RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/398748 / HA ZA 23-733
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser]
advocaat: mr. R. van den Berg Jeths,
tegen
1. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, [gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. kapitaalvennootschap binnen EER Europese Naamloze Vennootschap (SE), HDI GLOBAL SPECIALTY SE,
gevestigd te Hanover (Duitsland),3. kapitaalvennootschap binnen EER, Société Anonyme (S.A.)
HISCOX SA,
gevestigd te Luxembourg (Luxemburg),4. kapitaalvennootschap binnen EER, Designated Activity Company (DAC)
EVEREST INSURANCE,
gevestigd te Dublin (Ierland),
gedaagde partijen,
hierna te noemen: gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] en gedaagde sub 2 tot en met 4 HDI c.s.
advocaat: mr. J. Ekelmans.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 maart 2023
- de incidentele conclusie tot verwijzing ex artikel 220 Rv van 26 april 2023
- antwoord in incident van 5 mei 2023
- vonnis in incident van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2023
- betekening vonnis in incident en oproeping om te verschijnen voor de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2023- de conclusie van antwoord van 31 januari 2024- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- akte overlegging producties tevens wijziging van eis van 9 april 2026
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 juni 2026.
Om organisatorische redenen wordt de zaak behandeld door rechters van de rechtbank Limburg, tevens rechter-plaatsvervangers in de rechtbank Oost-Brabant.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
EPI Zorg B.V. (hierna: EPI Zorg) levert jeugdhulp aan inwoners van de gemeente Eindhoven. Zij richt zich op het doen van psychologisch onderzoek, begeleiding en behandeling van kinderen, jongeren en volwassenen. Eindhovens Psychologisch Instituut (hierna: EPI) is sinds 27 juli 2021 enig aandeelhouder en medebestuurder van EPI Zorg.
[eiser] was van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 financieel directeur en gevolmachtigde van EPI Zorg. Sinds 31 december 2017 is hij bestuurder van EPI Zorg en EPI.
[eiser] heeft van 6 december 2020 tot en met augustus 2021 niet gewerkt in verband met ziekte.
In de periode 2016 tot en met 2018 heeft de gemeente Eindhoven voor de verlening van ambulante specialistische jeugdhulp een basisovereenkomst en drie deelovereenkomsten gesloten met EPI Zorg, op basis van welke overeenkomsten EPI Zorg jeugdzorg leverde aan onder andere inwoners van de gemeente Eindhoven. De cliënten van EPI Zorg komen met name binnen na verwijzingen vanuit het medische circuit (huisarts, jeugdarts of kinderarts).
In de periode juli tot en met september 2018 heeft het college van B&W van de gemeente Eindhoven een ‘inventariserend onderzoek’ uitgevoerd naar tien grote zorgaanbieders van jeugdhulp, waaronder EPI Zorg. In dit onderzoek (dat bestond uit een algemene analyse van declaratiegegevens) viel op dat EPI Zorg overwegend het zwaarste specialistische ggz-product declareerde.
Ook verschenen naar aanleiding van een onderzoek van tv-programma en nieuwssite ‘Follow the Money’ berichten over zorginstellingen die in 2017 en 2018 – volgens de onderzoeksjournalisten – onverklaarbaar hoge winsten hadden gemaakt in de jeugdzorg. Hiertoe behoorde ook EPI Zorg. Uit de jaarrekening over het boekjaar 2016 blijkt dat EPI Zorg over dat jaar een bedrag aan dividend uitkeerde aan de aandeelhouder(s).
Deze bevindingen waren voor de gemeente Eindhoven aanleiding om een nader onderzoek te verrichten in de vorm van een materiële controle waarin zij enkele geanonimiseerde ondersteuningsplannen van EPI Zorg heeft onderzocht. Dit nadere onderzoek heeft de gemeente Eindhoven ertoe gebracht om een bredere materiële controle uit te voeren naar de zorgverlening door EPI Zorg in de periode 2016 tot en met 2018.
In juli 2021 heeft de gemeente Eindhoven aan EPI Zorg laten weten dat zij nog onvoldoende zekerheid had over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de gedeclareerde jeugdhulp in de periode 2016 tot en met 2018. Reden waarom de gemeente Eindhoven een detailcontrole aankondigde van60 dossiers. Deze detailcontrole is vervolgens op 3, 10, 17 en 24 september 2021 uitgevoerd door een commissie, bestaande uit een BIG-geregistreerd arts, een specialist materiële controles en een coördinator van de gemeente Eindhoven, op de locatie van EPI Zorg. De detailcontrole heeft steekproefsgewijs plaats gevonden, waarbij de 60 dossiers zijn geselecteerd door middel van een computerprogramma.
