RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.039748.25
Datum uitspraak: 16 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 september 2026
Onderzoek van de zaak:
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 156.643,38 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de factuur van [bedrijf] van € 12.749,37 op dat bedrag in mindering wordt gebracht.
Bij vonnis van deze rechtbank van heden, 16 september 2026 (hierna: het strafvonnis), is [verdachte] , (hierna: de veroordeelde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van twee jaren voor hennepteelt, bezit van hennep en diefstal van elektriciteit. Dit strafvonnis is niet onherroepelijk.
In de ontnemingsprocedure wordt als vaststaand aangenomen dat het bewezenverklaarde door de veroordeelde is begaan. Een kopie van het strafvonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De beoordeling
De vordering is tijdig ingediend.
De grondslag van de vordering
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de verdachte zijn begaan, worden ontnomen (artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht).
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde andere strafbare feiten heeft begaan, namelijk dat hij zich in de periode voorafgaand aan 11 februari 2025 ook schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennepplanten en daarmee illegaal geld heeft verdiend.
Bij de vaststelling van het voordeel neemt de rechtbank het financieel rapport waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend als uitgangspunt.
Aantal oogsten
In het dossier vindt de rechtbank voldoende aanwijzingen dat de kwekerij van veroordeelde meerdere oogsten heeft voortgebracht. Daarbij wijst de rechtbank op de aangetroffen kalkafzetting, potgrond, wortelresten en gebuikte koolstoffilters.
Uit een ‘Rapport indicatie voorgaande kweken’ van [bedrijf] volgt dat er in de periode vanaf 1 november 2023 tot en met 11 februari 2025 zes periodes zijn geweest met verhoogd elektriciteitsverbruik. Deze verhoging duidt op de aanwezigheid van een hennep-kwekerij in die periodes. Van deze zes periodes (ook wel cycli), zijn de vijfde en zesde cyclus niet meegenomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Kweekcyclus 5 betrof een onduidelijke meting en gedurende kweekcyclus 6 is de politie de woning van veroordeelde binnengevallen en is de kwekerij ontmanteld. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de hennepopbrengst van een van de kweekcycli nog te drogen hing, zodat in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van drie eerdere oogsten.
Veroordeelde heeft verklaard dat hij pas in april 2024 met het kweken van de hennep is gestart. Die verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk en laat zich niet rijmen met de door [bedrijf] gerapporteerde periodes van verhoogd energieverbruik. Veroordeelde heeft aangegeven dat het hoge stroomverbruik tijdens die periodes verklaard zou kunnen worden door de verbouwing van het zwembad en activiteiten in zijn werkplaats. Dit is niet nader onderbouwd. Ook biedt deze uitleg geen verklaring voor de pieken in energieverbruik die zich in de nacht hebben voorgedaan. Voor dat laatste heeft veroordeelde ter terechtzitting ook geen verklaring kunnen geven. Bovendien is na de instap van de politie geen verhoogd energieverbruik meer waargenomen. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er drie eerdere oogsten hebben plaatsgevonden in de hennepkwekerij bij veroordeelde thuis.
De rechtbank zal er ten voordele van veroordeelde van uitgaan dat de eerste oogst – zoals hij heeft verklaard - is mislukt, in die zin dat deze oogst geen opbrengst heeft opgeleverd. De rechtbank overweegt in dat verband dat veroordeelde geen ervaring had met het kweken van hennep en geen hulp had van personen die wel ervaring hadden. Een eerste mislukte oogst past bij die onervarenheid. Bovendien heeft ook de vrouw van verdachte verklaard dat de eerste oogst niet was gelukt. Voor de berekening van het voordeel gaat de rechtbank er aldus vanuit dat veroordeelde opbrengst heeft genoten van twee eerdere oogsten.
Berekening
In de woning van veroordeelde is een hennepkwekerij met twee kweekruimtes aangetroffen. Hieronder wordt per kweekruimte het voordeel berekend. De rechtbank zal in het voordeel van veroordeelde afwijken van het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel daar waar het de hennepopbrengst per plant betreft. Weliswaar zijn door de politie ter plaatse een tiental planten in beslaggenomen en gewogen – wat heeft geleid tot een hogere opbrengst per plant dan waarvan wordt uitgegaan in het rapport aangaande de standaardberekening (update 1 juli 2016) – maar niet is gebleken dat dit ook een representatieve selectie van de aanwezige hennepplanten is geweest. Ook volgt niet uit de stukken uit welke kweekruimte de planten zijn geselecteerd. Aangezien de hoeveelheid planten per vierkante meter per kweekruimte verschilde en dit van invloed kan zijn op de opbrengst, is dat een relevant gegeven. Daarom zal de rechtbank op dit punt uitgaan van de standaardberekening en normen uit het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht (update 1 juli 2016).
Anders dan de raadsvrouw in haar pleitnota heeft gesteld zal de rechtbank de gestelde kosten voor de aanschaf van apparatuur (investeringskosten) van € 4.000,- niet in mindering brengen op de opbrengst. Deze kosten zijn niet onderbouwd. Bovendien gaan vaste activa doorgaans langer mee dan de oogsten waarvoor veroordeelde verantwoordelijk wordt gehouden, waardoor een directe relatie tussen de investeringskosten en de strafbare feiten slechts kan worden aangenomen tot de hoogte van de afschrijvingskosten zoals ook is begroot in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
Kweekruimte 1
Opbrengsten per oogst
Aantal planten per m2: 6
Opbrengst hennep per oogst per plant: 32,2
Prijs per kilogram: € 4.070,-.
110 planten x 32,2 gram = 3.542 kilogram
Totale opbrengsten: 3.542 x € 4.070 = € 14.415,940
Kosten per oogst
Afschrijvingskosten : € 150,-
Hennepstekken: € 419,10 (€ 3,81 per stek/plant x 110 planten)
Variabele kosten: € 426,80 (€ 3,88 per stek/plant x 110 planten) +
Totale kosten € 995,90
Kweekruimte 2
Opbrengsten per oogst
Aantal planten per m2: 3
Opbrengst hennep per oogst per plant: 33,5
Prijs per kilogram: € 4.070,-.
135 planten x 33,5 gram = 4.522,50 kilogram
Totale opbrengsten: 4.522,50 x € 4.070 = € 18.406,575
Kosten per oogst
Afschrijvingskosten : € 150,-
Hennepstekken: € 514,35 (€ 3,81 per stek/plant x 135 planten)
Variabele kosten: € 523,80 (€ 3,88 per stek/plant x 135 planten) +
Totale kosten € 1.188,15
De rechtbank berekent het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:
Kweekruimte 1
Bruto opbrengst 2 oogsten € 28.831,88 (€ 14.415,940 x 2)
Totale kosten 2 oogsten € 1.991,80 (€ 995,90 x 2) -/-
Voordeel € 26.840,08
Kweekruimte B
Bruto opbrengst 2 oogsten € 36.813,15 (€ 18.406,575 x 2)
Totale kosten 2 oogsten € 2.376,30 (€ 1.188,15 x 2) -/-
Voordeel € 34.436,85
Elektriciteitskosten
Uit het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat veroordeelde de elektriciteitskosten aan [bedrijf] heeft betaald. Een factuur zit in het dossier. Aan die factuur liggen vier kweekcycli ten grondslag. De rechtbank gaat evenwel uit van twee geslaagde oogsten. Slechts de kosten die in directe relatie staan tot de kweek van geslaagde oogsten komen doorgaans voor aftrek in aanmerking. De rechtbank zal echter in het voordeel van van veroordeelde de volledige aan [bedrijf] betaalde kosten in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uit de factuur van [bedrijf] volgt dat het gaat om een bedrag van € 12.749,37.
Dat brengt de volgende berekening mee: € 26.840,08 (totaal voordeel ruimte 1) + € 34.436,85 (totaal voordeel ruimte 2) = € 61.267,93 - € 12.749,37 = € 48.527,56
Totaal voordeel: € 48.527,56
Toepasselijk wetsartikel.
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 48.527,56;
- legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 48.527,56, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,
en is uitgesproken op 16 september 2026.