ECLI:NL:RBOBR:2026:6949

ECLI:NL:RBOBR:2026:6949

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 01-284176-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Poging tot doodslag op een medewerker van een zorginstelling voor mensen die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben. De verdachte heeft meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen waarna het slachtoffer het bewustzijn verloor. Vervolgens heeft de verdachte de nek van het slachtoffer vastgepakt en hem met zijn hoofd verschillende malen tegen een marmeren bank geslagen. De verdachte heeft toen het slachtoffer op de grond lag hem tegen het hoofd en de rug getrapt en vervolgens met twee handen de keel van het slachtoffer dichtgeknepen, terwijl het slachtoffer het bewustzijn al had verloren. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het volle opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en niet (slechts) voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft niet meegewerkt aan een psychologisch onderzoek, maar wel aan een psychiatrisch onderzoek. Geadviseerd is door de psychiater om de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank hiermee rekening, maar legt uit oogpunt van vergelding wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op die de duur van de voorlopige hechtenis overstijgt. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast wordt aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd, zoals door de psychiater is geadviseerd. Beslissing op vordering benadeelde partij; toegewezen wordt een bedrag aan materiële schade en een bedrag van € 29.150,- aan immateriële schade. Bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen. Anders dan gevorderd, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding niet verhogen met een percentage van 20%, maar met een percentage van 10%, omdat de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, wat een aanzienlijke invloed heeft op de mate van verwijtbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.284176.25

Datum uitspraak: 29 september 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [1975],

thans gedetineerd in de [verblijf plaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 februari 2026, 14 april 2026, 9 juli 2026 en 15 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij voorlopige dagvaarding van 6 januari 2026. Op basis van een mondelinge bevestiging van de officier van justitie ter terechtzitting van 15 september 2026 van de daartoe strekkende mededeling in een e-mail van 30 juli 2026, beschouwt de rechtbank de voorlopige dagvaarding als de definitieve dagvaarding.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 oktober 2025 te Boekel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]: - meermaals tegen hoofd en/of lichaam heeft geslagen, waarbij [slachtoffer] in elkaar is gezakt, - bij de nek heeft vastgepakt en meermaals met zijn hoofd tegen de marmeren bank heeft geslagen, - meermaals tegen het hoofd en/of rug heeft getrapt en/of - met twee handen de keel heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 oktober 2025 te Boekel aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een breuk/scheur in de rechter oogkas en/of een hersenschudding heeft toegebracht, door die [slachtoffer]: - meermaals tegen hoofd en/of lichaam te slaan, waarbij [slachtoffer] in elkaar zakt, - bij de nek vast te pakken en meermaals met zijn hoofd tegen de marmeren bank te slaan, - meermaals tegen het hoofd en/of rug te trappen en/of - met twee handen de keel dicht te knijpen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 oktober 2025 te Boekel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] - meermaals hoofd en/of lichaam heeft geslagen, waarbij [slachtoffer] in elkaar is gezakt, - bij de nek heeft vastpakt en meermaals met zijn hoofd tegen de marmeren bank heeft geslagen, - meermaals tegen het hoofd en/of rug heeft getrapt en/of - met twee handen de keel heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wat de verdachte primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft zich met voornoemd standpunt van de officier van justitie verenigd.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht de aan de verdachte primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft meermalen tegen het hoofd van het slachtoffer geslagen waarna het slachtoffer het bewustzijn verloor. Vervolgens heeft de verdachte de nek van het slachtoffer vastgepakt en hem met zijn hoofd verschillende malen tegen een marmeren bank geslagen. De verdachte heeft toen het slachtoffer op de grond lag hem tegen het hoofd en de rug getrapt en vervolgens met twee handen de keel van het slachtoffer dichtgeknepen, terwijl het slachtoffer het bewustzijn al had verloren. Dit geweld is enkel geëindigd doordat verdachte van het lichaam van het slachtoffer is getrokken door collega’s van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank was het handelen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het doelbewust en opzettelijk toebrengen van dodelijk letsel. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het volle opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en niet (slechts) voorwaardelijk opzet. In dit oordeel wordt de rechtbank gesterkt door de uitlating van de verdachte in de richting van het slachtoffer voorafgaand aan zijn aanval, zoals gehoord door getuige [getuige]. Volgens deze getuige uitte de verdachte de woorden “ik ben helemaal klaar met jou, jij gaat eraan” waarna hij het slachtoffer direct aanviel.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte

(primair)

op 24 oktober 2025 te Boekel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer], van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]: - meermaals tegen hoofd heeft geslagen, waarbij [slachtoffer] in elkaar is gezakt; - bij de nek heeft vastgepakt en meermaals met zijn hoofd tegen de marmeren bank heeft geslagen; - meermaals tegen het hoofd en rug heeft getrapt en - met twee handen de keel heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft oplegging van een gevangenisstraf bepleit waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte op de datum van einduitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor wat betreft de gevorderde tbs-maatregel met verpleging van overheidswege heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Bovendien heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de heer [slachtoffer]. Het slachtoffer was op dat moment werkzaam als verpleegkundige bij [plaats], een instelling voor mensen die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben.

Dat is een zeer ernstig misdrijf. Dat het slachtoffer niet is overleden, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is geweest, maar enkel aan het snelle en adequate optreden van collega’s van het slachtoffer. Het gewelddadige karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat de verdachte er niet voor terugschrikt om geweld tegen een ander te gebruiken. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen hiervan nog lang hinder ondervinden in hun dagelijkse leven. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij dit met zijn gedrag heeft veroorzaakt. De rechtbank houdt bovendien in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte het geweld heeft gepleegd tegen een medewerker van een zorginstelling die bezig was met de uitoefening van zijn functie en daarbij werkzaam was om de zorg en veiligheid binnen de instelling te waarborgen. De rechtbank wenst hiermee een signaal af te geven dat geweld tegen zorg- en hulpverleners niet kan worden geaccepteerd.

De persoon van de verdachte

Op 15 mei 2026 heeft psychiater [naam 1] over de verdachte een psychiatrisch rapport pro justitia opgemaakt. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld. Bij de verdachte is sprake van schizofrenie, in combinatie met antisociale persoonlijkheidstrekken. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Gesteld kan worden dat er een lange periode van achterdocht en wantrouwen is geweest, voordat het ten laste gelegde plaatsvond. De verdachte ervaarde dat hij gediscrimineerd werd en uitgelachen werd, waardoor hij vond dat hij voor zichzelf moest opkomen. Vanuit zijn persoonlijkheid heeft de verdachte dit op een voor hem gerechtvaardigde manier gedaan, waarbij hij echter volledig over alle grenzen heen is gegaan. De verdachte ervaart dit niet als zodanig en vindt dat hij in zijn gelijk staat. De psychiater heeft geadviseerd om de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De verdachte heeft er om hem moverende redenen voor gekozen niet mee te werken aan het verrichten van een psychologisch onderzoek pro justitia. GZ-psycholoog [naam 2] heeft zich zodoende onthouden van het uitbrengen van een advies. De psycholoog heeft wel overwogen dat er op grond van de beschikbare stukken aanwijzingen dat er bij de verdachte sprake is van een schizofrenie van het paranoïde type en een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank neemt de conclusie en het advies van de psychiater over in die zin dat de rechtbank de verdachte ten aanzien van de hiervoor bewezen verklaarde poging tot doodslag als sterk verminderd toerekeningsvatbaar beschouwt.

De op te leggen straf

Door de raadsvrouw is met verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis bepleit. Naar het oordeel van de rechtbank wegen die omstandigheden mee, maar maken die niet dat kan worden volstaan met een straf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest. Er is sprake geweest van een zeer heftig geweldsincident. In een zaak waarin zo grof geweld tegen een medewerker van een zorginstelling is gebruikt, kan uit oogpunt van vergelding niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de voorlopige hechtenis tot nu toe overstijgt.