Op 9 september 2021 heeft EPI een aanvraag ingediend voor een bestuurders- en commissarissenaansprakelijkheidsverzekering (hierna: de aansprakelijkheidsverzekering). Die aanvraag heeft zij ingediend bij assuradeur [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] is gevolmachtigde voor diverse verzekeringsmaatschappijen, waaronder HDI, Hiscox en Everest
Met ingang van 1 oktober 2021 is voormelde verzekering afgesloten, voor een verzekerd bedrag van € 1.000,000, per aanspraak en met een maximum van € 2.000,000 per verzekeringsjaar. Hierbij is een volgende verdeling gemaakt:
HDI is verantwoordelijk voor 55% van het totale verzekerde bedrag
Hiscox is verantwoordelijk voor 25 % van het totale verzekerde bedrag
Everest is verantwoordelijk voor 20 % van het totale verzekerde bedrag
Op 19 november 2021 heeft de gemeente Eindhoven aan [eiser] in concept het onderzoeksrapport toegestuurd aangaande de uitgevoerde detailcontroles bij EPI Zorg. De boodschap van dit rapport was dat er nog steeds onduidelijkheid bestaat over de recht- en/of doelmatigheid in 59 van de 60 gecontroleerde dossiers. [eiser] is daarop uitgenodigd voor een gesprek op 17 december 2021 met de gemeente Eindhoven.
Namens EPI Zorg is bij brieven van 10 december 2021, 24 januari en 7 februari 2022 en mondeling op 24 maart 2022 gereageerd op het conceptrapport en de bevindingen van de gemeente Eindhoven.
Bij brief van 29 april 2022 heeft de gemeente Eindhoven het definitieve onderzoeksrapport aan de advocaat van EPI Zorg toegestuurd. In de brief deelt de gemeente Eindhoven mede dat de schriftelijke en mondelinge reacties van EPI Zorg geen aanleiding hebben gevormd voor de gemeente om haar conclusies uit het conceptrapport te herzien.
De gemeente Eindhoven concludeert aan de hand van het onderzoek en de daaruit voortgekomen bevindingen dat de door EPI Zorg geleverde en gedeclareerde zorg in 59 van de in totaal 60 onderzochte dossiers uit de periode 2016 t/m 2018 onrechtmatig en ondoelmatig is.
Bij verzoekschrift van 14 november 2022 heeft de gemeente Eindhoven verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag onder derden en op onroerende zaken ten laste van onder meer EPI Zorg. Bij beschikking van dezelfde datum (14 november 2022, zaaknummer C/01/387374 / BP RK 22-725) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant verlof gegeven voor de verzochte conservatoire beslagen.
Op 14 november 2022 is door de gemeente Eindhoven ten laste van EPI Zorg conservatoir (derden)beslag gelegd onder diverse zorgverzekeraars en onder diverse bankrekeningen. Ook ten laste van [eiser] is op diverse vermogensbestanddelen beslag gelegd. [eiser] is, teneinde de beslagen te laten opheffen, op 13 december 2022 een kortgedingprocedure gestart.
[eiser] heeft op 15 november 2022 een beroep gedaan op de afgesloten verzekering.
Op 28 november 2022 heeft de gemeente Eindhoven de dagvaarding in de hoofdzaak tegen onder andere EPI Zorg en [eiser] uitgebracht.
Namens [eiser] is op 29 november 2022 HDI verzocht om kennis te nemen van de dagvaarding van de gemeente Eindhoven jegens EPI Zorg en [eiser] , met het verzoek om te laten weten of de gesloten aansprakelijkheidsverzekering in dekking voorziet.
Bij brief van 9 december 2022 heeft HDI laten weten dat zij een dekkingsvoorbehoud maakt.
Door de gemachtigde van [eiser] is op 14 december 2022 schriftelijk gereageerd op voormelde brief van HDI, met het verzoek om uiterlijk 22 december 2022 te bevestigen dat de kosten die [eiser] dient te maken, worden vergoed.
Bij vonnis van 23 december 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de gelegde beslagen opgeheven.
Het kortgedingvonnis is door [eiser] op 9 januari 2023 aan HDI gestuurd. Hierbij is benadrukt dat het van belang is dat [eiser] zich kan verweren, om welke reden nogmaals is verzocht om te berichten omtrent de dekking van de te maken kosten.
Bij bericht van 13 januari 2023 is door de advocaat van [eiser] meegedeeld dat een minnelijke regeling is beproefd met de gemeente Eindhoven, met het verzoek of HDI bereid was om bij te dragen aan een dergelijke regeling.
HDI heeft bij brief van 13 januari 2023 laten weten geen dekking te verlenen alsmede de bijdrage voor een eventuele minnelijke regeling niet te vergoeden. Dit heeft zij herhaald bij e-mailbericht van 30 januari 2023.
Omdat [eiser] zich niet kan verenigen met het standpunt van HDI c.s. heeft hij – toen nog gezamenlijk met EPI Zorg – op 21 maart 2023 HDI c.s. gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. Bij vonnis in incident van 24 mei 2023 heeft de rechtbank Amsterdam de zaak verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant.
Op 2 mei 2023 is EPI Zorg failliet verklaard.
Op 18 juni 2024 hebben de gemeente Eindhoven en [eiser] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij het geschil tussen hen met gesloten beurzen is geëindigd. De eerder door de gemeente Eindhoven gestarte procedure, is vervolgens ingetrokken.
Op 22 augustus 2024 is door de curator, [A] , een faillissementsverslag opgesteld, waaruit kort gezegd naar voren komt dat er niet paulianeus is gehandeld door de bestuurder(s) van Epi Zorg.
3. Het geschil
[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat sprake is van dekking onder de verzekeringsovereenkomst voor de kosten van verweer in verband met de tegen [eiser] bij dagvaarding van 28 november 2022 door de gemeente Eindhoven ingestelde procedure en inclusief de kosten die [eiser] heeft moeten maken om de door de gemeente Eindhoven gelegde bankbeslagen en beslag onder zijn woning eraf te krijgen in het door [eiser] daartoe gestarte kort geding;
[gedaagde sub 1] en HDI c.s. hoofdelijk, dan wel in het geval de rechtbank dat redelijk lijkt ieder van gedaagden enkel voor hun aandeel in de polis, te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 94.875,91, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
[gedaagde sub 1] en HDI c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;
[gedaagde sub 1] en HDI c.s. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf vorenbedoelde termijn voor voldoening.
[gedaagde sub 1] en HDI c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Alvorens in te gaan op een inhoudelijke beoordeling, merkt de rechtbank op dat door de gemachtigde van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat [gedaagde sub 1] slechts een tussenpersoon betreft die bemiddelt tussen de verzekeringnemer enerzijds en een verzekeraar anderzijds. [gedaagde sub 1] zelf is geen verzekeraar. Door de gemachtigde van [eiser] is erkend dat [gedaagde sub 1] in zoverre niet kan worden aangesproken tot betaling uit hoofde van enige verzekering. In zoverre worden de vorderingen jegens [gedaagde sub 1] dan ook afgewezen.
Waar gaat het in deze zaak om?
Het gaat in deze zaak om de vraag of HDI c.s. terecht vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op grond van de aansprakelijkheidsverzekering jegens [eiser] heeft geweigerd. [eiser] vordert in deze procedure namelijk de vergoeding van:
de advocaatkosten die hij heeft moeten maken in de kortgedingprocedure van december 2022 teneinde de gelegde beslagen te laten opheffen;
de advocaatkosten die hij heeft moeten maken in de procedure die de gemeente Eindhoven op 28 november 2022 is gestart naar aanleiding van eerder uitgevoerde detailonderzoeken. In het kader van die procedure is uiteindelijk een minnelijke regeling bereikt, maar zijn niettemin advocaatkosten gemaakt.
Uit de overgelegde facturen van de gemachtigde van [eiser] blijkt dat de facturen op naam zijn gesteld van [B] B.V. Dit is een andere kapitaalvennootschap van [eiser] . Omdat [eiser] de facturen niet uit privégeld kon voldoen vanwege de gelegde beslagen door de gemeente Eindhoven, heeft [B] B.V. de betaling van de facturen overgenomen waarbij [eiser] zich heeft verplicht tot het terugbetalen van die facturen aan de B.V. Tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van HDI c.s. desgevraagd verklaard hier geen bezwaren in te zien of een verweer tegen te voeren.
HDI c.s. weigert tot uitkering van de door [eiser] verzochte vergoeding van rechtsbijstand over te gaan. Zij legt, onder verwijzing naar de polisvoorwaarden, een aantal argumenten aan deze weigering ten grondslag, te weten:
[eiser] heeft nagelaten HDI c.s. te informeren over het in opdracht van de gemeente Eindhoven gedane onderzoek aangaande de declaraties van EPI Zorg (handelen in strijd met artikel 7:928 BW);
Een aantal vragen uit het aanvraagformulier van de aansprakelijkheidsverzekering is onjuist beantwoord. Bij een juiste beantwoording van die vragen, zou de verzekering niet zijn gesloten;
De aanvraag is gedaan met het opzet HDI c.s. te misleiden (handelen in strijd met artikel 7:690 lid 5 BW en artikel 5.3 uit de polisvoorwaarden);
De verstrekte verzekering voorziet niet in dekking van de door [eiser] gevorderde vergoedingen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft HDI c.s. te kennen gegeven de afwijzingsgrond die ziet op handelen in strijd met artikel 5.3 uit de polisvoorwaarden, niet langer te handhaven. De overige gronden die aan de weigering om over te gaan tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ten grondslag zijn gelegd, blijven gehandhaafd. Ten aanzien van de facturen zoals die bij akte van 9 april 2026 namens [eiser] in het geding zijn gebracht, merkt HDI c.s. op dat een concrete beschrijving van de werkzaamheden waar de declaraties betrekking op hebben, ontbreekt. Daardoor kan niet worden beoordeeld of deze facturen voor vergoeding in aanmerking komen.
Dekkingsvoorbehoud
De gemeente Eindhoven heeft bij dagvaarding van 22 november 2022 zowel EPI Zorg als [eiser] aansprakelijk gesteld wegens structurele onrechtmatigheden in declaraties bij meerdere dossiers. EPI Zorg heeft toen zelfstandig verweer gevoerd. [eiser] heeft HDI c.s. bij brief van 29 november 2022 verzocht om dekking te verlenen voor kosten van rechtsbijstand die hij verwachtte te moeten maken in de aansprakelijkheidsprocedure die de gemeente Eindhoven tegen hem was gestart. Op dit door [eiser] gedaan verzoek is door HDI c.s. bij brief van 9 december 2022 gereageerd en is een dekkingsvoorbehoud gemaakt. In de brief is het volgende, voor zover van belang, uiteengezet:
“(..) De ten tijde van de aanvraag bekende informatie
Ten tijde van de aanvraag, was u bekend met de met de gemeente gemaakte afspraken en met de eigen werkwijze van de onderneming. U wist ook, dat de gemeente van oordeel was dat zij concrete aanwijzingen had dat die werkwijze structureel niet voldeed aan de gemaakte afspraken. Van de concrete aanwijzingen blijk in elk geval onder meer uit
het gesprek van 21 september 2018
de uitkomst van steekproef van september 2018
de uitkomst van materiele controle in september 2019
de aankondiging van de materiele controle op 2 december 2020
het gesprek op 21 december 2020
de aankondiging van de detailcontrole op 18 maart 2021
het ontbreken van de door de gemeente gevraagde specificatie van de productie
de bevestiging van de detailcontrole op 15 april 2021
de uitvoerige onderbouwing van de detailcontrole in het specifieke controleplan van 6 juli 2021
de dossiercontrole op 3 september 2021
de aangekondigde verdere dossiercontroles op 10 september 2021 en later.
(..)
Dekkingsvoorbehoud
Voorshands zijn wij van oordeel:
a. dat bij de aanvraag niet is voldaan aan de op de aanvrager rustende mededelingsplicht
b. dat wij de verzekering bij juiste kennis van zaken niet zouden hebben gesloten; én
c. dat bij de aanvraag is gehandeld met het opzet ons te misleiden,
zodat wij gerechtigd zijn dekking onder de verzekering te weigeren én deze met dadelijke ingang op te zeggen.
Wij behouden ons dan ook uitdrukkelijk het recht voor om dekking onder de verzekering te ontzeggen én de verzekering te beëindigen. (..)
Dekkingsvoorbehoud Wij zijn voorshands van oordeel dat wij gerechtigd zijn dekking te weigeren op elk van beide hiervoor aangegeven gronden en dat ons ten onrechte geen mededeling is gedaan van het onderzoek door de gemeente en de voortgang daarvan, waaronder bijvoorbeeld ook de voorlopige bevinden van de gemeente van 19 november 2019. Wij behouden ons ter zake alle rechten voor.
Uitnodiging om te reageren
Wij stellen u in de gelegenheid om uw zienswijze over het voorgaande kenbaar te maken én nodigen u uit om ons binnen 14 dagen na heden schriftelijk te berichten. (..)”
Door de gemachtigde van [eiser] is op voormelde brief gereageerd bij e-mailbericht van 14 december 2022. In dit e-mailbericht schrijft de gemachtigde – voor zover van belang – het volgende:
“(..) Wetenschap pas in november 2022 (..) Er vinden (al decennia) jaarlijks, vanuit de meeste gemeentes waar het EPI voor werkt, controles plaats. Dit is standaard. De materiële controle begin 2021 gaf dan ook geen enkele aanleiding tot ongerustheid of bezorgdheid. Er werden jaarlijks controles uitgevoerd en het EPI kreeg daarbij steeds het spreekwoordelijk groen licht.
De heer [eiser] had geen reden om aan te nemen dat, dat in dit specifieke geval anders zou zijn. Dit geldt ook voor de aankondiging van de detailcontrole in juli 2021 en de controles in september 2021. Dat er volgens de gemeente Eindhoven misschien iets aan de hand was bleek pas voor het eerst uit het conceptonderzoeksrapport van 19 november 2021. Er gingen echter nog geen alarmbellen af. Dat er vragen werden gesteld over bepaalde dossiers was niet nieuw. Bovendien had de gemeente aangekondigd dat ze sector breed onderzoek aan het doen was naar 10 grotere zorgaanbieders van jeugdhulp. Het onderzoek betrof louter het EPI als één van die grotere zorgaanbieders en zag slechts op 60 dossiers. Kortom, er was (nog) niets aan de hand. (..)
Dat aanspraak gemaakt zou dienen te worden op de verzekering werd pas voor het eerst duidelijk op 28 november 2022 , toen de heer [eiser] op verzoek van de gemeente Eindhoven werd gedagvaard.. Tot dat moment wist de heer [eiser] niet dat sprake zou zijn van (c.q. de mogelijkheid bestond dat) de gemeente Eindhoven alles van 2016 t/m 2018 zou terugvorderen (in het conceptrapport van eind 2021 wordt niet gerept over het voornemen tot extrapoleren) en dat de heer [eiser] – die pas vanaf 2018 bestuurder is van het EPI en bovendien in de periode december 2020 t/m augustus 2021 zijn functie omwille van ziekte formeel heeft neergelegd (!) – daarvoor persoonlijk aansprakelijk gehouden zou worden. (..)”
Bij brief van 13 januari 2023 heeft HDI de dekking geweigerd. In de brief schrijft HDI, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende:
“Wij hebben in onze brief van 9 december 2022 verwezen naar elf met bullets aangeduide feiten en omstandigheden waaruit die reële dreiging van een aanspraak kan worden afgeleid. Op die bij de elf bullets genoemde feiten en omstandigheden heeft u op 14 december 2022 niet gereageerd.
Bij gebreke van een inhoudelijke reactie op de elf met bullets aangeduide feiten en omstandigheden, moeten wij er voorshands vanuit gaan, dat inderdaad sprake was van een reële dreiging van een aanspraak. Over die onderwerpen behelzen de processtukken immers meer in de detail het volgende: (..)”
De rechtbank stelt voorop dat HDI c.s. een duidelijk dekkingsvoorbehoud heeft gemaakt in de brief van 9 december 2022. Er zijn in die brief in totaal elf omstandigheden naar voren gebracht, op basis waarvan HDI c.s. voorshands de conclusie heeft getrokken dat [eiser] bij de aanvraag van de aansprakelijkheidsverzekering niet heeft voldaan aan de op hem rustende mededelingsplicht. HDI c.s. heeft [eiser] uitgenodigd op die omstandigheden te reageren. Het gaat daarbij enerzijds om duidelijk aanwijsbare momenten zoals gesprekken, maar ook om uitkomsten van onderzoeken en aankondigingen van nieuwe onderzoeken. [eiser] heeft pas bij dagvaarding van 21 maart 2023 inhoudelijk gereageerd op de elf punten die HDI c.s. aan haar dekkingsvoorbehoud ten grondslag heeft gelegd. Weliswaar is in het e-mailbericht van 14 december 2022 gesteld dat [eiser] geen wetenschap had van een (mogelijke) aansprakelijkheidstelling, maar daarmee is niet, althans niet voldoende, inhoudelijk gereageerd op de elf door HDI c.s. aangewezen omstandigheden, momenten en vervolgstappen in het onderzoek van de gemeente Eindhoven. [eiser] heeft slechts in zijn algemeenheid geantwoord dat het zeer gebruikelijk is dat de gemeente Eindhoven nadere controles uitvoerde, omdat dit in de voorgaande jaren wel vaker gebeurde. HDI c.s. heeft echter op basis van die punten wel de conclusie getrokken dat [eiser] niet aan zijn mededelingsplicht zou hebben voldaan tijdens het aanvragen van de aansprakelijkheidsverzekering. Omdat die elf punten inhoudelijk niet waren weersproken door [eiser] , kan de rechtbank HDI c.s. heel goed volgen in de redenering – zoals die ook is neergelegd in de brief van 13 januari 2023 – dat dit de conclusie rechtvaardigt dat [eiser] HDI c.s. onvolledig heeft geïnformeerd bij de aanvraag voor de aansprakelijkheidsverzekering en dat zij om die reden conform haar polisvoorwaarden geen dekking verleent voor de kosten van rechtsbijstand.
Dat [eiser] eerst bij dagvaarding inhoudelijk op de elf punten is ingegaan, komt – nog los van de inhoudelijke beoordeling van die punten – te laat. Op dat moment was een groot deel van alle kosten waar [eiser] in deze procedure vergoeding van vordert, reeds gemaakt. Van [eiser] had mogen worden verwacht dat hij, vóór het maken van die kosten, de door HDI c.s. geboden gelegenheid tot reactie had benut of op andere passende wijze had bewerkstelligd dat HDI c.s. alsnog tot uitkering zou overgaan. [eiser] had namelijk de mogelijkheid om op grond van artikel 14 van de verzekeringsvoorwaarden een klacht in te dienen over de uitvoering van de overeenkomst of bijvoorbeeld HDI c.s. in een kortgedingprocedure te betrekken om (voorlopige) dekking van de kosten te verlangen. Van deze mogelijkheden heeft hij geen gebruik gemaakt maar er desondanks voor gekozen de kosten te maken wetende dat HDI c.s. de dekking al had afgewezen.
De conclusie van het voorgaande is dat HDI c.s. zich terecht op het dekkingsvoorbehoud heeft beroepen. Omdat [eiser] niet tijdig inhoudelijk is ingegaan op de omstandigheden die aan het dekkingsvoorbehoud ten grondslag zijn gelegd, kon HDI c.s. toestemming tot het vergoeden van de kosten van juridische bijstand aan [eiser] weigeren.
Mededelingsplicht
Onverlet het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat ook de inhoudelijke beoordeling van andere aangevoerde gronden ertoe leidt dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden omdat [eiser] de op hem rustende mededelingsplicht heeft geschonden.
De rechtbank stelt voorop dat het juridisch kader in deze zaak met zich brengt dat een verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar naar waarheid alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan de beslissing van de verzekeraar of en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering wil sluiten, afhangt. Handelt de verzekeringnemer in strijd met de mededelingsplicht, dan kán dit gevolgen hebben, zoals dat de verzekeraar bij de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben afgesloten. Dat is hier het geval. De rechtbank acht in dit verband de volgende feiten en omstandigheden van belang.
[eiser] heeft op 9 september 2021 een aanvraag ingediend voor een aansprakelijkheidsverzekering. In het aanvraagformulier is hem de volgende vraag gesteld: “Is de onderneming, één van de bestuurders/directeuren of commissarissen/toezichthouders momenteel betrokken in een lopende procedure of verwacht men daarin op korte termijn betrokken te raken?” Die vraag is door [eiser] ontkennend beantwoord. Ook is gevraagd of de onderneming de afgelopen twee jaar een positief resultaat heeft gehad. [eiser] heeft geantwoord dat dit over 2018 en 2019 het geval was en dat het resultaat over 2020 nog niet bekend was.
De rechtbank merkt op dat door de gemeente Eindhoven al sinds september 2018 onderzoek werd gedaan naar diverse declaraties van EPI Zorg. [eiser] stelt dat dit standaardcontroles betroffen, hetgeen de rechtbank voor wat betreft de eerste controles zonder meer aannemelijk acht. Maar naarmate de tijd vorderde bleef de gemeente Eindhoven nieuwe controles aankondigen omdat er onduidelijkheden c.q. onregelmatigheden bleven bestaan ten aanzien van 60 dossiers. Zo heeft in september 2019 een materiële controle plaatsgevonden. En hoewel [eiser] stelt dat de uitkomst van die controle niet met hem of EPI Zorg is gedeeld, blijkt in elk geval dat naar aanleiding van die controle een nieuwe materiële controle werd aangekondigd die op 2 december 2020 heeft plaatsgehad. Er heeft nog een gesprek plaatsgevonden met de gemeente Eindhoven op 21 december 2020 waarna nog aanvullende informatie is verzocht op 23 december 2020. Ondanks de verstrekte informatie door EPI Zorg, worden nog meer detailcontroles aangekondigd, te weten op 15 april 2021, 6 juli 2021 en 3, 10 en 17 september 2021.
[eiser] stelt dat hij op basis van de aangekondigde en uitgevoerde controles nooit wetenschap heeft gehad van een aansprakelijkstelling. De rechtbank acht het aannemelijk dat er door de jaren heen vaker controles werden uitgevoerd naar de juistheid van declaraties. Maar naarmate de tijd verstreek, namen de controles ten aanzien van de boekjaren 2016-2018 toe in aantal en intensiteit. Door HDI c.s. is gemotiveerd gesteld en door [eiser] is dit niet gemotiveerd weersproken dat meerdere detailcontroles werden uitgevoerd omdat bij steekproeven onregelmatigheden waren geconstateerd. En hoewel dit niet hoeft te leiden tot een aansprakelijkstelling, moet op basis van de diverse controles die door de gemeente Eindhoven werden aangekondigd en ook zijn uitgevoerd op z’n minst rekening worden gehouden dat er mogelijk meer aan de hand was dan louter jaarlijks terugkerende controles. Hiervan had [eiser] HDI c.s. vooraf moeten informeren, zodat HDI c.s. een inschatting had kunnen maken of en welke gevolgen dit voor de verzekering zou hebben. Door dit niet te doen, heeft [eiser] niet voldaan aan de op hem rustende mededelingsplicht. Dat [eiser] pas vanaf 2018 bestuurder was van EPI Zorg, ontslaat hem niet van die verplichting nu de controles allemaal zijn aangekondigd en uitgevoerd ná zijn aantreden als bestuurder. Evenmin kan de arbeidsongeschiktheid over de periode december 2020 tot en met augustus 2021 een excuus zijn, omdat er ook vóór ziekmelding en na zijn hersteld melding zich voldoende ontwikkelingen hebben voorgedaan die [eiser] had dienen te melden bij HDI c.s. ten tijde van de aanvraag. De rechtbank wijst in dit verband op de aankondiging van 2 december 2020 alsmede de dossiercontrole op 3, 10, 17 en 24 september 2021. Bovendien blijkt uit de periodieke evaluatie dat [eiser] medio augustus 2021 zijn werk heeft hervat. Ook in de periode dat [eiser] ziek was, hebben diverse contactmomenten plaatsgevonden met de gemeente Eindhoven. Ondanks dat dit heeft plaatsgevonden toen [eiser] ziek was, dan nog geldt dat [eiser] als bestuurder van EPI en EPI Zorg wordt geacht op de hoogte te zijn. [eiser] had immers een vervanger die op de hoogte was van alle ontwikkelingen en er mag worden verwacht dat [eiser] zich door de vervanger laat informeren over alle relevante omstandigheden die zich hebben voorgedaan toen hij afwezig was. Dat [eiser] niets geweten heeft van de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan tijdens zijn afwezigheid, acht de rechtbank niet aannemelijk en komt dan ook voor rekening en risico van [eiser] .
Tussen partijen is ook nog in debat of [eiser] wel een juiste voorstelling van zaken heeft gegeven over de financiële positie van EPI. Tussen partijen staat vast dat het boekjaar 2020 voor EPI Zorg een verlieslijdend jaar was. [eiser] heeft gesteld dat hij bij de aanvraag van de aansprakelijkheidsverzekering in november 2021 hiervan geen wetenschap had omdat de jaarrekening nog niet gereed was. HDI c.s. acht dit onaannemelijk, omdat in ieder geval in oktober 2021 duidelijk was dat EPI Zorg – de dochtermaatschappij van EPI – een verlies had geleden van € 400.000,00 vanwege de Corona pandemie. De rechtbank kan [eiser] volgen in zijn stelling dat de jaarrekening over het boekjaar 2020 nog niet bekend was ten tijde van het aanvragen en sluiten van de aansprakelijkheidsverzekering, maar de rechtbank is van oordeel dat [eiser] wel een inschatting had kunnen en moeten maken op basis van periodieke financiële informatie, zoals tussentijdse cijfers, managementrapportages of een forecast/prognose. Dat die er niet zouden zijn, of dat het voor [eiser] onmogelijk was om een inschatting te maken, is gesteld noch gebleken.
Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast, dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden.
De kennisgevingsplicht
Een verzekeraar kan zich alleen beroepen op de gevolgen van niet-nakoming van de mededelingsplicht als de verzekeraar de verzekeringnemer binnen twee maanden na ontdekking van de schending van de mededelingsplicht op de niet-nakoming en de mogelijke gevolgen daarvan heeft gewezen. Deze tweemaandentermijn is een vervaltermijn. De termijn begint te lopen op het moment waarop de verzekeraar de niet-nakoming van de mededelingsplicht heeft ontdekt. Meer specifiek gaat het om het moment dat de verzekeraar een voldoende mate van zekerheid heeft dat de mededelingsplicht geschonden is. Een vermoeden van deze schending is hiervoor onvoldoende. Het uitgangspunt is namelijk dat de verzekeraar de ruimte moet hebben om een mogelijke schending van de mededelingsplicht eerst nader te (laten) onderzoeken. Dit is ook in het belang van de verzekeringnemer. Nader onderzoek kan immers voorkomen dat de verzekeringnemer voorbarig met een verwijt van de schending van de mededelingsplicht wordt geconfronteerd.
De rechtbank stelt vast dat HDI c.s. met de brief van 9 december 2022 ruimschoots heeft voldaan aan de verplichting om [eiser] als verzekeringsnemer in kennis te stellen van de geconstateerde schending van de mededelingsplicht, met als doel dat [eiser] daarop kon reageren. [eiser] heeft ook niet betwist dat HDI c.s. heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht, zodat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat HDI c.s. aan de op haar rustende kennisgevingsplicht heeft voldaan.
Gevolgen schending mededelingsplicht
HDI c.s. beroept zich op artikel 7:930 lid 4 BW, waarin wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt, indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering in het geheel niet zou hebben gesloten. Bij beantwoording van de vraag of HDI c.s. bij bekendheid met de ware stand van zaken de verzekering niet zou hebben gesloten, komt het aan op hetgeen een redelijk handelend verzekeraar zou hebben gedaan.
HDI c.s. stelt dat zij bij een juiste stand van zaken niet was overgegaan tot het verstrekken van de verzekering, omdat dit neerkomt op het ‘verzekeren van een brandend huis’. Volgens HDI c.s. bleek uit de cijfers over 2020 dat het financieel niet goed ging met EPI. Als zij dit had geweten tijdens de aanvraag, dan was er nader onderzoek uitgevoerd en was volgens HDI c.s. de communicatie met de gemeente Eindhoven ook aan het licht gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling is door HDI c.s. gesteld dat als deze informatie allemaal boven tafel was gekomen, zeker ook in combinatie met de media-aandacht die de zaak lokaal heeft gehad, dat aanleiding was geweest om de verzekering te weigeren. Dit standpunt is door [eiser] in zijn geheel niet betwist.
De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat HDI c.s. onder de gegeven omstandigheden geen verzekering met [eiser] was aangegaan als [eiser] de vragen uit het aanvraagformulier, zoals benoemd in rechtsoverweging 4.4.2 volledig en naar waarheid had beantwoord. De slotsom is dan ook dat HDI c.s. bevoegd was om de uitkering te weigeren.
Overige punten
Hetgeen partijen overigens verdeeld houdt in deze procedure, waaronder de vraag of de verzekering wel ziet op de in het geding zijnde kosten, of de facturen voldoende specifiek zijn en of HDI c.s. hoofdelijk kan worden veroordeeld, behoeft geen bespreking meer nu dat niet kan leiden tot toewijzing van de vordering.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van HDI c.s. worden begroot op:
griffierecht € 676,00
salaris gemachtigde € 2.580,00
nakosten € 189,00
totaal € 3.445,00
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op heden begroot op € 3.445,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna
wordt betekend,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte, mr. E.V.L. Heuts en mr. M. Koelemeijer en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.