RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.015385.25
Datum uitspraak: 24 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
[bedrijf 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 april 2020 tot en met 13 oktober 2025, te Amsterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meer middel(en) die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:
- een subsidiebedrag van EUR 5.769,91 inzake de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) voor de periode van maart 2020 tot en met mei 2020 (DOC-002-01 en AMB-002-01) en/of
- een subsidiebedrag van EUR 22.372 inzake de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) voor de periode van juni 2020 tot en met september 2020 (DOC-002-04),
in elk geval subsidiegelden, welke bedoeld waren voor het tegemoetkomen van [bedrijf 1] in de betaling van de loonkosten van haar werknemer(s), heeft aangewend door middel van (een) contante opname(s) en/of (een) overboeking(en) naar (een) privérekening(en) van verdachte voor (onder meer) het betalen van de persoonlijke vaste lasten van verdachte (V-001-A en V-001-01) en/of voor het betalen van (andere) privékosten en/of het voldoen van (een) privéschuld(en) van verdachte,
in elk geval (deels) voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt,
tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
T.a.v. feit 2:
[bedrijf 1] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 juli 2020 tot en met 13 oktober 2025, te Amsterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een of meer middel(en) die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:
- een subsidiebedrag van EUR 12.012,88 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van juni 2020 tot en met september 2020 (DOC-001-13) en/of
- een subsidiebedrag van EUR 30.075,18 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van oktober 2020 tot en met december 2020 (DOC-001-14) en/of
- een subsidiebedrag van EUR 26.253,27 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van januari 2021 tot en met maart 2021 (DOC-001-15) en/of
- een subsidiebedrag van EUR 29.256,50 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van april 2021 tot en met juni 2021 (DOC-001-16) en/of
- een subsidiebedrag van EUR 15.645,40 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van juli 2021 tot en met september 2021 (DOC-001-01 en AMB-003-01, Tabel 4),
in elk geval subsidiegelden, welke bedoeld waren voor het tegemoetkomen van [bedrijf 1] in de betaling van de vaste materiële kosten van [bedrijf 1] , heeft aangewend door middel van (een) contante opname(s) en/of (een) overboeking(en) naar (een) privérekening(en) van verdachte voor (onder meer) het betalen van salaris aan verdachte (V-001-A en V-001-01) en/of voor het betalen van privékosten en/of het voldoen van (een) privéschuld(en) van verdachte,
in elk geval (deels) voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt,
tot het plegen van welk(e) boven omschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding.
Op 16 oktober 2024 gaf de [bedrijf 2] een signaal af over vermoedelijk misbruik van coronasteunsubsidies die waren verstrekt aan [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Dit signaal vormde in 2025 de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek naar het restaurant en haar bestuurder, de verdachte. Verdachte wordt er kort gezegd van verdacht dat hij subsidiebedragen op grond van de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW, feit 1) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL, feit 2) heeft besteed aan andere doeleinden dan waarvoor deze subsidies waren verstrekt.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide tenlastegelegde feiten, omdat het voor een veroordeling vereiste opzet niet kan worden bewezen. Verder kan niet worden bewezen dat er geen uitgaven voor vaste lasten zijn gedaan.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere bewijsoverwegingen.
Opzet.
De rechtbank acht, anders dan door de verdediging is bepleit, ook het voor een veroordeling vereiste opzet wettig en overtuigend bewezen. Hieronder licht de rechtbank toe hoe zij tot dat oordeel komt.
De NOW-subsidie was bedoeld om werkgevers te ondersteunen bij het betalen van loonkosten in een periode waarin zij door de coronamaatregelen minder inkomsten hadden.
De TVL was bedoeld om ondernemers te helpen hun vaste lasten te betalen in de coronaperiode.
Van een ondernemer mag in beginsel worden verwacht dat hij bekend is met het doel en de voorwaarden van de subsidie die hij aanvraagt. Uit de tenaamstelling van de subsidies – ‘noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid’ en ‘tegemoetkoming vaste lasten’ – blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk welk bestedingsdoel er met deze subsidies werd beoogd. Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte door zijn boekhouder is ingelicht over het doel van deze subsidies en de besteding van de subsidiegelden. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte bij de aanvraag van de NOW-subsidie heeft verklaard dat hij de voorwaarden had gelezen, waarin stond waarvoor de NOW-subsidie was bedoeld.
Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de subsidies zijn aangevraagd in naam van en ten behoeve van [bedrijf 1] . Tussen april 2020 en december 2021 ontving [bedrijf 1] in totaal
€ 152.727,23 aan NOW- en TVL-subsidie op haar bankrekeningen. In die periode is slechts € 11.342,09 besteed aan loonkosten en zijn op de bankrekeningen van [bedrijf 1] in het geheel geen betalingen aangetroffen die verband houden met de vaste lasten van [bedrijf 1] .
De door [bedrijf 1] ontvangen subsidiegelden zijn door verdachte contant opgenomen of overgemaakt naar zijn privérekeningen. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld heeft gebruikt voor privé-uitgaven. Daarmee heeft verdachte de ontvangen subsidiegelden aan de onderneming onttrokken en voor zichzelf gebruikt.
Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet had op het aanwenden van de subsidiegelden voor andere doeleinden dan waarvoor deze waren verstrekt.
Feitelijk leidinggeven.
De rechtbank overweegt dat verdachte als bestuurder van [bedrijf 3] , enig aandeelhouder van [bedrijf 1] én bewaarder van boeken en bescheiden de feitelijke zeggenschap had binnen de onderneming en beschikte over de subsidiebedragen. Hij heeft de subsidies aangevraagd en de ontvangen subsidiegelden vervolgens contant opgenomen of overgemaakt naar zijn privérekeningen. Daarmee heeft verdachte zelf uitvoering gegeven aan de gedragingen die tot de bewezenverklaarde feiten hebben geleid. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat:
T.a.v. feit 1:
[bedrijf 1] in de periode van 9 april 2020 tot en met 23 december 2021, te Amsterdam, telkens opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:
- een subsidiebedrag van EUR 5.769,91 inzake de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) voor de periode van maart 2020 tot en met mei 2020 en
- een subsidiebedrag van EUR 22.372 inzake de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) voor de periode van juni 2020 tot en met september 2020,
welke bedoeld waren voor het tegemoetkomen van [bedrijf 1] in de betaling van de loonkosten van haar werknemers, heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
T.a.v. feit 2:
[bedrijf 1] in de periode van 20 juli 2020 tot en met 23 december 2021, te Amsterdam, telkens opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid waren verstrekt, te weten:
- een subsidiebedrag van EUR 12.012,88 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van juni 2020 tot en met september 2020 en
- een subsidiebedrag van EUR 30.075,18 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van oktober 2020 tot en met december 2020 en
- een subsidiebedrag van EUR 26.253,27 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van januari 2021 tot en met maart 2021 en
- een subsidiebedrag van EUR 29.256,50 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van april 2021 tot en met juni 2021 en,
- een subsidiebedrag van EUR 15.645,40 inzake de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), voor de periode van juli 2021 tot en met september 2021,
welke bedoeld waren voor het tegemoetkomen van [bedrijf 1] in de betaling van de vaste materiële kosten van [bedrijf 1] , heeft aangewend deels voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren wordt opgelegd.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsvrouw is primair verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf en subsidiair verdachte een taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich als feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] schuldig gemaakt aan subsidiefraude, door een bedrag van € 141.385,14 aan ontvangen NOW- en TVL-subsidie anders te besteden dan waarvoor deze bedoeld waren. De verdachte heeft de verkregen subsidiegelden voor zichzelf aangewend door het geld contant op te nemen of over te boeken naar zijn privérekeningen. De verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld en zijn werknemers benadeeld. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de ouderdom van de feiten en de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan. De feiten zijn gepleegd tijdens de coronaperiode, een periode die zich kenmerkte door veel onduidelijkheid en onzekerheid. Dat het restaurant van verdachte in deze periode de deuren heeft gesloten, is wel degelijk het gevolg geweest van de uitdagingen waar de subsidiegelden voor bedoeld waren. Ook verdachte zelf verkeerde hierdoor in grote financiële problemen, waardoor hij nadien in een schuldsaneringstraject terecht is gekomen.
Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 240 uren passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat geen sprake is van rechtstreekse schade omdat het loon was verschuldigd op basis van de arbeidsovereenkomst en niet op basis van de subsidie. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering af te wijzen en meer subsidiair het gevorderde bedrag te matigen.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering ter hoogte van € 7.911,43 aan salaris in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2020 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank overweegt hierbij dat het ontvangen subsidiebedrag van de NOW is verstrekt met het specifieke doel de loonkosten voor het personeel door te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van rechtstreekse schade, nu dat geld voor andere doeleinden is gebruikt.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2020 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 20.230,48, vermeerderd met de wettelijke rente, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Indien de vordering van [benadeelde 1] wordt toegewezen, resteert voornoemd bedrag dat niet besteed is in overeenstemming met de doelstelling van de subsidie.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering af te wijzen en meer subsidiair het gevorderde bedrag te matigen.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte materiële schade, het bedrag van € 20.230,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Nu de vordering van [benadeelde 1] is toegewezen resteert bovengenoemd bedrag als zijnde niet besteed in overeenstemming met de doelstelling van de subsidie.
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van het meer gevorderde afwijzen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 51, 57, 323a Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
het opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
T.a.v. feit 2:
het opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.
T.a.v. feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 1] , van een bedrag van 7.911,43 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. feit 1:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde 1] , van een bedrag van 7.911,43 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 64 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [benadeelde 1] bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde 2] , van een bedrag van 20.230,48 euro, bestaande uit materiële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
Wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. S.H.C. Merkx, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is uitgesproken op 24 september 2026.