RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-267348-22
Datum uitspraak: 28 september 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1982],
wonende te [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 januari 2023 en 14 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 december 2022.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op 17 oktober 2022 te Eindhoven, althans in het arrondissement Oost Brabant, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 kilogram (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine, zijnde (meth)amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2:
hij op 17 oktober 2022 te Eindhoven, althans het arondissement Oost Brabant, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van (een) geldbedrag(en), te weten totaal ongeveer €37.500,-, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(n) op die/dat geldbedrag(en) was/waren, terwijl hij, verdachte, wist dat dit/die geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig zijn/is uit enig misdrijf;
Feit 3:
hij op 17 oktober 2022 te Eindhoven, althans in het arrondissment Oost Brabant, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit als bedoeld in lid 4 en/of lid 5 van artikel 10 van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) (met)amfetamine en/of MDMA, zijnde een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,500 mililiter BMK, althans een hoeveelheid van een stof bevattende BMK, voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat deze bestemd waren tot het plegen van dat feit
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De procesafspraken
De rechtbank heeft kennisgenomen van (een digitaal afschrift van) de overeenkomst van 12 mei 2026, inhoudende procesafspraken over de afdoening van deze strafzaak (hierna: de procesafspraken). De overeenkomst is door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsvrouw ondertekend.
De procesafspraken komen op het volgende neer:
Met het maken van procesafspraken hebben partijen beoogd tot een efficiëntere en snellere afdoening van de zaak te komen, terwijl de juridische kwaliteit van de afdoening gewaarborgd blijft en er recht gedaan wordt aan de aard en ernst van de strafbare feiten.
Een kopie van de overeenkomst is aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022 [ECLI:NL:HR:2022:1252]. De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsvrouw en dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van de overeenkomst.
Op de zitting van 14 september 2026 heeft de rechtbank benadrukt dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. De verdachte was op de zitting aanwezig. De rechtbank heeft de procesafspraken doorgenomen. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. De verdachte heeft ten overstaan van de rechtbank nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de overeenkomst en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten en dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.
De bewijsvraag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken bewezenverklaring gevorderd van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen voor het onder feit 1 en 3 ten laste legde voor zover dit betrekking heeft op het medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten samen met een of meer anderen heeft gepleegd. Voor dit deel van de tenlastelegging zal de verdachte daarom partieel worden vrijgesproken.
Ter terechtzitting van 14 september 2026 hebben de officier van justitie en de verdediging kenbaar gemaakt dat indien de rechtbank tot een partiële vrijspraak zou komen voor het medeplegen in één of meer van de feiten, zij de zaak niet willen heropenen maar dat zij de procesafspraken voor het overige willen handhaven.
De rechtbank ziet geen aanleiding om verder van de procesafspraken af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank is de bewezenverklaring, zoals opgenomen in de procesafspraken, gebaseerd op de bewijsmiddelen in het dossier. Dit betekent dat de rechtbank het ten laste gelegde voor het overige wettig en overtuigend bewezen acht. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, neemt de rechtbank de gebruikte bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit vonnis, die aan het verkort vonnis wordt gehecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte:
Feit 1:
op 17 oktober 2022 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10 kilogram (meth)amfetamine , een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2:
op 17 oktober 2022 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een geldbedrag, te weten totaal €37.500,-, de werkelijke aard en herkomst te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(n) op dat geldbedrag was/waren, terwijl hij, verdachte, wist dat dit geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
Feit 3:
op 17 oktober 2022 te Eindhoven, om een feit als bedoeld in lid 4 en/of lid 5 van artikel 10 van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken van hoeveelheden (van een materiaal bevattende) (met)amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen als vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een hoeveelheid van een stof bevattende BMK, voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat deze stof bestemd was tot het plegen van dat feit.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
De strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig de procesafspraken, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 510 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 403 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om ook wat de strafmaat betreft aan te sluiten bij de procesafspraken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank dient te beoordelen of de overeengekomen straffen, gelet op het bewezenverklaarde, in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, zoals die naar voren komt uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, en bij de beoordeling of de procesafspraken in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid methamfetamine, het treffen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in harddrugs, en het medeplegen van witwassen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van verdovende middelen, en dan met name harddrugs, een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend en met illegale geldstromen waardoor de legale economie wordt ondermijnd. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding hiervan. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij voorbij is gegaan aan de belangen van de samenleving en zich heeft laten leiden door eigen financieel gewin.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, maar ook sinds de beschuldiging niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met ruim één jaar en elf maanden is overschreden. De verdachte is op 17 oktober 2022 in verzekering gesteld. Dit vonnis is op 28 september 2026 gewezen. De rechtbank acht het dan ook op zijn plaats dat de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten in beginsel een (langdurige) onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Indien er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt, had de officier van justitie – rekening houdend met alle bijzondere omstandigheden - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden geëist. Desondanks komt de officier van justitie tot een andere strafeis, nu hij uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, de positieve wending in het leven van de verdachte sinds zijn invrijheidstelling, zijn beperktere rol in het onderzoek Baraga, en de voordelen die gepaard gaan met dienovereenkomstige afdoening.
De rechtbank is van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie recht doet aan deze zaak, waarbij het belang van de verdachte en ook dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. De rechtbank neemt daarbij uitdrukkelijk in ogenschouw dat de redelijke termijn fors is overschreden en dat de verdachte na zijn invrijheidstelling zijn leven op vrijwel alle gebieden (werk, wonen, financiën, gezondheid, netwerk en verslaving) een positieve wending heeft gegeven. Een straf die meebrengt dat de verdachte wederom gedetineerd raakt, zou deze positieve ontwikkelingen teniet kunnen doen. Door de procesafspraken is er bovendien sprake van een efficiëntere rechtspleging en wordt een hoger beroep voorkomen wat tijdswinst en kostbare zittingscapaciteit oplevert.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de in de procesafspraken opgenomen afdoening van de zaak passend. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot de straffen zoals de verdediging en het Openbaar Ministerie die in de overeenkomst hebben afgesproken. Dit betekent eveneens dat de rechtbank het reeds geschorste bevel tot de voorlopige hechtenis zal opheffen.
Beslag
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de goederen 1 tot en met 13 op de beslaglijst aan het verkeer dienen te worden onttrokken, nu dit verdovende middelen betreffen, dan wel documenten om verdovende middelen te maken. Ten aanzien van de goederen 14 tot en met 18 heeft de officier van justitie gevorderd dat teruggave dient worden gelast aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de goederen onder 14 tot en met 18 op de beslaglijst niet aan de verdachte toebehoren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot 13 genoemde goederen onttrekken aan het verkeer. Deze goederen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze goederen de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de op de beslaglijst onder 14 tot en met 18 genoemde goederen aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 47, 57, 420bis Wetboek van Strafrecht
2, 10, 10a Opiumwet.
De uitspraak
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van witwassen;
ten aanzien van feit 3:
het voorbereiden of bevorderen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straffen:
ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:
een gevangenisstraf voor de duur van 510 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 403 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:
een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst genoemde goederen, te weten:
1. STK Verdovende Middelen;
2. 1 STK Verdovende Middelen;
3. 1 STK Verdovende Middelen;
4. 1 STK Verdovende Middelen;
5. 1 STK Verdovende Middelen;
6. 1 STK Verdovende Middelen;
7. 1 STK Verdovende Middelen;
8. 1 STK Verdovende Middelen;
9. 1 STK Verdovende Middelen;
10. 1 STK Verdovende Middelen;
11. 1 STK Verdovende Middelen;
12. 1 STK Document NOTITIES / LIJST OM METH TE MAKEN;
13. 1 STK Document AANTEKENINGEN HOE METH TE MAKEN.
gelast de teruggave van de op de beslaglijst genoemde goederen, te weten:
14. 1 STK GSM incl. beschermhoesje en Lyca mobile simcard;
15. 1 STK GSM incl. beschermhoesje;
16. 1 STK GSM scherm gescheurd, incl. Lyca mobile simcard;
17. 1 STK GSM Scherm gescheurd, incl. Lyca moblile simcard;
18. 1 STK Computer SIN: AAQE0751NL // H16.13.16 // MEE NAAR DIGI,
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon;
heft op het tegen de verdachte reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Maas, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 28 september 2026.