RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.039748.25
Datum uitspraak: 16 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan het [adres] aldaar) ongeveer 1.995 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 februari 2025 te Maarheeze, gemeente Cranendonck
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of een bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in twee, in elk geval een of meer, ruimten van een pand aan het [adres] aldaar)
een grote hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 245, in elk geval een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
3.
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 11 februari 2025 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde, (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve waar het gaat om het medeplegen. Er dient slechts een bewezenverklaring te volgen voor het alleen plegen van de tenlastegelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen .
Verdachte heeft alle hem ten laste gelegde feiten erkend. De verdediging heeft slechts vrijspraak voor het medeplegen bepleit. De rechtbank acht medeplegen niet bewezen. Voor het overige is geen vrijspraak bepleit. Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank daarom met een opsomming van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3:
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
1.
op of omstreeks 11 februari 2025 te Maarheeze, gemeente Cranendonck
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of een bedrijf
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ( in twee , in elk geval een of meer, ruimten van een pand aan het [adres] aldaar)
een grote hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 245 , in elk geval een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.
op of omstreeks 11 februari 2025 te Maarheeze, gemeente Cranendonck , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ( in een pand gelegen aan het [adres] aldaar) ongeveer 1.995 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 11 februari 2025 te Maarheeze, gemeente Cranendonck , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) een hoeveelheid elektriciteit , in elk geval enig goed, die (telkens) geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval (telkens) aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde, (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Daarin is abusievelijk niet opgenomen de maatregel kostenverhaal ad € 1.421,50. Deze is echter wel ter terechtzitting door de officier van justitie gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf. Daarbij heeft de verdediging gewezen op het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, zijn leeftijd en het gegeven dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor de kwekerij waarvan de opbrengst bovendien afwezig dan wel zeer beperkt is geweest.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het exploiteren van een hennepkwekerij in zijn huis. Daarbij heeft verdachte een grote hoeveelheid hennepplanten geteeld, lag een hoeveelheid hennep van een eerdere oogst in de woning te drogen en heeft verdachte ten behoeve van de kwekerij elektriciteit gestolen.
Het telen van hennep brengt veiligheidsrisico’s mee en gaat steeds vaker gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit. Daar komt bij dat het gebruik van hennep schadelijk is voor de volksgezondheid, in vergaande mate sociaal ontwrichtend kan werken en voor overlast kan zorgen. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de illegale handel in softdrugs en de negatieve gevolgen die deze handel voor de maatschappij kunnen hebben. Een hennepkwekerij, waarbij illegaal stroom wordt afgenomen en die niet deskundig is aangelegd kan bovendien brandgevaar voor de omgeving opleveren. Verdachte heeft hier onvoldoende bij stilgestaan en heeft zich enkel laten leiden door het financiële voordeel dat dit hem zou kunnen opleveren.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf en gaan uit van een persoon die niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
Voor het telen van een hoeveelheid tussen de 100 en 500 hennepplanten geldt volgens de oriëntatiepunten als uitgangspunt de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Dat vertrekpunt acht de rechtbank ook in deze zaak passend daar waar het gaat om het telen van hennep (feit 1). Echter heeft de rechtbank meer feiten bewezen verklaard. Daarin wordt aanleiding gezien om een zwaardere straf op te leggen. De straf zoals door de officier van justitie is geëist, acht de rechtbank een passende straf, die recht doet aan de feiten en omstandigheden van deze zaak. In hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen reden om deze straf te matigen.
Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren opleggen.
Maatregel kostenverhaal
Ten aanzien van de maatregel tot kostenverhaal merkt de rechtbank op dat artikel 13d van de Opiumwet het mogelijk maakt dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en er ten aanzien van die voorwerpen de maatregel van onttrekking aan het verkeer wordt opgelegd of had kunnen worden opgelegd, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Uit de stukken volgt dat er kosten zijn gemaakt voor de ruiming van de hennepkwekerij welke kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 1.421,50. De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat in de woning van verdachte hennepplanten en gerelateerde goederen zijn aangetroffen die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid. De rechtbank stelt vast deze goederen in beslag zijn genomen en dat, als er geen afstand van zou zijn gedaan, de maatregel van onttrekking aan het verkeer had kunnen worden opgelegd. Aan de eisen van artikel 13d van de Opiumwet is voldaan. De rechtbank zal aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen ter vergoeding van € 1.421,50.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 Wetboek van Strafrecht
3, 11, 13d Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Feit 1:
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel
Feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 3:
diefstal
Strafbaarheid
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Straffen
legt op de volgende straffen:
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:
- een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis
- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Maatregel kostenverhaal
Legt aan [verdachte] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van 1.421,50 euro, ter vergoeding van de kosten van de vernietiging van beslag.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 14 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,
en is uitgesproken op 16 september 2026.