ECLI:NL:RBOBR:2026:6617

ECLI:NL:RBOBR:2026:6617

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 14-09-2026
Datum publicatie 14-09-2026
Zaaknummer 71-321125-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Onderzoek 26Aix. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere Opiumwetfeiten en deelname aan een criminele organisatie. Oplegging 4 jaren gevangenisstraf.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [verdachte]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 71.321125.23

Datum uitspraak: 14 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te: [PI] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 oktober 2024, 26 november 2024 en 31 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 september 2024.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 3 april 2020 tot en met 5 juni 2020,

te Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

een hoeveelheid cocaïne (‘777’ logo) (in de periode 3 april 2020 tot en met 5 juni 2020),

althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 8 april 2020 tot en met 18 mei 2020, te Heerlen, althans in Nederland, en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

(telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 10 april 2020 tot en met 27 april 2020, te Landgraaf en/of Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad:

een (grote) hoeveelheid MDMA pillen, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 2020 tot en met 5 juni 2020, te Heerlen, althans in Nederland, en/of in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, (telkens)

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen (sub 1°) en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen (sub 2°) en/of

- (een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) (sub 3°),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) op voornoemd(e) tijdstip(pen) in voornoemde pleegplaats(en)

- een of meer locaties gehuurd en/of geregeld en/of ter beschikking gehad en/of

- (deze) locatie(s) ingericht en/of gebruikt voor de omzetting van preprecursoren in benzylmethylketon (BMK) en/of voor de productie en/of bewerking van amfetamine en/of

- ter beschikking gehad en/of voorhanden gehad en/of gebruikt en/of aangekocht en/of vervoerd en/of opgeslagen:

(een) hoeveelhe(i)den Benzylmethylketon (BMK) en/of chemicaliën en/of grondstoffen en/of hulpstoffen,

een of meer (stoom)ketels en/of een of meer vaten en/of een of meer branders en/of andere voorwerpen en/of

- voertuig gekocht en/of gehuurd en/of geleend en/of geregeld en/of ter beschikking gehad en/of

- mobiele telefoons, met het beveiligingsprogramma EncroChat, voorhanden gehad en/of gebruik gemaakt van communicatie via de EncroChatapplicatie en/of

- in persoon en/of telefonisch en/of via (EncroChat)chatberichten contact met één of meer mededader(s) en/of contactperso(o)n(en) gezocht en/of onderhouden en/of informatie en/of foto’s uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het afleveren en/of transporteren en/of opslaan en/of in ontvangst nemen en/of het produceren van (een) hoeveelhe(i)d(en) (van een materiaal bevattende) amfetamine en/of chemicaliën en/of grondstoffen en/of hulpstoffen en/of goederen;

5.

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2020 tot en met 5 juni 2020, te Heerlen, althans in Nederland, en/of in België, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en/of een of meer anderen, zoals beschreven in onderzoek “ [naam 1] ”,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid Opiumwet en/of artikel 10a eerste lid Opiumwet;

De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard voor zover deze ziet op het onder 4 tenlastegelegde huren en/of regelen en/of ter beschikking hebben van een of meer locaties en het kopen en/of huren en/of lenen en/of regelen en/of ter beschikking hebben van een voertuig.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat deze onderdelen van de tenlastelegging in te algemene bewoordingen zijn geformuleerd. Het Openbaar Ministerie heeft volgens de raadsvrouw ten onrechte nagelaten het type locatie en voertuig nader te duiden en heeft in de tenlastelegging ook niet opgenomen met wie de verdachte nauw en bewust zou hebben samengewerkt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor de verdachte voldoende duidelijk is waar de onder feit 4 ten laste gelegde verdenking uit bestaat.

Volgens de officier van justitie dient het verweer van de raadsvrouw te worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet de dagvaarding onder meer een opgave van het tenlastegelegde feit bevatten, met vermelding van tijd en plaats, en van de omstandigheden waaronder dat feit zou zijn begaan. De opgave van het feit in de tenlastelegging moet voldoende duidelijk en feitelijk zijn zodat het voor de verdachte, in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende begrijpelijk is waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken en waarover zij moet beslissen.

