. Vullings

Griffier

  • mr. L.A.P.H. Kirkels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand