RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer : 01.010788.26
Datum uitspraak : 16 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1972] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [verblijf plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2024 tot en met 1 november 2024 te Veldhoven, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [2009] ), een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn vinger(s) en/of penis in haar vagina en/of
- het likken van/in haar vagina;
2.
hij op of omstreeks 8 september 2024 te Veldhoven, althans in Nederland, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking
waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [2009] ), was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft vervaardigd te weten
- video’s en/of een visuele weergave en/of
- gegevensdragers bevattende video’s en/of een visuele weergave, te weten een SD-kaart uit een Samsung gsm A50,
waarop te zien is dat:
die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger en/of penis en/of tong
(pv bevindingen nr. 12, p. 71 eind-pv).
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bronnen.
Inleiding.
Op 13 november 2024 heeft de gezinsvoogd van [slachtoffer] (15 jaar) aangifte gedaan bij de politie van seksueel misbruik. Hij heeft verklaard dat tussen [slachtoffer] en verdachte (52 jaar) seksueel contact heeft plaatsgevonden. [slachtoffer] is nadien gehoord en heeft in aanvulling hierop verklaard dat het seksueel contact tussen haar en verdachte meermalen en in zijn woning heeft plaatsgevonden en dat verdachte daarvan ook video-opnames heeft gemaakt. Onder verdachte zijn meerdere gegevensdragers in beslag genomen. Op een van deze gegevensdragers is een video-opname aangetroffen waarop het seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer] is vastgelegd.
Op de verdachte rust thans de verdenking dat hij in de periode van 1 augustus 2024 t/m
1 november 2024 in Veldhoven – kort gezegd – seksuele handelingen heeft verricht met een minderjarige (feit 1) en op 8 september 2024 in Veldhoven kinderporno heeft vervaardigd (feit 2).
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij heeft opgemerkt dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 een kortere pleegperiode bewezen zal moeten achten.
De bewijsbeslissing.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Nu verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank ten aanzien van de door haar gebezigde bewijsmiddelen voor deze feiten volstaan met een opgave, te weten:
de aangifte van [naam] (bron 1, p. 16-25);
de verklaring van [slachtoffer] (bron 1, p. 26-45);
het relaas van verbalisant [verbalisant 1] (bron 1, p. 48);
de kennisgeving van inbeslagneming (bron 1, p. 49);
het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (bron 1, p. 70);
het relaas van verbalisant [verbalisant 3] (bron 1, p. 71-81) en;
de bekennende verklaringen van verdachte (bron 1, p. 101-115 en bron 2).
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de pleegperiode van het ten laste gelegde onder feit 1 beperkt is tot 12 augustus 2024 t/m 1 november 2024.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1.
in de periode van 12 augustus 2024 tot en met 1 november 2024 te Veldhoven met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] (geboren op [2009] ) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en duwen en bewegen van zijn vinger(s) en penis in haar vagina en
- het likken van haar vagina;
2.
op 8 september 2024 te Veldhoven een visuele weergave n van seksuele aard waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] (geboren op [2009] ), was betrokken heeft vervaardigd, waarop te zien is dat die persoon vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger en penis.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De oplegging van een straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen bijzondere voorwaarden gekoppeld moeten worden.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen. Deze maatregel zal een contactverbod moeten inhouden met [2009] voor de duur van 5 jaar met toepassing van vervangende hechtenis indien verdachte zich niet aan dit verbod conformeert. De rechtbank zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel moeten bevelen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de rechtbank zal moeten volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf met bijzondere voorwaarden. Een contactverbod met [slachtoffer] , in welke vorm dan ook, zal achterwege moeten blijven, nu [slachtoffer] steeds contact zoekt met verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De aard en de ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het hebben van seksueel contact met een minderjarige. Verdachte heeft het slachtoffer leren kennen doordat hij een kamer in zijn woning aan de vriend van het slachtoffer voor verblijf ter beschikking had gesteld. Het slachtoffer kwam zodoende regelmatig in de woning van verdachte. Hij wist dat het slachtoffer problemen had met haar moeder, niet meer naar school ging, slecht werd behandeld door haar vriend en ook dat zij kampte met een drugsverslaving. Van deze kwetsbare positie van het slachtoffer heeft verdachte op ernstige wijze misbruik gemaakt door haar thuis te (blijven) ontvangen, voor het slachtoffer drugs te kopen en deze samen met haar te gebruiken en vergaande seksuele handelingen bij en met het slachtoffer te verrichten. Verdachte is ernstig tekortgeschoten in zijn zorgplicht over een kind dat hij in huis ontving.