De rechtbank is van oordeel dat het voor de verdachte voldoende duidelijk moet zijn geweest waarvan hij wordt verdacht, namelijk het verrichten van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie en/of verkoop van synthetische drugs. Ook de tijd en de plaats van het ten laste gelegde feit staat in de tenlastelegging vermeld, evenals uit welke gedragingen de voorbereidingshandelingen zouden hebben bestaan. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in het standpunt dat daarbij te algemene bewoordingen zijn gebruikt.

Nadere concretisering van de locatie- en voertuiggegevens en/of het opnemen van de personalia van de medeverdachten is hiertoe niet vereist.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het onder feit 2 aan de verdachte ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op de productie van amfetamine in de periode van 1 mei tot en met 18 mei 2020. Volgens de officier van justitie is de verdachte al in België veroordeeld voor dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen..

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte is op 16 februari 2024 bij arrest van het hof van beroep Antwerpen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 900 dagen voor betrokkenheid bij het vervaardigen van amfetamine in de periode van 1 mei 2020 tot en met 11 juli 2020. Volgens de officier van justitie is hetzelfde feit deels aan de verdachte onder 2 ten laste gelegd. Hoewel de rechtbank dat niet zonder meer kan afleiden uit voormeld arrest, zal de rechtbank de uitleg van de officier van justitie volgen. De vervolging van de verdachte voor feit 2 – voor zover dit betrekking heeft op (het medeplegen van) het bereiden dan wel vervaardigen van amfetamine in de ten laste gelegde periode van 1 mei 2020 tot en met 18 mei 2020 – is daarom in strijd met het ne bis in idem-beginsel, zoals bepaald in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De officier van justitie zal daarom voor dat gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie wel ontvankelijk is in de vervolging van het overige aan de verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.

De bewijsbeslissing

Inleiding

Naar aanleiding van veiliggestelde cryptoberichten uit de eerdere onderzoeken [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] is het deelonderzoek [naam 1] gestart dat zich richtte op de vermoedelijke productie van en handel in synthetische drugs. De cryptoberichten die afkomstig zijn van de Encrochat-accounts [naam 5] en [naam 6] zijn volgens de politie verstuurd door de verdachte.

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan – kort samengevat – handel in cocaïne en MDMA en aan het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine. Ook wordt hij ervan verdacht dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als doel heeft het plegen van misdrijven op grond van de Opiumwet (hierna: Ow).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Voor wat betreft feit 1 meent de officier van justitie dat de pleegperiode dient te worden beperkt tot 9 april 2020.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit van het aan de verdachte tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat haar cliënt betwist dat hij de gebruiker is geweest van voormelde Encrochat-accounts.

De verdenkingen die zijn gerezen tegen de verdachte volgen enkel uit PGP-berichten die geen steun vinden in een ander bewijsmiddel, waardoor niet aan het bewijsminimum is voldaan. Bovendien is voor de overtuiging van belang dat de inhoud van de chatgesprekken moeilijk te duiden zijn en deze een onvolledig beeld geven.

Het oordeel van de rechtbank

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Verwijzing processen-verbaal van bevindingen

In de processen-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten inhoudende de beschrijvingen van de ontsleutelde PGP-berichten worden deze berichten door de

betreffende verbalisanten in samenvattende vorm weergegeven en geïnterpreteerd.

Voor zover de rechtbank in haar overwegingen en in de bewijsbijlage naar de samenvattingen en interpretaties in deze processen-verbaal verwijst, heeft de rechtbank de samenvattende inhoud van de berichten gecontroleerd aan de hand van de onderliggende stukken (volledige weergaven) van die berichten en heeft hierin geen noemenswaardige verschillen geconstateerd.

De rechtbank volstaat in die gevallen dan ook met de samenvattende weergave en interpretatie van de berichten.

Bewijsoverwegingen

Identificatie van de verdachte als gebruiker van de Encrochat-accounts

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de gebruiker was van de Encrochat-accounts [naam 5] en [naam 6] . Uit de bewijsmiddelen volgen meerdere feiten en omstandigheden die, in onderlinge samenhang bezien, te herleiden zijn tot de verdachte als gebruiker van deze twee accounts.

Bewijsminimum

Gelet op de geldende jurisprudentie is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat is voldaan aan het bewijsminimum. Het bewijs is immers gestoeld op een grote hoeveelheid Encrochat-gesprekken die op verschillende data en tijden zijn gevoerd en waaraan betekenis toekomt als ze met elkaar in verband worden gebracht (vgl. HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:474).

Context van de berichten

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de inhoud van de in de bewijsbijlage opgenomen Encrochat-berichten zodanig duidelijk dat onmiskenbaar sprake is van berichten over drugshandel. In de versleutelde chatgesprekken wordt onder meer gesproken over coke, blokken, pillen, (gewichts-)hoeveelheden, geldbedragen en een ketel.

Daarbij wordt door het account [naam 6] op 9 april 2020 een afbeelding gestuurd van een stapel bankbiljetten, waarbij zichtbaar is dat het bovenste biljet een coupure van € 200,- betreft. In de periode van 10 april tot en met 20 april 2020 worden door ditzelfde account daarnaast diverse afbeeldingen verstuurd waarop een grote hoeveelheid roze/blauw gekleurde tabletten – met als vorm het logo van FC Barcelona – te zien zijn.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1:

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs biedt dat de verdachte zich na 9 april 2026 nog schuldig zou hebben gemaakt aan het hem ten laste gelegde.

De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen het ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen in de periode tot en met 9 april 2026. Dat de berichten betrekking hebben op cocaïne volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bewoordingen ‘coke’, ‘blokken’ en ‘snuiven’. Er worden ‘onsjes’ gemaakt van een blok. Bovendien gaat het in de Encrochatgesprekken over kwalitatief slechte blokken afkomstig van partij met stempel 777, die ‘vies in de neus is’.

Dat sprake is van medeplegen kan niet wettig en overtuigend worden bewezen, omdat uit de Encrochatberichten niet vastgesteld kan worden in hoeverre sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Dit is wel vereist om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het onder feit 2 ten laste gelegde. Op basis van de inhoud van de Encrochat-berichten en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2, is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van de verdachte in de hem ten laste gelegde periode zich beperkt tot 8 april 2020.

Kort gezegd worden in de chatconversatie tussen [naam 6] en [naam 7] van die datum door de verdachte foto’s van een schuur, een buitengebied en stapels geldbiljetten gestuurd. Daarbij spreekt de verdachte weliswaar over verkoop, liter en liters, maar uit het gesprek blijkt niet voldoende dat dit gesprek specifiek gaat over de aan de verdachte ten laste gelegde handelingen met betrekking tot amfetamine.

De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring feit 3 (betrokkenheid bij de handel in MDMA)

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 3 wettig en overtuigd bewezen. Uit de Encochatberichten blijkt afdoende dat de berichten betrekking hebben op MDMA. In de berichten wordt immers gesproken over ‘pillen’ en ‘snoepjes’. Dit zijn benamingen voor xtc-pillen, waarvan MDMA de werkzame stof is. Er worden bovendien foto’s gestuurd van een pil in de vorm van een FC Barcelona-logo en een zak met pillen in deze vorm.

Dat de verdachte het feit in verenging met anderen zou hebben gepleegd, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen en de verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de Encrochatberichten niet vastgesteld kan worden in hoeverre hier sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, hetgeen wel vereist is om medeplegen bewezen te kunnen verklaren.

Ten aanzien van feit 4:

Uit de Encrochatgesprekken leidt de rechtbank af dat de verdachte met de accounts [naam 7] en [naam 8] , contact heeft gehad.

Zoals hiervoor reeds met betrekking tot feit 2 is overwogen, kan rechtbank uit de inhoud van de chatgesprekken niet afleiden dat deze betrekking hebben op – specifiek – amfetamineproductie en/of handel daarin. Wel is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat in de chatgesprekken wordt gesproken over de vervaardiging van synthetische drugs. De rechtbank zal dat deel van de tenlastelegging dan ook bewezen verklaren.

Uit de door de verdachte verstuurde foto’s van de schuur en zijn begeleidende chattekst blijkt onvoldoende dat hij een locatie zou hebben geregeld of dat hij deze zou hebben gebruikt ten behoeve van de productie van synthetische drugs.

