ECLI:NL:RBOBR:2026:6848

ECLI:NL:RBOBR:2026:6848

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 82-102990-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte valse inkoopfacturen opgemaakt, op basis waarvan in de jaren 2020 tot en met 2022 onjuiste kwartaalaangiften omzetbelasting zijn gedaan. Daarnaast is door hen een betaalbewijs vervalst, en toegezonden aan de Belastingdienst. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 82.102990.24

Datum uitspraak: 24 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 februari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2020 tot en met 28 januari 2023 te Hulst en/of Sint Jansteen , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal,

een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 10 maart 2020 (DOC-026-01) en/of;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 10 november 2020 (DOC-029-01) en/of;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 22 december 2021 (DOC-033-01) en/of;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 8 augustus 2022 (DOC-036-01) en/of;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 16 december 2022 (DOC-039-01)

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst door

inkoopfacturen op te maken waaruit zou blijken dat door [bedrijf 2] bij [bedrijf 1] goederen zouden zijn ingekocht, terwijl deze inkoop niet heeft plaatsgevonden

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 11 juli 2022 te Hulst en/of Sint Jansteen , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal, een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

een bewijs van een bankbetaling aan [bedrijf 1] gedateerd 25 april 2022 (DOC-010-01);

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst door

een bewijs van betaling zodanig aan te passen dat het lijkt alsof door [bedrijf 2] een bedrag van € 345.092 aan [bedrijf 1] zou zijn betaald

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

T.a.v. feit 3:

[bedrijf 2] vof op één of meer tijdstippen in of osmtreeks de periode 30 april 2020 tot en met 28 januari 2023 in Hulst en/of Middelburg en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

opzettelijk een of meer bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 2] vof over

- het aangiftetijdvak eerste kwartaal 2020 (DOC-012-11) en/of;

- het aangiftetijdvak vierde kwartaal 2020 (DOC-012-14) en/of;

- het aangiftetijdvak derde kwartaal 2021 (DOC-012-17) en/of;

- het aangiftetijdvak eerste kwartaal 2022 (DOC-012-19) en/of;

- het aangiftetijdvak vierde kwartaal 2022 (DOC-012-22);

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, door

(telkens) op de ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en/of voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt kort weergegeven verweten dat hij, samen met anderen, inkoopfacturen heeft vervalst (feit 1), dat hij, samen met anderen, een bewijs van een bankbetaling heeft vervalst (feit 2) en tot slot dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het indienen van vijf onjuiste kwartaalaangiften BTW door [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] , feit 3).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft – op de gronden zoals verwoord in de pleitaantekeningen – vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere bewijsoverweging.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de onder feit 1 genoemde facturen en het onder feit 2 genoemde betalingsbewijs vals zijn. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat de valse facturen zijn verwerkt in de kwartaalaangiften omzetbelasting van [bedrijf 2] . Daardoor is in die aangiften een te hoog bedrag aan voorbelasting opgevoerd, met als gevolg dat de vennootschap ten aanzien van de in de tenlastegelegde opgenomen aangiftetijdvlakken ten onrechte een bedrag van € 226.146 heeft teruggevraagd (feit 3). Door de Belastingdienst is in de periode van 10 juni 2020 tot 15 mei 2023 in totaal

€ 422.591,- daadwerkelijk overgemaakt, terwijl [bedrijf 2] over de jaren 2020 tot en met 2022 juist € 3.236 omzetbelasting had moeten betalen . Deze vaststellingen zijn door de verdediging niet betwist. Verdachte heeft echter verklaard dat hij van niets wist. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig en licht dat als volgt toe.

