RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/428381 / FA RK 26-3262
Datum uitspraak: 18 september 2026
Beschikking over een ontzegging van de omgang
in de zaak van
de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd in ‘s-Hertogenbosch, vestiging [plaats] , hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
over
[kind 1] , [geboortedatum] [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [kind 1] ,
en
[kind 2] , [geboortedatum] [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [kind 2] ,
en
[kind 3] , [geboortedatum] [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [kind 3] ,
en
[kind 4] , [geboortedatum] [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [kind 4] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader] ,
feitelijk verblijvende in de [PI] ,
hierna te noemen: de vader,
en
[de pleegmoeder] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [de pleegmoeder] .
In zijn adviserende rol is voor de mondelinge behandeling uitgenodigd:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie Eindhoven,
hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
[medewerker GI] en [medewerker GI] namens de GI;
de vader, bijgestaan door een tolk;
[de pleegmoeder] , bijgestaan door een tolk;
- [medewerker raad] namens de raad.
De rechter heeft [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] naar hun mening gevraagd. [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] hebben hun mening niet gegeven.
2. De feiten
De vader en [de moeder] , zijn op 15 november 2009 in Syrië met elkaar gehuwd. [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] zijn uit dat huwelijk geboren.
De vader woont sinds 2022 in Nederland. In november 2023 zijn de moeder, [de pleegmoeder] en de kinderen ook naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging. Het gezin woonde in [woonplaats] .
Het huwelijk van de ouders is op 16 maart 2024 ontbonden door het overlijden van de moeder. De vader is bij vonnis van 5 november 2025 veroordeeld tot doodslag op de moeder en heeft een gevangenisstraf opgelegd gekregen van 18 jaar.
Bij beschikking van deze rechtbank van 16 maart 2024 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] voor de duur van vier weken met aanhouding van de beslissing op het verzoek van de raad voor het overige. Daarna heeft de rechtbank bij beschikking van 28 maart 2024 de GI belast met de voorlopige voogdij over de kinderen waarbij de rechtbank heeft bepaald dat die maatregel eindigt op 16 juni 2024, tenzij de rechtbank vóór die datum een voorziening in het gezag over de kinderen heeft verzocht.
Bij beschikking van 20 september 2024 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de vader over [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] beëindigd en de GI benoemd tot voogd over hen.
Bij beschikking van 20 september 2024 heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] ontzegd voor de duur van twee jaar.
De kinderen verblijven bij [de pleegmoeder] . [de pleegmoeder] is de meerderjarige dochter van de vader. Zij heeft een andere moeder dan [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt, analoog aan artikel 1:377e lid 1 jo 1:377a lid 3 BW, de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang te wijzigen, in die zin dat de vader het recht op omgang met de minderjarige kinderen voor de duur van drie jaar wordt ontzegd, met dien verstande dat de ontzegging ten aanzien van [kind 1] geldt tot [datum] , omdat hij op deze datum achttien jaar wordt. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. Het opgelegde contactverbod twee jaar geleden gaf veel rust en duidelijkheid voor de kinderen. Voortzetting van het contactverbod is in het belang van de kinderen, omdat wordt gezien dat het onderwerp ‘vader’ nog steeds veel spanning met zich meebrengt. De kinderen geven zelf aan hun vader niet te willen zien, spreken of op een andere manier contact te willen hebben met hem. Tegelijkertijd krijgt de GI signalen dat de kinderen gestimuleerd worden tot contact met hun vader, onder andere door [de pleegmoeder] , al dan niet gestuurd door de vader. Eerder waren er ook signalen dat de families van beide ouders kampen vormden, waarin zij tegenstrijdige signalen afgaven aan de kinderen. De GI heeft het idee dat de kinderen zich hierdoor in een klempositie bevinden, omdat zij enerzijds hun eigen behoeften en wensen hebben, en anderzijds de wens van dan wel de vader dan wel [de pleegmoeder] horen of voelen. De GI kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er vanuit de vader een (emotioneel) beroep wordt gedaan op [de pleegmoeder] om er zorg voor te dragen dat de kinderen in contact komen met hem. De GI hoopt middels het contactverbod daarom ook [de pleegmoeder] in bescherming te nemen hiertegen.