Ook is er naar het oordeel van de rechtbank geen bewijs dat de verdachte BMK of andersoortige chemicaliën of grondstoffen voorhanden heeft gehad.

De rechtbank zal de verdachte voor deze tenlastegelegde voorbereidingshandelingen vrijspreken.

De verdachte acht op grond van de bewijsmiddelen wel bewezen dat verdachte in de periode van 4 tot en met 5 juni 2020 met het Encrochat-account [naam 7] informatie heeft uitgewisseld en afspraken gemaakt over het transport van ketels, vaten en branders.

Daarmee heeft de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve harddrugsproductie.

Op basis van de chatberichten kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte in deze voorbereidingshandelingen nauw en bewust met een ander of anderen zou hebben samengewerkt. De verdachte wordt daarom van het hem ten laste gelegde medeplegen vrijgesproken.

Kort gezegd acht de rechtbank met betrekking tot feit 4 bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de vervaardiging van een middel als vermeld op lijst I van de Opiumwet.

De verdachte heeft dit gedaan door een voertuig te huren en hiermee de aangekochte hardware ten behoeve van drugsproductie te vervoeren, zoals volgt uit de Encrochat-communicatie waaraan hij deelgenomen heeft.

Bewezenverklaring feit 5 (deelname aan criminele organisatie)

Beoordelingskader

Om van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11b van de Ow te kunnen spreken, is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Van een deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in – dan wel ondersteuning biedt aan – gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk.

Voor strafbare deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dit oogmerk dient gelet op het tenlastegelegde te zijn gericht op het plegen van misdrijven die zijn opgenomen in de artikelen 10 en 10a van de Ow. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of verschillende misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Bovendien is niet vereist dat komt vast te staan dat de betrokkene – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met, alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.

Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat er onmiskenbaar sprake is geweest van een samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van delicten als omschreven in de artikelen 10 en 10a van de Ow.

Immers werd door de verdachte en anderen door middel van versleutelde berichten met gebruik van zogenaamde “nicknames” veelvuldig gecommuniceerd over grootschalige handel in verschillende soorten synthetische drugs en over voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie daarvan.

De rechtbank merkt dit samenwerkingsverband aan als een organisatie waarin sprake is van een gestructureerd en duurzaam karakter.

Uit de cryptoberichten blijkt duidelijk de leidinggevende en sturende rol van de gebruikers van de accounts [naam 7] en [naam 8] .

Binnen deze organisatie heeft de verdachte – blijkens de inhoud van de door hem verzonden Encrochat-berichten met de accounts [naam 5] en [naam 6] – gedurende ruim twee maanden een actieve rol vervuld.

Hij heeft zich onder meer beziggehouden met de handel in diverse harddrugssoorten.

Ook heeft hij voorbereidingshandelingen verricht ten behoeve van de productie van synthetische drugs.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 3 april 2020 tot en met 5 juni 2020 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11b van de Ow.

De bewezenverklaring

in de periode 10 april 2020 tot en met 27 april 2020, in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid MDMA pillen, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
hebbende verdachte op voornoemde tijdstippen in voornoemde pleegplaatsen

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:

1.

in de periode 3 april 2020 tot en met 9 april 2020, in Nederland, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne (‘777’ logo), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

4.

in de periode van 4 juni 2020 tot en met 5 juni 2020 in Nederland, en/of in België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk vervaardigen van enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen (sub 2°)

- voorhanden gehad en/of aangekocht en/of vervoerd:

- een (stoom)ketel en/of vaten en/of branders en

- een voertuig gehuurd en/of geregeld en/of ter beschikking gehad en

- een mobiele telefoon, met het beveiligingsprogramma EncroChat, voorhanden gehad en gebruik gemaakt van communicatie via de EncroChatapplicatie en

- via (EncroChat)chatberichten contact met mededaders onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het transporteren van goederen;

5.

in de periode van 3 april 2020 tot en met 5 juni 2020, in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, zoals beschreven in onderzoek “ [naam 1] ”, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid Opiumwet en/of artikel 10a eerste lid Opiumwet;

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr op te leggen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf – gelet op de rol van de verdachte en de pleegperiode die hem ten laste is gelegd – niet in verhouding staat tot de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd. De raadsvrouw heeft gewezen op de schending van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte in 2024 door het hof van beroep Antwerpen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden is veroordeeld. De raadsvrouw geeft de rechtbank in overweging om hierbij rekening te houden bij de strafoplegging. Ook heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De raadsvrouw meent dat passend is om aan de verdachte op te leggen: een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, gecombineerd met een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een (langdurige) taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in 2020 schuldig gemaakt aan vier ernstige strafbare feiten.

