RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/426633 / KG ZA 26-166
Vonnis in kort geding van 8 september 2026
in de zaak van
7A VASTGOEDMAKERS B.V.,
te Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: 7A Vastgoedmakers ,
advocaat: mr. J.P.M. van Beers,
tegen
GEMEENTE HELMOND,
te Helmond,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. A.E. Klomp.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juni 2026 met vier producties
- de akte eiswijziging van 24 augustus 2026 met aanvullende producties 5 t/m 9
- de door de gemeente op 31 augustus 2026 ingediende producties 1 en 2- de mondelinge behandeling die plaats heeft gevonden op 1 september 2026- de pleitnota van de gemeente.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op termijn van twee weken.
2. De feiten
De gemeente heeft op 13 mei 2026 bekendgemaakt voornemens te zijn een
koop-ontwikkelovereenkomst aan te gaan voor een aantal percelen onbebouwde grond te Helmond (stadsdeel West-Houtsdonk) (productie 1 bij dagvaarding, hierna: het voornemen). De gemeente was blijkens de publicatie van oordeel dat bij voorbaat vast stond of redelijkerwijze mocht worden aangenomen dat [A] B.V. en Cedrus Vastgoed Ontwikkeling B.V. de enige serieuze gegadigden waren om de percelen te kopen en ontwikkelen, zodat er volgens de gemeente geen mededingingsruimte hoefde te worden geboden.
A Vastgoedmakers heeft bij brief van 18 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente tot verkoop van de onroerende zaken en heeft verzocht uiterlijk op 26 mei 2026 een reactie te ontvangen rekening houdend met de standstill-termijn van 20 dagen.
Omdat 7A Vastgoedmakers op 28 mei 2026 nog geen reactie van de gemeente had ontvangen, heeft zij per e-mail van 28 mei 2026 bij de gemeente aangekondigd dat zij een kort geding zou starten. Hierop heeft de gemeente verhinderdata opgegeven.
Op 14 juli 2026 heeft de gemeente in een telefoongesprek met 7A Vastgoedmakers medegedeeld dat zij het voornemen zou intrekken en het ‘Didam-arrest’ (HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) in acht zou nemen bij een volgend aanbod van de onroerende zaken.
Het besluit tot intrekking van het voornemen is op 30 juli 2026 openbaar gepubliceerd in het gemeenteblad.
3. Het geschil
A Vastgoedmakers heeft haar eis gewijzigd bij akte van 24 augustus 2026 en vordert na deze wijziging - samengevat - de gemeente te gebieden om,
I. indien zij de in de publicatie van 13 mei 2026 genoemde percelen alsnog wenst te verkopen, uit te geven of te ontwikkelen, daarvoor vooraf een objectieve, transparante en openbare selectieprocedure te organiseren, en
II. de gemeente te veroordelen in de reële proceskosten van 7A Vastgoedmakers in deze procedure,
III. (subsidiair) de gemeente te veroordelen in de proceskosten conform het gebruikelijke liquidatietarief,
IV. (meer subsidiair) te bepalen dat 7A Vastgoedmakers niet wordt veroordeeld in de proceskosten van de gemeente.
Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting heeft 7A Vastgoedmakers het gevorderde onder I ingetrokken, dit naar aanleiding van de (herhaalde) toezegging ter zitting van de gemeente dat zij indien zij de onroerende zaken (opnieuw) op de markt wil aanbieden, de voorschriften zoals bepaald in het ‘Didam I-arrest’ zal volgen.
De (resterende) vorderingen (II t/m IV) van 7A Vastgoedmakers zien dus nog (slechts) op de proceskostenveroordeling.
7A Vastgoedmakers stelt zich voor wat betreft deze vorderingen op het standpunt dat de gemeente de daadwerkelijke proceskosten moet vergoeden omdat, kort samengevat, de gemeente heeft nagelaten om binnen de ‘standstill-termijn’ te reageren op het gemotiveerde bezwaar dat 7A Vastgoedmakers (op 18 mei 2026) tegen het voornemen heeft gemaakt, waardoor 7A Vastgoedmakers genoodzaakt was een kort geding aanhangig te maken teneinde haar rechten veilig te stellen. Vervolgens heeft de gemeente pas geruime tijd na betekening van de dagvaarding besloten het voornemen (alsnog) in te trekken. Indien de gemeente tijdig inhoudelijk op het bezwaar van 7A Vastgoedmakers had gereageerd, de standstill-termijn had opgeschort, of direct inzicht had gegeven in haar gewijzigde standpunt, had de kort gedingprocedure voorkomen kunnen worden.
De gemeente heeft verweer gevoerd en stelt – kort samengevat – dat zij per e-mail van 4 augustus 2026 (productie 6 bij dagvaarding) een minnelijke regeling heeft voorgesteld, waarbij zij heeft aangeboden de forfaitaire proceskosten van 7A Vastgoedmakers tot dan toe, te weten het salaris advocaat en de kosten van de betekening van de dagvaarding, te vergoeden.
4. De beoordeling
Vast staat dat de gemeente na de door 7A Vastgoedmakers geuite bezwaren terug is gekomen op haar voornemen tot verkoop van de onroerende zaken over te gaan.
Eveneens staat vast dat een (inhoudelijke) reactie van de gemeente naar aanleiding van de brief van 7A Vastgoedmakers van 18 mei 2026 is uitgebleven, en dat de gemeente pas 1,5 maand na betekening van de dagvaarding aan 7A Vastgoedmakers heeft medegedeeld dat zij het voornemen zou intrekken. Gegeven deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat een veroordeling van de gemeente in de proceskosten op zijn plaats is.
Voor toewijzing van een reële proceskostenveroordeling, zoals primair door 7A Vastgoedmakers gevorderd, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen termen aanwezig. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
De (primaire) vordering van 7A Vastgoedmakers tot vergoeding van de volledige, reële proceskosten wordt afgewezen. Een dergelijke vordering is alleen toewijsbaar in buitengewone omstandigheden zoals bij misbruik van procesrecht of bij onrechtmatig handelen. 7A Vastgoedmakers heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd dat van dergelijke buitengewone omstandigheden aan de zijde van de gemeente sprake is (geweest).
De subsidiaire vordering wordt gedeeltelijk toegewezen op grond van de hiernavolgende overwegingen.
De gemeente heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting in deze procedure, in haar brief van 4 augustus 2026 aangeboden om de forfaitaire proceskosten van 7A Vastgoedmakers tot dan toe, bestaande uit het salaris advocaat en de kosten van de betekening van de dagvaarding te vergoeden. Dit voorstel heeft 7A Vastgoedmakers om haar moverende redenen niet geaccepteerd waarna zij het heeft laten aan komen op de mondelinge behandeling in deze kort gedingprocedure.
Nu namens 7A Vastgoedmakers geen gegronde en onderbouwde reden is aangevoerd om tot vergoeding van de volledige (reële) proceskosten over te gaan, en gelet op het nadrukkelijke aanbod van de gemeente voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting ziet de voorzieningenrechter aanleiding de door de gemeente te betalen proceskosten te begroten in lijn met het door de gemeente gedane voorstel, waarbij het griffierecht voor rekening van 7A Vastgoedmakers blijft.
De proceskosten van 7A Vastgoedmakers worden aldus begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- salaris advocaat
€
1.177,00
Totaal
€
1.302,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 1.302,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026