De vader staat niet achter het verzoek van de GI. De vader geeft aan van zijn kinderen te houden en stelt dat de kinderen ook van hem houden. Een contactverbod zou onterecht zijn en zou het gezin kapot maken. De kinderen zouden zelf aan hebben gegeven contact te willen met de vader via [de pleegmoeder] . Dit weet Omnia ook, maar er wordt niets mee gedaan. Hij zou de kinderen nog één keer willen zien.
[de pleegmoeder] geeft aan dat het goed gaat met de kinderen. De drie jongste kinderen zijn benieuwd en nieuwsgierig om te weten hoe hun vader er momenteel uit ziet. [de pleegmoeder] ziet dit als iets positiefs en het geeft aan dat zij graag contact met hun vader willen. Zij ontkent dat zij onder druk wordt gezet door de vader of familieleden.
De raad vindt dat de behoefte aan contact met de vader iets is wat volledig uit de kinderen zelf moet komen, hetgeen nu, naar het idee van de raad, niet het geval is. De kinderen kunnen bij de jeugdbeschermers goed aangeven waarom ze op dit moment geen contact willen met de vader en deze wens moet gevolgd te worden. Als het zover is dat de kinderen zelf contact willen met de vader, moet dit zeer zorgvuldig begeleid worden, waarbij vooral gekeken moet worden naar wat de kinderen nodig hebben in dat contact. De vader moet dan ook klaar zijn om de kinderen, met begrip voor de gevoelens van hen, van wie hij de moeder heeft afgenomen door zijn daad, tegemoet te kunnen treden. Het is ingewikkeld dat [de pleegmoeder] wel contact heeft met de vader en vanuit daar mogelijk druk voelt, omdat zij wordt geconfronteerd met een verdrietige vader die zijn kinderen mist en wil zien. Het lastige hierin is dat de kinderen verschillende boodschappen aan [de pleegmoeder] en aan hun neutrale vertegenwoordiger uiten in hun wens tot contact met de vader. De raad verwacht dat dit mogelijk uit loyaliteit voortkomt.
5. De beoordeling
Bevoegdheid
De vader en de kinderen hebben de Syrische nationaliteit, waardoor deze zaak een internationaal karakter heeft. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of zij internationaal bevoegd is in deze zaak en welk recht van toepassing is.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, gelet op
het feit dat de kinderen ten tijde van de indiening van het verzoek de gewone verblijfplaats
in Nederland hadden. De kinderen hadden, meer specifiek, hun gewone verblijfplaats binnen het arrondissement Oost-Brabant, zodat de rechter van deze rechtbank bevoegd is om op het verzoek te beslissen.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het verzoek is
Nederlands recht van toepassing.
Ontvankelijkheid
De GI die belast is met de voogdij, kan de rechtbank verzoeken een omgangsregeling vast te stellen, te wijzigen dan wel het recht op omgang aan een ouder te ontzeggen op grond van artikel 1:377e BW. Dit maakt de GI ontvankelijk in haar verzoek.
Juridisch kader
Internationale wetgeving
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) beschouwt omgang tussen ouder en kind als een fundamenteel onderdeel van het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) verankerde recht op respect voor familie- en gezinsleven. Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat nationale autoriteiten een beperkte margin of appreciation hebben als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender is de toetsing van de noodzaak daarvan door het EHRM. Waar contact met een ouder in strijd zou kunnen zijn met de belangen en rechten van het kind, is het aan de nationale autoriteiten om een fair balance tussen beide te vinden. Daarbij geldt dat aan de belangen van het kind een bijzonder gewicht toekomt en dat een ouder aan artikel 8 EVRM geen aanspraak kan ontlenen op maatregelen die de ontwikkeling en gezondheid van het kind schaden.
Op 1 maart 2016 is voor Nederland in werking getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zijn ook slachtoffer van huiselijk geweld. Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen alle vormen van geweld tegen vrouwen, en huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft.
Ook uit het Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en het daarbij behorende General Comment volgt dat (signalen van) partnergeweld nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld/kindermishandeling.
Nederlandse wetgeving
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank ontzegt het recht op omgang slechts indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of;
indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
In het geval de ene ouder is veroordeeld wegens het doden van de andere ouder en de rechter de omgang heeft ontzegd voor een duur van twee jaar of meer, kan de rechter de beslissing waarbij de omgang is ontzegd niet eerder wijzigen op verzoek van de ouder dan na verloop van een periode van twee jaar nadat de eerdere beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke omgangsregeling in het belang van het kind is. Voor de rechtbank betekent dit dat er bij de beslissing in deze zaak rekening mee zal moeten worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de kinderen gewaarborgd zijn.
Beoordeling van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat het recht op omgang een fundamenteel recht is van de vader. De omstandigheid dat de vader is veroordeeld tot doodslag van de moeder staat, op zichzelf, niet aan de uitoefening van dat omgangsrecht in de weg. De omgang kan alleen worden ontzegd als sprake is van ten minste één van de ontzegginsgronden, genoemd in artikel 1:377a lid 3 BW.
Mede in het licht van de internationaalrechtelijke context zoals geschetst in overwegingen 5.6, 5.7 en 5.8 geldt de verplichting voor de staat en daarmee ook voor de rechtspraak om de belangen van de slachtoffers van huiselijk geweld, waaronder femicide, te beschermen. Dat betekent ook dat de rechtbank de belangen van de vier kinderen als eerste overweging neemt in de beoordeling van het verzoek tot ontzegging van het recht op omgang van de vader. De rechtbank zal het recht op omgang ontzeggen voor de duur van drie jaar en zij legt uit op welke gronden zij tot deze beslissing komt.
[kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] hebben in hun jonge leven al heel veel meegemaakt. Zo zijn ze in 2023 met de moeder in het kader van gezinshereniging vanuit [geboorteland] naar Nederland gekomen. Op 16 maart 2024 heeft de vader de moeder met messteken om het leven gebracht, waar de kinderen oog- en oorgetuigen van zijn geweest. De vader is hier ook voor veroordeeld. De kinderen zijn die dag feitelijk beide ouders verloren, doordat de moeder door toedoen van de vader is overleden en de vader omdat hij hierdoor langdurig is gedetineerd.
De kinderen hebben sindsdien geen contact meer gehad met de vader. [kind 1] en [kind 2] geven aan boos te zijn op zijn vader en geen contact met hem te willen. Ook [kind 4] geeft duidelijk aan geen contact te willen met de vader. [kind 3] geeft aan wel de vader te willen zien, maar stelt hier voorwaarden aan. Zo wil hij bijvoorbeeld niet dat de vader weet dat [kind 3] hem zal opzoeken, hij wil niet dat de vader [kind 3] ziet, hij wil achter geblindeerd glas zitten en [kind 3] wil dat het bezoek plaatsvindt onder schooltijd. Als het onder zijn voetbal- of Playstationtijd valt, zou hij niet meegaan. De rechtbank volgt de inschatting van de GI dat [kind 3] met name nieuwsgierig lijkt over hoe de vader er momenteel eruit ziet en hoe een gevangenis eruit ziet, zeker omdat [kind 3] in algemene zin veel interesse in de politie, mobiele eenheid en recherche heeft.
De kinderen wonen bij hun meerderjarige halfzus [de pleegmoeder] , die dezelfde vader heeft als de kinderen. [de pleegmoeder] heeft, anders dan de kinderen, wel regelmatig contact met de vader. Zij bezoekt de vader wekelijks en heeft daarnaast telefonisch contact met hem. [de pleegmoeder] bevindt zich in een moeilijke positie en de druk die zij mogelijk ervaart vanuit de vader om het contact tussen hem en de kinderen te bewerkstelligen werkt door op de kinderen en belemmert het behoud van de rust en stabiliteit. Recentelijk heeft de GI signalen ontvangen dat de kinderen, met name [kind 3] en [kind 4] , gestimuleerd worden tot contact met de vader. De kinderen hebben aan de hulpverlening verteld dat [de pleegmoeder] aan hen vraagt of zij (telefonisch) contact willen met de vader. Hierdoor ervaren de kinderen mogelijk druk om trouw te blijven aan hun eigen wensen en behoeften in het contact met de vader, hetgeen het risico op een loyaliteitsconflict en klempositie tussen hun eigen gevoelens, de verwachting van de vader en de wensen van hun omgeving vergroot.
Het eerder opgelegde contactverbod heeft voor rust bij de kinderen gezorgd. Er werd gezien dat er minder beroep gedaan werd op de kinderen in het stimuleren van contact tussen hen en de vader. Het is voor iedereen duidelijk dat de vader geen contact mag opnemen met de kinderen. Een voortzetting van het contactverbod is noodzakelijk gelet op de voorgeschiedenis, de kwetsbaarheid van de kinderen en de recente signalen van druk en beïnvloeding van de kinderen om de kinderen en [de pleegmoeder] verder te beschermen tegen druk vanuit de vader en om te voorkomen dat de kinderen opnieuw klem komen te zitten. Op die manier kan de rust, veiligheid en voorspelbaarheid die zij nodig hebben voor hun ontwikkeling zoveel als mogelijk worden gewaarborgd.
Mochten de kinderen gedurende de periode waarin het contactverbod geldt, los van mogelijke loyaliteiten, de wens hebben op contact met de vader, dan staat deze beslissing daar niet aan in de weg. De GI geeft aan dan opnieuw te zullen overwegen of een mogelijke vorm van contactherstel daadwerkelijk in het belang is van de verdere ontwikkeling van de kinderen. Als dat het geval is, kan de GI altijd een verzoek indienen bij de rechtbank. De wet bepaalt immers enkel dat deze beslissing gedurende twee jaar nadat deze definitief is geworden niet op verzoek van de vader kan worden gewijzigd.
Hoewel de rechtbank de wens van de vader op contact met de kinderen en zijn recht hierop erkent, is zij van oordeel dat omgang met de vader ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van de kinderen (sub a), althans dat omgang met de vader anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen (sub d), hetgeen, gelet op de voorgeschiedenis en kwetsbaarheid van de kinderen zwaarder moet wegen dan het recht van de vader. De kinderen zijn, door het toedoen van de vader, hun moeder verloren. De vader lijkt vooralsnog onvoldoende besef of erkenning hieraan te geven. De kinderen moeten worden beschermd tegen de druk die de vader lijkt uit te oefenen op [de pleegmoeder] en de kinderen, zodat zij trouw kunnen blijven aan hun eigen wensen en behoeften ten aanzien van het contact met de vader, zonder opnieuw klem te komen of in een loyaliteitsconflict te komen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [kind 1] en [kind 2] ernstige bezwaren tegen de omgang met de vader doen blijken (sub c). De rechtbank zal de vader daarom het recht op omgang met alle vier de kinderen ontzeggen voor de duur van drie jaar, althans wat betreft [kind 1] tot zijn meerderjarigheid.
De rechtbank hecht eraan op te merken dat zij verwacht van de GI dat zij, vanuit haar positie van voogd, nauwlettend en zeer regelmatig de ontwikkeling van deze vier kinderen in de gaten houdt, nu de kinderen verblijven bij hun halfzus, die intensief contact onderhoudt met de vader van de vier kinderen. De rechtbank verwacht van de GI dat zij indien de belangen van de kinderen het noodzakelijk maken dat zij in een ander gezinsverband opgroeien, zij de daartoe nodige feitelijke en juridisch maatregelen zal treffen. Het belang van deze kinderen staat immers voorop.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De rechtbank:
ontzegt [de vader], voor de duur van drie jaar, het recht op omgang met de minderjarigen [kind 2], [kind 3] en [kind 4], dus tot 15 september 2029, en met [kind 1] tot zijn meerderjarigheid, dus tot [datum] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. V.M. Smits, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.