Hij heeft zich gedurende ruim twee maanden veelvuldig via versleutelde communicatie middels een cryptotelefoon beziggehouden met grootschalige handel in harddrugs, waaronder ook het voorbereiden en bevorderen van deze handel. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte in ieder geval twee ‘blokken’ cocaïne en ongeveer 37,5 kilogram MDMA aanwezig heeft gehad. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat één blok cocaïne een standaardgewicht van 1 kilogram heeft. Met zijn gedragingen heeft de verdachte een belangrijke rol vervuld binnen een organisatie die was gespecialiseerd in harddrugscriminaliteit.

Het is algemeen bekend dat verspreiding van drugs ernstige nadelige maatschappelijke gevolgen kent, waaronder gezondheidsschade voor drugsgebruikers en vermogensdelicten die drugsverslaafden plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien.

De verspreiding van en handel in harddrugs gaan daarnaast gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waarbij eigen financieel gewin belangrijker is dan het welzijn van anderen en waarin ook het toepassen van grof geweld vaak niet wordt geschuwd.

Verdachte heeft de gevolgen van zijn handelen op de koop toegenomen en zich kennelijk laten leiden door eigen geldelijk gewin. Hij heeft door zijn gedragingen een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van en de handel in harddrugs, met alle hierboven beschreven, schadelijke gevolgen van dien.

Gelet op de aard en de hoeveelheid van de harddrugs alsmede de rol die de verdachte binnen de criminele organisatie speelde, is geen andere straf dan een gevangenisstraf in deze zaak aan de orde.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar het strafblad van de verdachte van 11 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte op 16 februari 2024 door het hof van beroep Antwerpen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 900 dagen.

Hoewel artikel 63 Sr niet van toepassing is op buitenlandse rechterlijke uitspraken, zal de rechtbank bij de strafoplegging wel rekening houden met deze eerdere veroordeling.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn in het geding is. Bij een verdachte – die niet uit hoofde van de onderhavige strafzaak is gedetineerd – heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank neemt in de onderhavige zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van inverzekeringstelling - te weten 27 mei 2024 - als uitgangspunt.

Tussen 27 mei 2024 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van 27 maanden.

Dat betekent dat de redelijke termijn op het tijdstip van de uitspraak met drie maanden is overschreden.

Gelet op de aard en omvang van de zaak en de procedure met betrekking tot onderhandelingen over procesafspraken, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan deze termijnoverschrijding consequenties te verbinden, anders dan de enkele constatering dat de termijn in beperkte mate is overschreden.

Straftoemeting

Alles overziend, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

De rechtbank legt hiermee een lagere straf aan de verdachte op dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan waarop de officier van justitie haar eis heeft gebaseerd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking brengt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Beslag

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem inbeslaggenomen administratie nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave hiervan.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 2, voor zover dit feit betrekking heeft op (het medeplegen van) het bereiden dan wel vervaardigen van amfetamine in de ten laste gelegde periode van 1 mei 2020 tot en met 18 mei 2020;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 2 voor het overige ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd;

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

het voorbereiden en/of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich en/of een ander gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen;

ten aanzien van feit 5:

deelneming aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a eerste lid van de Opiumwet;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

ten aanzien van feit 1, feit 3, feit 4, feit 5:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

gelast de teruggave van het inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:

- 1 STK Administratie (Omschrijving: [naam 9] Papier handgeschreven aantekeningen)

aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [verdachte] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. F. Kooijman, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 14 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.W.M. Bankers
  • mr. J.H.P.G. Wielders
  • mr. F. Kooijman

Griffier

  • mr. A.J.H.L. Coppens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand