RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.282935.25
Datum uitspraak: 22 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1992],
wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2026, 14 april 2026, 9 juli 2026 en 8 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 november 2025.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 januari 2026 en 8 september 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] (medewerker [GGZ-instelling] )
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door
die [slachtoffer 1] met veel kracht met de vuist tegen het rechteroog en/of de neus te slaan,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] (medewerker [GGZ-instelling] )
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] met veel kracht met de vuist tegen het rechteroog en/of de
neus heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught
[slachtoffer 1] (medewerker [GGZ-instelling] ) heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met veel kracht
met de vuist tegen het rechteroog en/of de neus te slaan,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had
en/of terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de
rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 2] (medewerker [GGZ-instelling] )
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 2] met veel kracht met de vuist tegen de ribben heeft geslagen en/of met veel kracht in de hand heeft gebeten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught,
[slachtoffer 2] (medewerker [GGZ-instelling] ) heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] met veel kracht met de vuist
tegen de ribben te slaan en/of met veel kracht in de hand te bijten,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 3 primair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 3] ((medewerker [GGZ-instelling] )
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 3] met veel kracht tegen de kin/kaak, althans het gezicht heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 3 subsidiair:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught
[slachtoffer 3] (medewerker [GGZ-instelling] )
heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] met veel kracht
tegen de kin/kaak, althans het gezicht te trappen
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter
zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
T.a.v. feit 4:
hij op of omstreeks 21 oktober 2025 te Vught,
[slachtoffer 4] (medewerker [GGZ-instelling] ) heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] tegen een bureau te duwen en/of tegen het sleutelbeen en/of de onderrug te slaan,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
Op 21 oktober 2025 heeft er een geweldsincident plaatsgevonden op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) van [GGZ-instelling] in Vught, waar [verdachte] (hierna: verdachte) was opgenomen op grond van een zorgmachtiging. Op genoemde datum werd de kamer van verdachte gecontroleerd omdat er een vermoeden bestond dat verdachte verdovende middelen had gebruikt. Bij deze controle werd er een joint aangetroffen. Vlak na deze controle vond een tweede controle plaats in verband met een wietlucht. Tijdens deze controle heeft verdachte een medewerker fysiek belaagd. Hierop werd besloten dat verdachte moest worden overgebracht naar de separeercel. Verdachte heeft zich bij het overbrengen naar de separeercel fysiek gekeerd tegen meerdere medewerkers van de FPA. Door of namens vier medewerkers is aangifte van (poging tot) (zware) mishandeling gedaan.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1 primair), de mishandeling van [slachtoffer 2] door hem te bijten (feit 2 subsidiair), de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] (feit 3 primair) en mishandeling van [slachtoffer 4] (feit 4), telkens begaan tegen een ambtenaar in de uitoefening van zijn/haar functie.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de (poging tot) zware mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1 primair en subsidiair), de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 2 primair) en de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] (feit 3 primair). Tevens kan in de visie van de verdediging niet bewezenverklaard worden dat verdachte slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geslagen zodat hij ook hiervoor partieel vrijgesproken dient te worden (onderdeel van feit 2 subsidiair). De raadsman heeft zich ten aanzien van het overige ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank baseert haar oordeel op de navolgende bewijsmiddelen.
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , d.d. 22 oktober 2025 (p. 8 e.v.) voor zover inhoudende: Ik ben werkzaam op [GGZ-instelling] in Vught.
Gister, dinsdag 21 oktober 2025 (..) Omstreeks 17:10 uur op deze dag, zijn wij naar de kamer van [verdachte] gegaan.
(..) Ik keek op dat moment naar [slachtoffer 3] , die net achter de collega die naast mij stond. Ik voelde op dat moment één doffe klap op mijn rechteroog. Ik vermoed dat dit met een vuistslag gedaan is met zijn linker vuist. [verdachte] is iets kleiner dan ik, dus hij heeft naar boven moeten uithalen. Direct na de klap zag ik even niks meer. Ik kan niet meer vertellen wat hierna is gebeurd. Ik denk dat ongeveer 25 seconden later, ik mij weer wat kan herinneren. Ik zag namelijk de andere 8 collega's in de separeer cel bovenop [verdachte] liggen. Hierop ben ik ook weer de separeer cel ingegaan. Ik voelde dat er bloed uit mijn neus kwam. Ik zag dat er overal bloed zat.Op dat moment zag ik even dubbel. (..) Toen ik deze vuistslag had gekregen voelde ik door de adrenaline niet meteen wat. Ik denk dat na ongeveer die 25 seconden, toen ik mij weer wat kon herinneren, ik een enorme pijnscheut achter mijn rechteroog voelde. Ook deed mijn neus enorm pijn, dat verklaart ook waarom het zo heeft gebloed.Ik denk dat het op een schaal van 1 tot 10 wel een 10 krijgt voor de pijn aan mijn oog. Ik geef de pijn aan mijn neus een 8.Toen ik later in de wc mijn neus schoon ging maken, omdat deze onder het bloed zat, heb ik ook mijn lens uit mijn rechteroog gehaald. Ik had het idee dat mijn oog helemaal iets naar achter stond.(..) Opmerking verbalisant: op het moment van het doen van aangifte zie ik aan het rechteroog van het slachtoffer een blauwe plek onder en boven zijn oog zitten. Verder lijkt het oog wat opgezwollen.
Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 oktober 2025 (p. 31 e.v.) voor zover inhoudende: (..) Er kwamen verschillende mensen in beeld, ik zal ze hieronder omschrijven:Verdachte [verdachte]
(..) Vrouwelijke medewerkster met donker haar in een staart, hierna te noemen medewerkster 1.Mannelijke medewerker met een kaal hoofd, hierna te noemen medewerker 2.Mannelijke medewerker met korte mouwen, hierna te noemen medewerker 3.(..) "C3038-FPA-Separeercel Links 10-21-25.mp4"dit was van de camera in de separeercel. De deur van de separeercel stond open.Linksboven in het beeld stond C3038 - FPA - Separeercel Links, midden onder in het beeld stond 10-21-2025 16:44:26.(..) - [verdachte] deed een stap naar voren en haalde met zijn linkerarm uit en sloeg medewerker 2 met kracht tegen het rechter oog.- [verdachte] deed een stap naar achteren en stondin vechthouding in de separeer.- [verdachte] deed nog een stap naar achteren maar werd aan zijn linkerarm vastgehouden door medewerkster 1.- [verdachte] kwam los en stond net in de separeer met gespreide benen in vechthouding.- [verdachte] deed een stap naar voren, stond met gespreide armen in de deuropening en hij deed zijn rechterbeen naar achteren alsof hij wilde aanvallen.- medewerker 2 hield zijn hand bij zijn rechter oog.- [verdachte] haalde uit met zijn rechterbeen, en schopte met kracht naar links om de hoek van de deuropening.- daarna deed [verdachte] weer een stap naar achteren, hij stond als een bokser te huppelen.
- medewerker 3 stond met afwerende handen/armen op ongeveer een meter afstand van [verdachte] .- bijna tegelijkertijd sprong medewerker 3 naar voren en greep [verdachte] om zijn middel zodat zij samen op het matras vielen wat daar op de grond lag.(..) - medewerker 3 en nog een medewerker lagen ter hoogte van het hoofd van [verdachte] .
Proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2025 (p. 54 e.v.) voor zover inhoudende: Ik hoorde het slachtoffer [slachtoffer 1] desgevraagd zeggen dat hij via zijn huisarts zijn medische dossier van het betreffende incident zou opvragen. Op dinsdag 28 oktober 2025 ontving ik, verbalisant [verbalisant 1] , zijn genoemde medische dossier. Deze werd, met toestemming van het slachtoffer, in een fotomap als bijlage bij dit-proces verbaal gevoegd.
(rechtbank: uit de foto's blijkt het volgende:) Verslag JBZ:stomp trauma oog/aangezicht.21-10-2025: CT aangezichtTweeledige fractuur van de mediale orbitawand posterieur en meer anterieur. Opvulling van meerdere etmoïdecellen rechts, waarschijnlijk met bloed.Lichte asymmetrie in de stand van de oogbol rechts zonder significante proptosis. Geen overige aangezichtsfracturen of relevante nevenbevindingen.Conclusie: Mediale orbitawand fractuur rechts met peri- en intra-orbitaal emfyseem. Geen significante proptosis.
mijngezondheid.net:28-10-2025evaluatie: flitsen re oogStomp oogletsel met breuk in oogkas en mogelijke prikkeling van het netvlies. Verwijzing naar oogarts voor verder onderzoek.
Proces-verbaal van aangifte door [manager afdeling FPA] namens slachtoffer [slachtoffer 2] op 22 oktober 2025 (p. 12 e.v.) voor zover inhoudende: Ik, [manager afdeling FPA] , manager van de afdeling FPA van [GGZ-instelling] , ik doe aangifte voor zware mishandeling wat heeft plaatsgevonden richting meerdere medewerkers op de afdeling.
(..) Dit is het verhaal wat bij mij kenbaar is gemaakt:(..) Op dinsdag 21 oktober 2025, omstreeks 13:00 uur, kwam [verdachte] na het krijgen van vrijheden terug op de afdeling. [verdachte] kwam door de sluis. Hier wordt hij gecontroleerd of hij onder invloed is van verdovende middelen. De verpleging constateerde dat dit het geval was. (..) Verpleging heeft vervolgens het beleid gemaakt dat [verdachte] een kamerprogramma kreeg.(..) Rond 16:30 uur rook de verpleging opnieuw een wiet geur over de afdeling.(..) In overleg met de klinisch psycholoog Hanneke Bikker-de Bruijn werd het nieuwe beleid om [verdachte] te separeren.(..) Op het moment dat de verpleging en [verdachte] bij de separeer aankomen sloeg de sfeer om.(..) [verdachte] gaf direct een harde vuistslag in het gezicht van een medewerker [slachtoffer 1] . Vervolgens zou [verdachte] een karatetrap hebben gegeven in het gezicht van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] kon op tijd terug uit stappen waardoor ze licht is geraakt in het gezicht. [verdachte] liet duidelijk merken dat hij bereid was om te vechten. [verdachte] liet zijn kickboks ervaring zien.Vanaf dit moment ging de verpleging [verdachte] proberen te fixeren. Tijdens het fixeren waren in totaal zeker zeven personen betrokken. Tijdens de fixatie beet [verdachte] in de hand van [slachtoffer 2] .
Proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2025 (p. 59 e.v.) voor zover inhoudende:
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , verklaar het volgende:Contact gehad met [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] gaf aan op dit moment ziek thuis te zitten door het incident.Hij gaf aan dat hij na het incident meteen naar de spoedeisende hulp was gegaan in het Jeroen Bosch Ziekenhuis. En dat hij contact had gehad met zijn huisarts. Betrokkene gevraagd dat wij op de medische gegevens van het incident zitten te wachten en de foto's van het letsel. Betrokkene zou de medische gegevens op gaan vragen bij zijn huisarts en deze naar verbalisant sturen.(rechtbank: bijlage huisartsjournaal, hieruit blijkt het volgende:)
22-10-2025: (…). gebeten in pols, gesloten wond. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] op 24 oktober 2025 (p. 15 e.v.) voor zover inhoudende:Ik doe aangifte van eenvoudige mishandeling tegen een bewoner van de Forensisch Psychiatrische Afdeling [adres] , [verdachte] .
Ik ben werkzaam als verpleegkundige bij de FPA. Op 21 oktober 2025 had ik een avonddienst. Ik moest samen met [slachtoffer 4] , [medewerker FPA 1] en [medewerker FPA 2] een kamercontrole uitvoeren bij de heer [verdachte] .Er hangt geen camera in deze kamer. [verdachte] was gespannen, hij was verbaal agressief. Ik hoorde dat hij zei:" Opkankeren oprotten". "Ik maak jullie helemaal kapot" .(…) Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 4] met twee handen ter hoogte van haar schouders naar achter duwde. Ik vond dat hij vrij hard duwde. Ze stond bij een bureau en ik zag dat ze daar tegen aan botste met haar benen en billen door deze duw. (…)Daarna zijn we de kamer uitgegaan en hebben we een plan gemaakt om [verdachte] te separeren. We hebben ervoor gekozen om er mensen bij te halen. We waren met ongeveer elf mensen die echt konden handelen en een behandelaar. Ik zag dat [verdachte] mee liep zonder agressie.(…) Ik zag dat [verdachte] in de opening van de separeer ging staan. Toen ging het snel. [verdachte] heeft met zijn rechterarm/vuist naar mijn collega [slachtoffer 1] uitgehaald. Ik zag dat [verdachte] volle bak uithaalde richting zijn gezicht.Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] tegen zijn gezicht raakte. Ik zag dat [slachtoffer 1] uit evenwicht raakte door de klap.(…) Ik stond voorop aan de zijkant om [verdachte] te pakken maar dit lukte niet alleen. Toen kreeg ik opeens een schop tegen de linkerzijde van mijn gezicht van [verdachte] . Ik weet niet meer of ik op dat moment pijn had omdat ik zo vol zat met adrenaline. Ik kan niet zeggen dat ik de schop zag aankomen. Ik voelde dat [verdachte] mij raakte met zijn schoen tegen mijn kin en kaak. [verdachte] droeg sportschoenen/sneakers. Doordat ik werd geraakt verloor ik mijn evenwicht en botste ik met mijn rechterschouder tegen de muur aan waardoor ik blauwe plekken heb opgelopen.Ik kan niet zeggen of ik pijn voelde op dat moment, ik voelde wel op dat moment dat ik iets hards in mijn mond had en ik merkte op dat mijn tanden beschadigd en ruw waren. Ik spuugde tijdens het handelen dit harde stukje uit. Dit bleek een stukje tand te zijn.Ik zag dat [verdachte] weer in vechthouding gaat staan alsof hij klaar was om de volgende te pakken. (…) Collega [slachtoffer 2] was er ook bij, hij had het hoofd gepakt en hij zat bij de rechterarm van [verdachte] . Ik zette druk op de benen van [verdachte] . Ik hoorde [slachtoffer 2] roepen: "niet bijten niet bijten." [slachtoffer 2] liet later in de separeercel zijn hand aan mij zien. Ik zag een rode kring van met tandafdrukken.(…) Ik zag in de separeer later nog dat er druppels bloed lagen en toen bleek dat er bloed uit de neus van [slachtoffer 1] kwam. Toen we uit de separeer waren zag ik dat er bloed uit de neus van [slachtoffer 1] kwam.Voordat ik de schop kreeg van [verdachte] had ik geen schade/slijtage aan mijn tanden.Ik had geen blauwe plekken en geen andere pijnklachten.Ik zag en voelde dat mijn rechtervoortand beschadigd was.Mijn ondertanden aan de voorzijde voelde anders dan voor klap. Ook beschadigd en ruw.Mijn kaak is gevoelig richting mijn oor. Onder bij mijn kin is een bepaald punt waar het blauw dik en gevoelig is. Dit had ik ook niet voordat ik die trap kreeg. Mijn rechterschouder/bovenarm een blauwe plek ten grootte van een 1 a 2 euromunt.Ik ben de dag erna naar de huisarts gegaan met betrekking tot mijn kin en kaak. De huisarts zei dat het een kleine kneuzing onder mijn kin blijkt te zijn. Daarna ben ik meteen naar de tandarts gegaan. De tandarts constateerde dat mijn tanden lichte slijtage hadden, kleine stukjes afgebroken. De tandarts heeft mijn tanden bijgeslepen zodat het niet meer ruw en scherp was.
Proces-verbaal van bevindingen (p. 44 e.v.) voor zover inhoudende:Op 28 oktober 2025 ontving ik via e-mail een bestand van aangever [slachtoffer 3] .
Dit betrof een screenshot van "uw zorg online". [slachtoffer 3] is op 22 oktober 2025 gezien door huisarts dr. S.L.J.W. Rutten.Ik zie in het screenshot de volgende tekst staan:22 oktober 2025Evaluatie: Gekneusde kaak
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] op 24 oktober 2025 (p. 23 e.v.) voor zover inhoudende: Ik doe aangifte van mishandeling. Ik ben tijdens het uitvoeren van mijn werk mishandeld door een cliënt. Ik ben werkzaam bij [GGZ-instelling] in Vught. Ik werk op de forensische psychiatrische afdeling binnen [GGZ-instelling] .(…) Om 16:15 uur, kwam ik terug bij de kamer van [verdachte] .
(…) Ik zag dat hij op mij af kwam gelopen met versnelde pas. Ik zag dat hij snel naar mij toeliep, waardoor ik niet weg kon. Ik zag dat hij mij met twee handen vastpakte bij mijn trui. Dit was boven mijn borst. Hij trok mij naar hem toe en ik zag dat hij mij tegen het bureau aan duwde.Ik voelde dat ik met mijn rug, billen en onderbenen tegen het bureau aan werd geduwd.(…) Ik ben getuige geweest van mishandelingen van collega's.Ik zag dat hij met de rechter vuistslag in het gezicht van [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: sloeg). Ik zag dat dit een harde uithaal was en ik zag dat [slachtoffer 1] wankelend op zijn benen stond en een bloedneus had.
Ik zag dat hij binnen een seconde een trap in het gezicht van [slachtoffer 3] kwam. Ik zag dat [slachtoffer 3] naar achteren kon waardoor ze wel geraakt is, maar niet met volle kracht. Ik zag [verdachte] gericht op het gezicht schopte. Ik heb het volgende letsel overgehouden aan de mishandeling:(…)
- Ik had ook pijn aan de achterkant van mijn benen en mijn billen. Ik heb hier ook twee dagen last van gehad.- Ik had ook pijn aan mijn beide armen. Ik voelde dat mijn bovenarmen stram waren en gevoelig. Dit was ook tot twee dagen.- Ik had ook last van mijn onderrug. Ik voel dit nu ook nog steeds. Als ik een beweging naak voel ik een zeurende pijn.
Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs.
T.a.v. feit 1:
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat, buiten de in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aangeduide gevallen, bij de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, de volgende gezichtspunten van belang zijn: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever [slachtoffer 1] eenmaal met veel kracht met de vuist tegen het rechteroog en de neus heeft geslagen. Verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij aangever een gerichte klap heeft gegeven met zijn vuist. Aangever [slachtoffer 1] heeft hierdoor letsel opgelopen. Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat er sprake was van een dubbele breuk van de oogkas (‘tweeledige fractuur van de mediale orbitawand posterieur en meer anterieur’) en lucht in de weefsels van/rondom de oogkas (‘peri- en intra-orbitaal emfyseem’). Bij het opnemen van de aangifte zijn door de verbalisant blauwe plekken rondom het oog en een zwelling waargenomen. Verder blijkt uit de medische informatie dat aangever is doorverwezen naar de oogarts en dat er een afwachtend beleid werd gevoerd. Uit het dossier en de vordering benadeelde partij volgen geen verdere bijzonderheden met betrekking tot het herstel van de breuken, de zwelling en de blauwe plekken. Ook is niet gebleken van een ziekenhuisopname of operatie. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de oogkas/neus van aangever na enige tijd volledig waren genezen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het letsel van aangever [slachtoffer 1] , indachtig de hiervoor genoemde gezichtspunten, niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Uit de stukken die bij het verzoek om schadevergoeding zijn gevoegd blijkt weliswaar nog dat aangever tot op heden last heeft van flitsen in zijn rechteroog maar hieruit kan niet worden opgemaakt of deze flitsen passen bij of voortkomen uit het door aangever op 21 oktober 2025 opgelopen letsel. Met andere woorden: naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden vastgesteld dat de flitsen het gevolg zijn van de klap die verdachte heeft gegeven.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder feit 1 primair ten laste gelegde zware mishandeling.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of er sprake is geweest van een poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair). Om te kunnen komen tot bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.
Niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1] . Vervolgens is het de vraag of verdachte opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar lichaamsdeel is en dat wanneer met veel kracht met gebalde vuist tegen het oog wordt geslagen, de aanmerkelijke kans bestaat op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. Dat aangever [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen blijkt niet alleen uit het letsel dat bij hem is geconstateerd (twee breuken in de oogkas) maar ook uit verdachtes verklaring dat hij gericht heeft geslagen, uit de verklaringen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] dat het ging om een forse klap waardoor [slachtoffer 1] uit evenwicht raakte en een bloedneus kreeg en uit de verklaring van [slachtoffer 1] zelf dat hij na de klap enkele seconden niets meer zag en zich enkele seconden niets herinnerde. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair) dan ook wettig en overtuigend bewezen.
T.a.v. feit 2
Net als de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezenverklaard kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] (feit 2 primair), noch dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen (onderdeel van feit 2 subsidiair). Dit ligt anders voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 2] door hem te bijten. De aangifte door [manager afdeling FPA] vindt op dit punt steun in de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3] die [slachtoffer 2] heeft horen roepen “niet bijten, niet bijten” en in het letsel aan de hand van [slachtoffer 2] .
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem in de hand te bijten (feit 2 subsidiair).
T.a.v. feit 3:
Zoals hiervoor reeds werd overwogen, moet, om te kunnen komen tot bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling, sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [slachtoffer 3] . Vervolgens is het de vraag of verdachte opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad in de zin dat hij de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar lichaamsdeel is. Wanneer met geschoeide voet tegen het gezicht wordt getrapt, bestaat de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel. Dat verdachte met zeer veel kracht heeft getrapt en dat [slachtoffer 3] daardoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen is, naar het oordeel van de rechtbank, ook af te leiden uit de verklaring van [slachtoffer 4] . Hieruit blijkt dat aangeefster [slachtoffer 3] nog op tijd achteruit kon stappen waardoor ze (rechtbank: slechts) licht in het gezicht werd geraakt. Desondanks heeft aangeefster [slachtoffer 3] schade aan haar voortanden opgelopen door de trap en was haar kaak, gekneusd, en daarnaast blauw, dik en gevoelig.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 3 primair.
Ambtenaar in functie.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de term ‘ambtenaar’ in artikel 304 Sr zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook is begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd (HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6793). De feiten zijn gepleegd tegen medewerkers van zorginstelling [GGZ-instelling] waar verdachte in het kader van een machtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) verbleef. De verplichte en gedwongen zorg van een persoon die op grond van een zorgmachtiging is opgenomen in een zorginstelling is een overheidstaak. De medewerkers van de instelling die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden, aan te merken als ambtenaren in de zin artikel 304 Sr.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1 subsidiair:
op 21 oktober 2025 te Vught
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , medewerker [GGZ-instelling] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] met veel kracht met de vuist tegen het rechteroog en de
neus heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
T.a.v. feit 2 subsidiair:
op 21 oktober 2025 te Vught,
[slachtoffer 2] , medewerker [GGZ-instelling] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2]
in de hand te bijten,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
T.a.v. feit 3 primair:
op 21 oktober 2025 te Vught
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 3] , medewerker [GGZ-instelling] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 3] met veel kracht tegen het gezicht heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
T.a.v. feit 4:
op 21 oktober 2025 te Vught,
[slachtoffer 4] , medewerker [GGZ-instelling] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] tegen een bureau te duwen,
terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met verpleging van overheidswege wordt opgelegd en daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. De bewezenverklaring zoals door de verdediging bepleit, rechtvaardigt een TBS-maatregel niet en bovendien zou dat zinloos zijn gelet op de niet-meewerkende houding van verdachte. Mocht de rechtbank wel een TBS-maatregel opleggen dan zou hiernaast een gevangenisstraf van 12 maanden passend zijn zodat verdachte direct op de wachtlijst kan worden geplaatst.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van geweld tegen vier medewerkers van de [GGZ-instelling] waar hij op grond van een zorgmachtiging verbleef. De verdachte heeft slachtoffer [slachtoffer 4] mishandeld door haar te duwen, op het moment dat zij zijn kamer wilde doorzoeken omdat het vermoeden bestond dat hij daar wiet gebruikte. Toen hij vervolgens door een aantal medewerkers naar de separeercel werd overgebracht, heeft verdachte slachtoffer [slachtoffer 2] mishandeld door hem in de hand te bijten en heeft hij hard met de vuist op het oog van [slachtoffer 1] geslagen en met geschoeide voet in het gezicht van [slachtoffer 3] getrapt. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij dit geweld heeft gepleegd zonder noemenswaardige aanleiding en in de richting van zorgmedewerkers. Geweld tegen zorgverleners is ontoelaatbaar en dient zwaar te worden bestraft, omdat zorgverleners door dergelijke feiten vanuit gevoelens van onveiligheid worden belemmerd in het uitoefenen van hun vak. Daarnaast ondervinden slachtoffers van dit soort feiten daar vaak nog lang last van.
De persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het meest recente uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen werd veroordeeld voor onder meer vermogensdelicten, vernieling en bedreiging. Aan verdachte werd eerder een terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Deze gemaximeerde TBS-maatregel is in 2021 omgezet naar een TBS-maatregel met dwangverpleging die in mei 2025 is beëindigd. Verdachte is aansluitend met een zorgmachtiging op grond van de Wvggz opgenomen in de instelling waar onderhavige feiten hebben plaatsgevonden.
Over verdachte is op 11 juni 2026 een Pro Justitia rapport uitgebracht door het Pieter Baan Centrum. De psychiater en de psycholoog stellen in dit rapport dat er bij verdachte sinds de vroege adolescentie sprake is van ernstige en complexe psychiatrische problematiek, die op negatieve wijze op elkaar ingrijpt en elkaar versterkt en heeft geresulteerd in een lang bestaand patroon van ernstig sociaal en maatschappelijk disfunctioneren. Diagnostisch wordt allereerst gesproken van schizofrenie. Hoewel tijdens het onderzoek geen sprake is van een floride psychotisch toestandsbeeld, zijn er wel (rest)symptomen van een psychose, ondanks de anti-psychotische behandeling. Daarnaast is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis waarbij, op basis van de PCL-R test, aanvullend van trekken van psychopathie gesproken wordt. Tot slot wordt gesproken van een problematisch gebruik van middelen in de zin van een stoornis in het gebruik van cannabis en in het gebruik van tabak, beiden ernstig. Anders dan in het rapport dat in 2018 over verdachte werd uitgebracht wordt door de deskundigen niet gekomen tot een stoornis in het autismespectrum. De vastgestelde stoornissen waren allen aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.
De deskundigen menen dat verdachtes antisociale persoonlijkheidsproblematiek (met name de agressieregulatie-, emotieregulatie-, en impulscontrole-problematiek, het gebrek aan empathie, het egocentrisch perspectief en de sterke gerichtheid op de eigen directe behoeftebevrediging), alsmede de verslavingsproblematiek, aanzienlijk hebben doorgewerkt in de hem ten laste gelegde feiten en wel in die mate dat zij het handelen van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten in sterke mate bepaald hebben. De deskundige adviseren de hem tenlastegelegde feiten in een tenminste verminderde mate toe te rekenen.
Met betrekking tot het recidivegevaar overwegen de deskundigen dat schizofrenie een niet te genezen aandoening is waarbij thans, ondanks behandeling met antipsychotische medicatie in depotvorm, nog immer sprake is van (rest)symptomen. Zowel de antisociale persoonlijkheidsproblematiek als de verslavingsproblematiek zijn hardnekkig, waarbij kijkend naar de afgelopen jaren, behandelaren weinig positief zijn voor wat betreft de gemaakte vooruitgang. Het is problematisch dat het verdachte aan ziekte-inzicht en ziektebesef ontbreekt, hij meent geen behandeling nodig te hebben, hij niet wil stoppen met blowen, hij de noodzaak van medicatie niet ziet en veelal vijandig staat ten opzichte van behandelaren. Het is zorgwekkend dat de huidige tenlastegelegde feiten
passen in patroon van eerdere forse geweldplegingen binnen reeds zeer gestructureerde en
hoog beveiligde settingen. Verdachtes agressie blijkt op momenten ook lastig te voorspellen, hetgeen verder gevaarverhogend is. Naast bovenstaande is het zorgwekkend dat nagenoeg geen beschermende factoren te benoemen zijn: betrokkene heeft geen stabiele huisvesting, geen (pro)sociaal netwerk of stabiele partnerrelatie, geen zingevende dagbesteding, eerdere hulpverlenings- en toezicht trajecten zijn negatief beëindigd en hebben niet geleid tot een voorkomen van gewelddadig recidive.
Al het bovenstaande overziend wordt de kans op een soortgelijk feit als de thans tenlastegelegde feiten (bij het ontbreken van een behandel- en beveiligingskader) als hoog beoordeeld. Dit hoge risico kan op korte termijn tot uitdrukking komen, ook indien verdachte in een gestructureerde en gereguleerde (behandel-)behandelomgeving verblijft.
De deskundigen adviseren aan verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
TBS-maatregel
De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen van de psycholoog en psychiater over. De rechtbank stelt vast dat bij verdachte sprake is van schizofrenie, een persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van middelen. Gelet op de rol die in ieder geval de persoonlijkheidsproblematiek en de verslavingsproblematiek hebben gespeeld bij het tot stand komen van de strafbare feiten, zal de rechtbank het bewezenverklaarde
verminderd toerekenen. Deze stoornissen maken ook dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat de rechtbank een intensieve vorm van behandeling noodzakelijk acht. Met de psycholoog en de psychiater is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel noodzakelijk maakt.
De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het misdrijven betreft die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal verder bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Gevangenisstraf
De rechtbank acht in verband met een juiste normhandhaving daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank is van oordeel is dat deze gevangenisstraf, in combinatie met de TBS-maatregel, de ernst van het bewezen verklaarde, voldoende tot uitdrukking brengt.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De vordering.
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 72.189,00, bestaande uit € 56.189,00 materiële schade (gederfde inkomsten, deels toekomstig) en € 16.000,00 immateriële schade (wegens fysiek en psychisch letsel).
De benadeelde partij heeft gevorderd om het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade in ieder geval deels kan worden toegewezen nu voldoende onderbouwd is dat de benadeelde ten gevolge van het voorval niet meer heeft kunnen werken. Ook de immateriële schade komt volgens de officier van justitie voor toewijzing in aanmerking. Voor wat betreft de hoogte van zowel de materiële als immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de posten op de vordering betwist. Met betrekking tot de materiële schade is onvoldoende onderbouwd dat de schade zich heeft voorgedaan en bovendien kan niet worden vastgesteld of deze in causaal verband staat met de klap die de benadeelde partij heeft gekregen. Verder is ook de berekening van de gederfde inkomsten onvoldoende onderbouwd en roept deze, voor zover er wel onderbouwing is geleverd, de nodige vragen op. Met betrekking tot de immateriële schade is door de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel maar van subjectieve klachten die niet door de medische informatie worden geobjectiveerd. De gevorderde vergoeding voor immateriële schade in verband met de vastgestelde PTSS dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1000,00 en voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Beoordeling.
Materiële schade
De benadeelde partij vordert als materiële schade de vergoeding van de gederfde inkomsten over de maanden januari t/m augustus 2026, plus nog zes maanden toekomstige schade nu er nog geen eindtoestand is bereikt. Omdat de benadeelde partij werkzaam was als zzp-er, hij sinds het incident vrijwel niet meer gewerkt heeft en hij niet verzekerd was tegen arbeidsongeschiktheid is zijn volledige inkomen weggevallen. Als oorzaak voor zijn arbeidsongeschiktheid zijn hierbij in de vordering genoemd het door benadeelde opgelopen oogletsel (het zien van flitsen) en geestelijk letsel in de vorm van PTSS.
Om voor vergoeding in aanmerking te komen dient er sprake te zijn van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een causaal verband tussen de gevorderde schade -in de vorm van gederfde en toekomstige inkomsten- en het bewezenverklaarde feit. Op basis van de bij de vordering gevoegde stukken kan niet worden vastgesteld dat het oogletsel in de vorm van lichtflitsen het gevolg is van het bewezen verklaarde feit en evenmin dat de benadeelde partij als gevolg van de lichtflitsen niet meer kan werken. Ook ten aanzien van de PTSS waarvoor de benadeelde partij op dit moment wordt behandeld, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat hij als gevolg daarvan zijn werk niet meer kan uitoefenen.
Gelet op het voorgaande zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde materiële schade. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om de benadeelde partij de gelegenheid te geven voor een nadere onderbouwing. Hij kan dit deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijk rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek acht de rechtbank toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, een immateriële schadevergoeding van € 2.350,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Naar maatstaven van billijkheid acht de rechtbank passend een vergoeding van € 1.000,00 in verband met het letsel aan de oogkas en een vergoeding van € 1.350,00 in verband met het geestelijk letsel in de vorm van PTSS. De rechtbank heeft hierbij voor wat betreft het lichamelijk letsel aansluiting gezocht bij de categorie 13b (licht letsel, herstel minder dan zes maanden, zonder medisch of therapeutisch ingrijpen) uit de Rotterdamse schaal. Ten aanzien van de PTSS sluit de rechtbank aan bij categorie 14.2d van de Rotterdamse schaal. Daarbij hanteert de rechtbank de ondergrens van deze categorie als uitgangspunt, nu op grond van de stukken niet valt uit te sluiten dat andere omstandigheden aan de PTSS hebben bijgedragen. Gelet op de samenloop van het oogletsel en de PTSS zal de rechtbank conform aanbeveling 5 bij de Rotterdamse schaal uitgaan van de helft van het in die categorie genoemde bedrag, te weten € 1.350,00.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijk rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
De vordering.
De benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd van € 2.700,00 bestaande uit € 200,00 materiële en € 2.500,00 immateriële schade.
De benadeelde partij heeft gevorderd om het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat enige vergoeding van immateriële schade voor toewijzing vatbaar is. Voor wat betreft de hoogte hiervan heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vordering omdat deze onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en maximaal € 500,00 toe te wijzen aan immateriële schade. Ten aanzien van het overige heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid bepleit aangezien onderbouwing ontbreekt.
Beoordeling.
De rechtbank constateert dat de vordering in haar geheel niet is onderbouwd. Op grond van het dossier kan evenwel worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. De benadeelde partij heeft ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel opgelopen bestaande uit een bijtwond. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek acht de rechtbank naar maatstaven van billijkheid, en met in achtneming van categorie 13c van de Rotterdamse schaal, toewijsbaar een immateriële schadevergoeding van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het overige Daarvoor geldt dat de benadeelde partij niet heeft onderbouwd dat daadwerkelijk schade is geleden en evenmin dat sprake is van een causaal verband met het bewezen verklaarde feit. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om de benadeelde partij de gelegenheid te geven voor een nadere onderbouwing. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 300, 302 en 304 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd onder feit 1 primair en feit 2 primair.
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een
ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening
van zijn bediening
T.a.v feit 2 subsidiair:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
T.a.v. feit 3 primair:
poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een
ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening
van zijn bediening
T.a.v. feit 4:
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3 primair, feit 4:
Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2 subsidiair, feit 3 primair, feit 4:
Een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
T.a.v. feit 1 subsidiair:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 2.350,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 2.350,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. feit 2 subsidiair:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. A. Bernsen, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 22 september 2026.