De afzonderlijk tenlastegelegde feiten hangen nauw met elkaar samen. De valse facturen zijn opgemaakt en opgenomen in de grootboekadministratie. Aan de hand van die administratie zijn onjuiste kwartaalaangiften gedaan, op basis waarvan de Belastingdienst tot teruggaaf van omzetbelasting is overgegaan. Toen de Belastingdienst ter controle om overlegging van een factuur en een betalingsbewijs verzocht, is een vals betalingsbewijs opgemaakt en aan de Belastingdienst toegezonden.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte het onder feit 2 genoemde betalingsbewijs zelf heeft vervalst. Uit die bewijsmiddelen blijkt namelijk dat zijn compagnon, de overleden medeverdachte [medeverdachte] , in eerste instantie aan verdachte een afschrift van ING van [bedrijf 2] stuurt aangaande een betaling op 25 april 2022 van [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] . Het bedrag van de betaling bedraagt 871,20 euro. Vervolgens mailt verdachte na ruim een half uur een bewerking van dit afschrift terug aan zijn compagnon. Dit betreft het in de tenlastelegging opgenomen bestand met daarin het vervalste ING-afschrift als betalingsbewijs dat kort daarop naar de belastingdienst wordt doorgestuurd als zijnde het bewijs van een bankbetaling aan [bedrijf 1] Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte op de hoogte was van de kwartaalaangiften omzetbelasting en de daarop gevolgde beschikkingen. Afbeeldingen daarvan zijn immers aangetroffen op de telefoon van verdachte. Op de telefoon van verdachte is ook een valse factuur op naam van [bedrijf 1] aangetroffen. Ook leidt de rechtbank uit WhatsApp-berichten tussen verdachte en de overleden medeverdachte [medeverdachte] af dat zij samen zorgdroegen voor de stukken die aan de boekhouder zijn overgelegd, waaronder de valse facturen op naam van [bedrijf 1] , dat zij allebei wachten op een beslissing van de Belastingdienst over het uitkeren van voorbelasting, en dat zij contact hebben over de Belastingdienst die een boekenonderzoek wenst uit te voeren. Verdachte heeft blijkens die berichten een actieve en sturende rol. .Tot slot is van belang dat verdachte het merendeel van de ten onrechte uitbetaalde omzetbelasting heeft ontvangen.

Gelet op deze samenhang van feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte van de volledige gang van zaken op de hoogte was en daarin een actieve rol heeft gespeeld.

Medeplegen, feiten 1 en 2.

Medeplegen kan worden bewezenverklaard als sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de strafbare feiten. Uit de bewijsmiddelen en wat daar hiervoor over is overwogen, blijkt dat verdachte en [medeverdachte] de feiten gezamenlijk hebben uitgevoerd. Verdachte had blijkens de Whatsapp-berichten een actieve en sturende rol. Daarom acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Feitelijk leidinggeven, feit 3.

Door [bedrijf 2] zijn onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan met als doel teruggaven van de Belastingdienst te ontvangen. Verdachte was samen met [medeverdachte] vennoot van [bedrijf 2] , was op de hoogte van de onjuiste aangiften en heeft daaraan actief meegewerkt. Daarnaast heeft de rechtbank hiervoor vastgesteld dat verdachte het vervalste betalingsbewijs heeft opgemaakt dat naar de Belastingdienst is verstuurd. Gelet op zijn feitelijke positie binnen de onderneming en de door hem verrichte handelingen concludeert de rechtbank dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan deze verboden gedragingen van [bedrijf 2] .

De bewezenverklaring.

valselijk heeft opgemaakt door inkoopfacturen op te maken waaruit zou blijken dat door [bedrijf 2] bij [bedrijf 1] goederen zouden zijn ingekocht, terwijl deze inkoop niet heeft plaatsgevonden met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. feit 1:

in de periode 1 maart 2020 tot en met 28 januari 2023 te Hulst en Sint Jansteen ,

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 10 maart 2020 en;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 10 november 2020 en;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 22 december 2021 en;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 8 augustus 2022 en;

- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf 1] d.d. 16 december 2022,