Hoewel er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer seksueel uitdagend is geweest jegens verdachte, had verdachte als volwassen man beter moeten weten. Hij had terughoudend moeten zijn in het contact met het slachtoffer. In plaats daarvan is hij diverse grenzen overgegaan. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en moeten gelet op hun jeugdige leeftijd onvoldoende in staat worden geacht om de consequenties van hun eigen handelen in te schatten. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de mogelijk nadelige gevolgen voor het slachtoffer en heeft zijn eigen seksuele verlangens voorop gesteld. Hij heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft haar normale seksuele ontwikkeling met zijn gedrag doorkruist. Dat het slachtoffer al langere tijd seksueel actief is, maakt dit alles niet minder erg.
Verdachte heeft de seksuele handelingen met het slachtoffer vastgelegd op camera en heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het vervaardigen van kinderporno. Het betrof weliswaar een camera die initieel in de woonkamer was opgesteld teneinde diefstal op te sporen, maar de verdachte was zich er wel degelijk van bewust dat daarmee ook de seksuele handelingen werden opgenomen. Bovendien heeft hij tijdens een ruzie met het slachtoffer gedreigd om die beelden te delen met haar moeder. Verdachte heeft hiermee op onaanvaardbare wijze inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer en haar ook vrees aangejaagd voor openbaarmaking van deze beelden.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, maar niet voor soortgelijke feiten als de bewezenverklaarde. In het strafblad van verdachte zijn daarom geen strafverzwarende omstandigheden gelegen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 11 augustus 2026 dat over de persoon van verdachte is opgemaakt. In dit rapport is onder meer opgeschreven dat er risico’s zijn op de leefgebieden relaties, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren, middelengebruik en houding. Verdachte heeft al langere tijd geen relatie en een mager sociaal netwerk, waardoor hij zich eenzaam voelt. Een adequate manier om hiermee om te gaan heeft verdachte niet. Hij ziet de omgang met het slachtoffer als een oplossing voor zijn eenzaamheid en blijft nog steeds ambivalent over het contact met het slachtoffer. Verdachte, die op zitting een kwetsbare indruk maakt, voelt zich enerzijds bedonderd en anderzijds benoemt hij dat hij zich veel zorgen om het slachtoffer maakt en om haar geeft. Hij zegt te begrijpen dat er geen seks plaats had mogen vinden, maar verder ziet hij niets verkeerds in het contact en lijkt hij het contact niet los te kunnen laten. Het risico op herhaling wordt door de reclassering ingeschat op matig-hoog. Er worden mogelijkheden gezien om aan verdachte hulp te bieden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden inhoudende een meldplicht en ambulante behandelingen. Daarnaast wordt geadviseerd om een contactverbod met het slachtoffer op te leggen als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan te bevelen.
Andere relevante factoren voor de strafmaat.
Voor de strafmaat zal de rechtbank verder rekening houden met de omstandigheid dat verdachte – in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in deze zaak – zich niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Ondanks dat de rechtbank hem een kans heeft gegeven, heeft hij die kans niet aangegrepen en gehandeld in strijd met het contactverbod met het slachtoffer en zich ook onttrokken aan de meldplicht afspraken met de reclassering.
De straf en maatregel.
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden. Een lichtere straf, zoals bepleit door de raadsvrouw, zou naar het oordeel van de rechtbank geen recht doen aan de ernst van de feiten. De mogelijk negatieve gevolgen van een langdurige detentie voor verdachte, waaronder het verlies van zijn huisvesting, leggen in het licht van de normschending onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andere, lichtere straf(modaliteit) te komen.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden en bepalen dat de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht op deze straf. Om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en ook om de ernst van de door verdachte gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, voorwaardelijk opleggen. Om aan verdachte hulp en steun te bieden, zullen aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandelingen worden verbonden. Dat verdachte deze hulp en begeleiding nodig heeft, volgt uit het hiervoor aangehaalde reclasseringsrapport en verdachte heeft zich bereid verklaard om zich aan deze voorwaarden te houden. De rechtbank zal bij het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd vaststellen van twee jaar.
De rechtbank acht gelet op de bewezenverklaarde feiten, en de omstandigheden dat verdachte ambivalent is over het contact met het slachtoffer en er aanwijzingen zijn dat ook het slachtoffer in contact wil blijven met verdachte, passend en geboden om ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte tevens een contactverbod op te leggen in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaar als bedoeld in artikel 38v Sr. Deze maatregel zal inhouden dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer.
De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van twee weken zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de maatregel niet op.
De rechtbank zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens het slachtoffer zal gedragen.
De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf en maatregel die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengen.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen moet worden, omdat er geen wettelijk grondslag is voor de vergoeding van immateriële schade. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de omvang van de schade onvoldoende is vast te stellen en het een onevenredige belasting voor de strafprocedure oplevert als de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om de vordering nader te onderbouwen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering toegewezen kan worden tot een bedrag van maximaal € 2.500,00.
Het oordeel van de rechtbank.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending – namelijk het door de verdachte plegen van seksuele handelingen met een minderjarige – mee dat de daaruit voor de benadeelde partij voortvloeiende nadelige gevolgen zozeer voor de hand liggen, dat kan worden aangenomen dat sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze”. Daarmee bestaat er dus een wettelijke grondslag voor de vergoeding van immateriële schade. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De onderhavige vordering is namens het slachtoffer door haar moeder en met tussenkomst van een advocaat ingediend. Niet is gebleken dat het slachtoffer, die inmiddels de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, op de hoogte is dat onderhavige vordering namens haar is ingediend. Evenmin is gebleken of ze überhaupt wel schadevergoeding van verdachte wenst. De afwezigheid van die wens kan niet worden uitgesloten, omdat het slachtoffer ook geen aangifte tegen verdachte heeft willen doen en er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer ook na de aanhouding en vervolging van verdachte het contact met hem is blijven opzoeken en dat contact kennelijk ook wil behouden. Het is de rechtbank tevens gebleken dat het slachtoffer niet langer bij haar moeder woonachtig is, de toelichting bij de vordering behelst ook helemaal niets concreets over de persoon van het slachtoffer en het door haar ervaren leed. Met betrekking tot de nadelige gevolgen voor het slachtoffer (i.e. de aard en omvang van de door haar geleden immateriële schade), is al met al in het geheel geen informatie beschikbaar.
Een nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een nadere behandeling vereisen. Voor die nadere behandeling is in het strafproces geen plaats. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, en bepalen dat de vordering bij de civiele rechter kan worden aangebracht.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 57, 63(oud), 248 en 252 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het wijzen van dit vonnis rechtens gelden.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 2:
een visuele weergave van seksuele aard waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, vervaardigen
verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt dan wel zich niet heeft gehouden aan de volgende bijzondere voorwaarden:
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Novadic-Kentron op het adres Dr. Poletlaan 74-76 te Eindhoven of telefonisch op het telefoonnummer 040 2171200 ;
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Forensische Polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie / stabilisatie / observatie / diagnostiek / crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
legt op de volgende maatregel:
(ten aanzien van feit 1)
een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de veroordeelde gedurende drie jaar zich onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [2009] te Zeist;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan;
bepaalt de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd op twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van ten hoogste zes maanden;
beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
(ten aanzien van feit 1 en feit 2)
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. F. van Buchem en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,
in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,
en is uitgesproken op 16 september 2026.