Bij het bepalen van de uiteindelijke duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank in strafmatigende zin wel rekening gehouden met het feit dat de verdachte voor het bewezen verklaarde feit sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Ook zal de rechtbank rekening houden met de hierna aan de verdachte op te leggen maatregel en de daarmee gepaard gaande wachtlijsten voor plaatsing (passantenproblematiek). De rechtbank zal daarom een kortere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is de op te leggen straf in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten zal hierop in mindering worden gebracht.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De op te leggen maatregel

Uit het rapport van psychiater [naam 1] volgt dat het risico op herhaling als hoog wordt ingeschat. Gezien de complexe psychiatrische problematiek in combinatie met het hoge recidiverisico, acht de psychiater het noodzakelijk om de verdachte te behandelen binnen een langdurig intensief klinisch gedwongen behandeltraject, waar ook oog is voor risicomanagement. De psychiater heeft daarom de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege geadviseerd.

Op grond van het psychiatrische rapport en het verhandelde ter terechtzitting ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de conclusie en het advies van de psychiater. De rechtbank neemt de conclusie en advies over.

Gelet op de geconstateerde complexe psychiatrische stoornis van de verdachte en het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat een minder zware modaliteit dan de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege onvoldoende waarborgen biedt voor continuïteit van de noodzakelijke (klinische) behandeling van de verdachte en de beveiliging van de maatschappij.

De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Op het moment van het plegen van het feit bestond bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogen, zoals hiervoor reeds is overwogen. Het hierna te kwalificeren feit betreft bovendien een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Geen maximumduur van de tbs-maatregel

Het bewezen verklaarde feit is gericht tegen of veroorzaakt gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de tbs-maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer].

Benadeelde partij [slachtoffer] heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van

€ 35.320,17, vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering is als volgt opgebouwd:

*materiële schade:

(totaal: € 3.520,17)

* immateriële schade: € 31.800,-.

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de uiteindelijke hoogte van het toe te wijzen bedrag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht moet worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering grotendeels kan worden toegewezen. Voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van het deel dat betrekking heeft op de oppaskosten voor de hond. Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij geen aanleiding ziet het smartengeld te verhogen met een percentage van 20%, omdat er bij een poging tot doodslag altijd sprake is van opzet. Verder heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het niet passend is om de bovenkant van de bandbreedte van de categorie ‘(d) Minder ernstig hersenletsel’ als uitgangspunt te nemen, omdat nu nog niet duidelijk is wat het herstelverloop van de benadeelde partij zal zijn. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.

De rechtbank overweegt als volgt.

Materiële schade

De gevorderde materiële posten kledingschade, kosten van genezing en herstel, kosten huishoudelijke hulp en verlies aan verdienvermogen zijn voldoende onderbouwd en niet weersproken. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 3.200,17 aan materiële schade toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de kosten van oppas voor de hond. Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar gesteld dat deze kosten zijn gemaakt, maar nu betwist is dat deze kosten zich hebben voorgedaan, is in de vordering onvoldoende onderbouwd dat hiervoor daadwerkelijk kosten zijn gemaakt. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen. Op grond van artikel 6:106 BW komt de benadeelde partij daarom in aanmerking voor een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.

Rotterdamse schaal

Bij het vaststellen van deze schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse schaal en hanteert zij de door het LOVS vastgestelde aanbevelingen.

In geval van ernstige verwijtbaarheid of opzet op het toebrengen van letsel geldt als aanbeveling om het smartengeld te verhogen met een percentage tussen de 10 en 25%. Bij meervoudig letsel geldt de aanbeveling om het zwaarste letsel volledig mee te tellen, het in ernst tweede letsel voor 50% en om overig of verder letsel niet als percentage mee te wegen, maar dit te betrekken als factor bij de hoogte van het smartengeld.