T.a.v. feit 2:

op 11 juli 2022 te Hulst, tezamen en in vereniging met een ander,

een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:

een bewijs van een bankbetaling aan [bedrijf 1] gedateerd 25 april 2022,

valselijk heeft opgemaakt door een bewijs van betaling zodanig aan te passen dat het lijkt alsof door [bedrijf 2] een bedrag van € 345.092 aan [bedrijf 1] zou zijn betaald

met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

T.a.v. feit 3:

[bedrijf 2] vof in de periode 30 april 2020 tot en met 28 januari 2023 in Nederland, ,

opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 2] vof over

- het aangiftetijdvak eerste kwartaal 2020 en;

- het aangiftetijdvak vierde kwartaal 2020 en;

- het aangiftetijdvak derde kwartaal 2021 en;

- het aangiftetijdvak eerste kwartaal 2022 en;

- het aangiftetijdvak vierde kwartaal 2022,

telkens onjuist heeft gedaan, door telkens op de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven,

terwijl dat telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten feitelijke leiding heeft gegeven.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden wordt opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman is verzocht te volstaan met de oplegging van een taakstraf en voor zover de rechtbank een gevangenisstraf zou opleggen, deze geheel voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte valse inkoopfacturen opgemaakt, op basis waarvan in de jaren 2020 tot en met 2022 onjuiste kwartaalaangiften omzetbelasting zijn gedaan. Naar aanleiding van de ingediende aangiften heeft de Belastingdienst in totaal

€ 422.591,- overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 2] . Zonder de valse inkoopfacturen had [bedrijf 2] over deze jaren juist omzetbelasting moeten betalen in plaats van ontvangen.

Ter onderbouwing van de opgegeven voorbelasting in een van de aangiften is een betalingsbewijs vervalst dat aan de Belastingdienst is toegezonden.

Met zijn handelwijze heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat burgers, bedrijven en de overheid in het maatschappelijk en economisch verkeer moeten kunnen stellen in de juistheid van documenten, in het bijzonder van documenten die de basis vormen voor de wettelijk voorgeschreven belastingaangifte. Door middel van belastingheffing wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die nodig zijn voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak. Het doen van onjuiste aangifte omzetbelasting kan bovendien leiden tot oneerlijke concurrentie in het bedrijfsleven.

De oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) gaan in geval van fraude bij een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,- uit van een gevangenisstraf voor de duur van 12 tot 18 maanden.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij jarenlang onjuiste aangiften heeft gedaan en nooit tot inkeer is gekomen of openheid van zaken heeft gegeven. Toen de Belastingdienst stukken opvroeg ter onderbouwing van een aangifte, is een vervalst betalingsbewijs overgelegd en hij werkte een boekenonderzoek tegen. Ook in de strafzaak heeft hij geen openheid van zaken gegeven. Integendeel, verdachte heeft ook op de zitting volgehouden dat het zijn inmiddels overleden medeverdachte is geweest die alles achter zijn rug om heeft bedacht en uitgevoerd, terwijl uit de bewijsmiddelen duidelijk is gebleken dat zij dit samen hebben uitgevoerd, in de whatsapp-berichten tussen verdachte en zijn medeverdachte is te lezen dat zijn medeverdachte steeds smeekt om geld te ontvangen van verdachte, en tot slot uit de analyse van de bankrekening is gebleken dat medeverdachte € 16.000,- heeft ontvangen van [bedrijf 2] , terwijl naar verdachte en zijn familie in dezelfde periode ruim € 130.000,- is overgeboekt.

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is mantelzorger voor zijn ernstig zieke partner.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank bij de oplegging van de straf een groter gewicht toekent aan de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 225 Wetboek van Strafrecht

69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank;

-verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

T.a.v. feit 2:

Medeplegen van valsheid in geschrift.

T.a.v. feit 3:

Feitelijke leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C. Palmboom, voorzitter,

mr. M. Langstraat en mr. S.H.C. Merkx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,

en is uitgesproken op 24 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.C. Palmboom
  • mr. M. Langstraat
  • mr. S.H.C. Merkx

Griffier

  • mr. N.P.M. van de Wouw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand