RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.049457.21 en 01.307667.22 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 16 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
postadres: [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 september 2026.
Op deze terechtzitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 augustus 2026.
Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.049457.21 tenlastegelegd dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van
14 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Helmond,
althans in het arrondissement Oost-Brabant,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine,
zijnde cocaine en/of heroine
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 03 september 2026 is gewijzigd is aan verdachte in de tenlastelegging met parketnummer 01.307667.22 tenlastegelegd dat:
hij in de periode van 18 augustus 2021 tot en met 20 augustus 2021 te Nuenen, gelegen binnen de gemeente Nuenen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een
dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of
het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een pin-/bankpas en/of (bijbehorende) pincode en/of bankgegevens, door
- die [slachtoffer] telefonisch te benaderen en zich voor te doen als medewerker van een bank en/of
- die [slachtoffer] te melden dat er sprake zou zijn van een hack en/of een ongebruikelijke en/of gevaarlijke transactie op de rekening van die [slachtoffer] en/of
- die [slachtoffer] te melden dat zij de hack en/of ongebruikelijke en/of gevaarlijke transactie(s) kon (doen) stoppen door haar pinpas en/of (bijbehorende) pincode en/of bankgegevens in een enveloppe te doen en/of te overhandigen aan een koerier en/of medewerker van de bank die bij voornoemde [slachtoffer] aan de deur zou komen en/of
- naar de woning van die [slachtoffer] toe te gaan en/of
- bij die [slachtoffer] aan de deur te komen en zich daarbij voor te doen als koerier en/of medewerker van de bank en/of de enveloppe (met hierin de pin-/bankpas en/of (bijbehorende) pincode en/of de bankgegevens) in ontvangst te nemen en/of mee te nemen.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd beide feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht verdachte van beide feiten vrij te spreken.
Het oordeel van de rechtbank.
Oplichting
Door [slachtoffer] , een vrouw van destijds 76 jaar, is aangifte gedaan van oplichting. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op vrijdag 20 augustus 2021 werd gebeld door een medewerker van Rabobank. Er zou zijn ingebroken op haar bankaccount. Aangeefster heeft verklaard dat zij haar bankpas moest doorknippen en in een enveloppe moest doen. Een jongen zou deze enveloppe komen ophalen. Kort daarna stond er een licht getinte jongen, lijkend van Marokkaanse afkomst, voor haar deur. Aangeefster heeft verklaard dat zij de enveloppe aan de jongen heeft meegegeven.
Aangeefster heeft verder verklaard dat er een bedrag van € 1.500,30 van haar rekening is afgeschreven. In het dossier bevindt zich een bankafschrift waarop deze afschrijving is vermeld. De afschrijving dateert van 18 augustus 2021. De rechtbank constateert dat deze datum is gelegen voor de datum waarop het tenlastegelegde feit volgens aangeefster is gepleegd.
Door aangeefster zijn aan de politie beelden verstrekt van haar ringdeurbel. Hierop zou de jongen staan die de bankpas heeft afgehaald. In het dossier bevinden zich een tweetal foto’s waarop een jongen is afgebeeld die een mondkapje draagt. De foto’s zijn niet gedateerd, zodat niet duidelijk is wanneer deze foto’s zijn gemaakt.
Twee verbalisanten hebben verdachte herkend op de betreffende foto’s. De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat er overeenkomsten zijn tussen verdachte en de persoon op de foto’s. De rechtbank overweegt echter ook dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen. In onderhavige zaak dient extra voorzichtigheid te worden betracht, omdat een groot deel van het gezicht van de persoon op de foto’s is bedekt door een mondkapje en belangrijke onderscheidende kenmerken, zoals de mond en neus niet te zien zijn.
Verdachte heeft het tenlastegelegde stellig ontkend.
De rechtbank overweegt dat de foto’s niet zijn gedateerd en dat ook anderszins niet uit het dossier volgt op welke datum de foto’s zijn gemaakt. Uit het dossier volgt verder niet dat de foto’s afdrukken zijn van de door aangeefster aan de politie verstrekte ringdeurbeelden. Bovendien is er, gelet op het verschil tussen de in de aangifte genoemde datum en de datum van de afschrijving, onduidelijkheid over de pleegdatum. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op vorenstaande, onvoldoende komen vast te staan dat de ringdeurbeelden zijn gemaakt op de dag dat de bankpas is afgehaald en dat de afschrijving betrekking heeft op het ten laste gelegde feit.
Nu verdachte het tenlastegelegde heeft ontkend en er geen andere bewijsmiddelen zijn waaruit zijn betrokkenheid volgt, acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van de onder parketnummer 01.307667.22 ten laste gelegde oplichting.
Drugshandel
De bewijsmiddelen
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Telefoonnummer
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte de enige gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het telefoonnummer aan hem toebehoort en dat hij de enige gebruiker is van dat nummer. De toenmalige vriendin van verdachte, getuige [getuige 1] , heeft op 4 december 2020 verklaard dat zij het genoemde telefoonnummer al ruim een half jaar belt – en aldus in de tenlastegelegde periode – en dat zij dan altijd verdachte aan de telefoon kreeg. Ter terechtzitting lijkt verdachte te hebben willen suggereren dat hij niet de enige gebruiker is geweest van het genoemde telefoonnummer door te stellen dat hij de simkaart behorende bij het genoemde telefoonnummer heeft gevonden dan wel gekregen, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt niet onderbouwd en volgt dit ook niet anderszins uit het dossier.
Straattaal in tapgesprekken
Een van de telefoons van medeverdachte [medeverdachte 1] is vanaf 14 oktober 2020 getapt. De inhoud van die tapgesprekken heeft aanleiding gegeven ook de telefoon met het hiervoor genoemde telefoonnummer (de telefoon van verdachte) af te tappen. De telefoon van verdachte is vanaf 2 november 2020 getapt. In het dossier bevinden zich hiervan de uitgewerkte tapgesprekken. In de tapgesprekken komen woorden voor als ‘sannie’, ‘sosa’, ‘snu’ en ‘snoe’. De politie heeft gerelateerd dat ‘sannie’ en ‘sosa’ straattaal is voor cocaïne. ‘Snu’ en ‘snoe’ is volgens de politie straattaal voor snuif cocaïne.
De raadsman heeft aangevoerd dat de betekenis van de tapgesprekken niet zonder meer duidelijk is. Volgens de raadsman wordt met ‘snu’ en ‘snoe’ geen harddrugs bedoeld, maar nicotinezakjes.
De rechtbank overweegt dat door de verdediging geen verklaring is gegeven voor de woorden ‘sannie’ en ‘sosa’, waarvan de politie heeft gerelateerd dat dit straattaal is voor cocaïne. De rechtbank heeft geen twijfel aan de uitleg die de politie aan deze twee termen heeft gegeven. De rechtbank overweegt verder dat getuige [getuige 2] , met wie verdachte regelmatig contact had en van wie verdachte een bankpas in zijn bezit had, op 3 december 2020, kort na de aanhouding van verdachte, heeft verklaard dat hij twee maanden cocaïne van hem heeft gekocht. In die periode werd het telefoonnummer van verdachte getapt en in een tussen [getuige 2] en verdachte gevoerd tapgesprek wordt een woord gebruikt waarover geen onduidelijkheid kan bestaan, te weten het woord ‘drugs’. [getuige 2] zegt namelijk in een gesprek van 12 november 2020 tegen verdachte: “als jij wil ik zeg als jij wil kan ik die drugs zelf afhalen want ik heb daar nou kleren voor aan”. Uit de tapgesprekken volgt verder dat er bijzonder veel nachtelijke afspraken plaatsvinden met diverse personen, waarvoor verdachte geen geloofwaardige verklaring heeft gegeven, mede gelet op de inhoud van de taps voorafgaand aan gemaakte afspraken. De rechtbank wijst in dit verband specifiek op het tapgesprek van 10 november 2020 waarin een onbekend gebleven vrouw rond half vier in de nacht aan verdachte vraagt of hij rauwe snuif heeft. Als verdachte aangeeft dat niet te hebben en nog wel rook te hebben geeft verdachte aan dat hij er zo aan komt. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gesprek niet anders dan in relatie tot cocaïne (base) worden uitgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en zijn broer [medeverdachte 2] heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.
Heroïne
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte ook heeft gehandeld in heroïne. De rechtbank zal verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. 01.049457.21:
in de periode van 14 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte ten aanzien van beide zaken een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis op te leggen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft – in het geval dat de rechtbank komt tot een veroordeling – verzocht te volstaan met de oplegging van een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft gedurende een periode van anderhalve maand samen met anderen gehandeld in harddrugs. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor het verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende 1 tot 3 maanden, met enige regelmaat, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij de berechting van een zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar na aanvang van de redelijke termijn. Als beginpunt van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn geldt het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt in dit geval als begindatum vast de datum van inverzekeringstelling van verdachte, te weten 1 december 2020. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis (16 september 2026) ligt een periode van 5 jaar en ruim 9 maanden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met 3 jaar en ruim 9 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn niet dient te worden meegewogen in de strafoplegging. De rechtbank zal het door het tijdsverloop veroorzaakte nadeel langs de weg van strafvermindering compenseren. De rechtbank zal daarom geen gevangenisstraf opleggen en volstaan met een taakstraf van een beperkte duur.
Nu de rechtbank verdachte, anders dan de eis van de officier van justitie, vrijspreekt van het tenlastegelegde onder parketnummer 01.307667.22 en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, zal de rechtbank een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.
De rechtbank zal aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, indien verdachte deze taakstraf niet (naar behoren) verricht. De rechtbank zal de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht daarop in mindering brengen, waarbij de rechtbank een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid zal waarderen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
22c, 22d, 47, 63 van het Wetboek van Strafrecht
2, 10 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 01.307667.22 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het tenlastegelegde onder parketnummer 01.049457.21 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf.
T.a.v. 01.049457.21:
Een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W. Heijninck, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 16 september 2026.