De rechtbank is van oordeel dat het tot op heden bekende letsel als gevolg van het postcommotioneel syndroom valt onder categorie 2.1 hersenletsel onder d minder ernstig van de Rotterdamse schaal (bandbreedte € 10.000 tot € 29.000). Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat er sprake is van persisterende klachten na traumatisch hersenletsel en dat een medische eindsituatie nog niet is bereikt. De rechtbank beschouwt dit letsel als het primaire letsel en acht op basis van de Rotterdamse schaal een bedrag van € 25.000,00, zoals gevorderd, billijk. Anders dan de raadsvrouw overweegt de rechtbank dat het gevorderde bedrag niet de strikte bovenkant van de bandbreedte is en dat de rechtbank in de huidige onzekerheid over het verdere herstel en eventuele restklachten van de benadeelde partij geen aanleiding ziet het gevorderde bedrag te matigen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het letsel als gevolg van aangezichts- en tandletsel valt onder categorie 9.1 gezichtsletsel onder d breuken van jukbeenderen onder II eenvoudige breuken van de jukbeenderen waarbij enige reconstructieve chirurgie nodig is (bandbreedte € 3.000 tot € 4.500). Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat een dergelijke operatie weliswaar niet heeft plaatsgevonden, maar dat er wel sprake was van een fractuur, fors zichtbaar aangezichtsletsel, sensibiliteitsklachten en tandbeschadigingen. De

rechtbank acht het door de verdediging als uitgangspunt genomen bedrag van € 3.000 billijk. De rechtbank beschouwt dit letsel als het tweede letsel en acht op basis van de Rotterdamse schaal een bedrag van € 1.500, zoals gevorderd, toewijsbaar.

Tot slot past de rechtbank de aanbeveling toe om de bedragen van het primaire en secundaire letsel te verhogen met 10% vanwege het ernstige verwijt dat de verdachte te maken valt met betrekking tot het toebrengen van het letsel. De rechtbank overweegt hiertoe dat het handelen van de verdachte actief en doelbewust was gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan de benadeelde partij. Anders dan door de benadeelde partij is gevorderd, zal de rechtbank niet een verhoging met een percentage van 20% toepassen, omdat de verdachte, volgens een hem betreffend psychiatrisch rapport, als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Dit heeft een aanzienlijke invloed op de mate van verwijtbaarheid, waardoor de rechtbank een verhoging van 10% wegens opzet passend vindt.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op € 29.150,- (€ 25.000,- voor het primaire letsel, € 1.500,- voor het secundaire letsel en € 2.650,- (10% van 26.500,-) als verhoging voor de verwijtbaarheid).

De rechtbank zal de verdachte in het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente, kostenveroordeling en schadevergoedingsmaatregel.

De immateriële schade wordt geacht te zijn geleden op het moment dat het bewezen verklaarde feit heeft plaatsgevonden, zodat de wettelijke rente over de immateriële schade van € 29.150,- toegewezen wordt vanaf 24 oktober 2025 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.

Uit oogpunt van efficiency zal de rechtbank voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schade van € 3.200,17 bepalen op 1 januari 2026. Naar het oordeel van de rechtbank wordt op deze datum alle toegewezen schade geacht te zijn ingetreden.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De rechtbank zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

poging tot doodslag;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

* een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

legt op de volgende maatregelen:

* terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege;

* een maatregel van schadevergoeding van € 32.350,17, te vervangen door 166 dagen gijzeling;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van slachtoffer, [slachtoffer], van een bedrag van € 32.350,17, bestaande uit € 3.200,17,- voor vergoeding van materiële schade en € 29.150,-, voor vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 166 dagen gijzeling;

bepaalt dat de toepassing van deze vervangende gijzeling de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente

- ten aanzien van de post materiële schade (€ 3.200,17) op 1 januari 2026;

- ten aanzien van de post immateriële schade (€ 29.150,-) op 24 oktober 2025;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte daarom tot betaling aan benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 32.350,17, bestaande uit € 3.200,17,- voor vergoeding van materiële schade en € 29.150,- voor vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag van volledige vergoeding;

bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente

- ten aanzien van de post materiële schade (€ 3.200,17) op 1 januari 2026;

- ten aanzien van de post immateriële schade (€ 29.150,-) op 24 oktober 2025;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is;

bepaalt dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.E. de Kryger, voorzitter,

mr. T. Kraniotis en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 29 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.E. de Kryger
  • mr. T. Kraniotis
  • mr. M. Kleijn Hesselink

Griffier

  • mr. I.J.M. Weemers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand