ECLI:NL:RBOBR:2026:6956

ECLI:NL:RBOBR:2026:6956

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 28-09-2026
Datum publicatie 25-09-2026
Zaaknummer 01-011533-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak voor diefstal / heling (feit 5) en de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Veroordeling voor beschadiging, het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en acht diefstallen (in sommige gevallen met braak, verbreking, een valse sleutel of insluiping in de woning). Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. Vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.011533.26 en 01.295964.25 (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummers vorderingen: 01-223836-25 en 01-230780-24

Datum uitspraak: 28 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2026, 15 juli 2026 en 14 september 2026.

Op de zitting van 14 september 2026 heeft de rechtbank de tegen de verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 16 maart 2026 en 11 augustus 2026.

Nadat de tenlastelegging van de zaak met parketnummer 01-011533-26 op de terechtzitting van 15 juli 2026 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. 01-011533-26 (hierna: dagvaarding I)

Feit 1:

hij op of omstreeks 10 juli 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een rolstoelbus, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Feit 2:

hij op of omstreeks 17 september 2025 te 's-Hertogenbosch en/of Rosmalen, althans in Nederland een tas met inhoud (waaronder geld, pasjes, sigaretten en epipennen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 september 2025 te 's-Hertogenbosch en/of Rosmalen, althans in Nederland een tas, bankpas, rijbewijs en/of creditcard, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 3:

hij op of omstreeks 26 september 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland in een woning, [adres 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, twee portemonnees met inhoud (waaronder bankpassen en/of contant geld), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 september 2025 te 's-Hertogenbosch, Tilburg en/of Den Haag, althans in Nederland bankpassen, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 4:

hij op of omstreeks 26 september 2025 te 's-Hertogenbosch, Tilburg en/of Den Haag, althans in Nederland geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen op naam van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;

Feit 5:

hij op of omstreeks 12 december 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland een telefoon en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 december 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland een telefoon en/of een rijbewijs, althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 6:

hij op of omstreeks 4 januari 2026 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland een geldbedrag ter hoogte van 100 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 7:

hij op of omstreeks 8 januari 2026 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland een geldbedrag ter hoogte van 900 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Feit 8:

hij op of omstreeks 9 januari 2026 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland een geldbedrag ter hoogte van 300 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 9:

hij op of omstreeks 12 januari 2026 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland een kassalade met inhoud (een geldbedrag ter hoogte van 230 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen kassalade met inhoud onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Feit 10:

hij op of omstreeks 12 januari 2026 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland drie autosleutels en/of een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 4] en/of [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

t.a.v. 01-295964-25 (hierna: dagvaarding II)

hij op of omstreeks 5 november 2025 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk SB/OOV/18615491 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van 's-Hertogenbosch, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 1 november 2025 tot en met 1 februari 2026 niet mocht bevinden in de wijk Hintham-Zuid, door, zich op voornoemde datum om 16:40 uur in/op de Engstoep, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

De zaak met parketnummer 01-223836-25 is aangebracht bij vordering van 18 februari 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te

's-Hertogenbosch van 25 september 2025.

De zaak met parketnummer 01-230780-24 is aangebracht bij vordering van 18 februari 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te

's-Hertogenbosch van 21 oktober 2024.

Een kopie van de vorderingen is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 5 van dagvaarding I rekwireert de officier van justitie tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 tot en met 9 van dagvaarding I en van het onder dagvaarding II ten laste gelegde feit. Ten aanzien van feit 10 onder dagvaarding I heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

1. Dagvaarding I

In deze zaken is de verdachte veelvuldig op de beelden herkend door verschillende verbalisanten. De rechtbank overweegt dat, voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen, onder meer van belang is in hoeverre op de beelden voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. De rechtbank moet verder beoordelen wat de kwaliteit is van de afbeeldingen (of bewegende beelden) waarop een verdachte wordt herkend. Bovendien is het aantal van elkaar onafhankelijke herkenningen door verbalisanten van belang.

De rechtbank stelt voorop dat er camerabeelden en stills aan het dossier zijn toegevoegd, waarop verschillende verbalisanten de verdachte hebben herkend. Ten aanzien van al deze camerabeelden en stills (met uitzondering van feit 5) is de rechtbank van oordeel dat deze

– al dan niet in onderlinge samenhang bezien – van voldoende kwaliteit zijn om daarop duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken te kunnen zien en om op die camerabeelden en stills een betrouwbare herkenning te kunnen baseren. Daar komt bij dat een groot deel van de herkenningen is opgemaakt door verbalisanten die de verdachte in levende lijve hebben ontmoet.

De rechtbank gaat in het vervolg van dit vonnis dan ook uit van de betrouwbaarheid van de opgemaakte herkenningen. Zij zal de door de raadsman geuite bezwaren tegen de herkenningen daarom verder buiten beschouwing laten.

Feit 1

Anders dan de raadsman acht de rechtbank bewezen dat de verdachte op 10 juli 2025 in

’s-Hertogenbosch de rolstoelbus van [slachtoffer 1] heeft beschadigd. De rechtbank baseert haar oordeel op de aangifte, de processen-verbaal van bevindingen met daarin een beschrijving van de camerabeelden en op het feit dat de verdachte door twee verbalisanten op een still van de camerabeelden is herkend. Hieruit volgt dat de verdachte richting de rolstoelbus loopt met een voorwerp in zijn linkerhand, zijn linkerhand uitsteekt en langs de gehele rolstoelbus beweegt, waarna een kras op de rolstoelbus is ontstaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 2

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van diefstal uit zijn bus op 17 september 2025, waarbij een tas met daarin geld, pasjes, sigaretten en epipennen is weggenomen. De bus stond geparkeerd op het adres [adres 2] . Getuige [getuige] heeft waargenomen dat een persoon een zwart tasje wilde verstoppen bij de woning gelegen aan de [adres 3] . Getuige [getuige] heeft foto’s gemaakt van de persoon. Verbalisanten herkenden de verdachte op deze foto’s. Op het moment dat getuige [getuige] medewerkers van de handhaving had ingeschakeld, was aangever [slachtoffer 2] in de omgeving naar zijn tas aan het zoeken. Door getuige [getuige] zijn vervolgens bij de woning een aantal pasjes (bankpas, rijbewijs, creditcard) gevonden, waarvan het identiteitsbewijs overeenkwam met de personalia van aangever [slachtoffer 2] . Door de handhaving is in de regenton de tas aangetroffen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gestolen goederen van aangever [slachtoffer 2] voorhanden heeft gehad.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ook degene is geweest die de wegneemhandelingen heeft verricht.

De rechtbank stelt vast dat het adres waar de tas is aangetroffen op 250 meter afstand is van het adres waarop de wegneemhandelingen zijn verricht. Gelet op de korte afstand, het korte tijdsbestek van nog geen 20 minuten tussen de diefstal en het dumpen van de tas, in combinatie met het ontbreken van een verklaring van de verdachte, acht de rechtbank het onder feit 2 primair ten laste gelegde bewezen.

Feiten 3 en 4

Uit de aangifte van [slachtoffer 5] volgt dat op 26 september 2025 tussen 01:00 uur en 09:00 uur twee portemonnees met pinpassen zijn weggenomen uit de woning. Uit de door aangever overgelegde pintransacties blijkt dat op 26 september 2025 vanaf 09:30 uur meermalen vlak na elkaar met de gestolen pinpassen is gepind, waarbij een duidelijke route is afgelegd door

‘s-Hertogenbosch, Tilburg en Den Haag. Bij twee pintransacties om 11:39 uur en 11:48 uur bij [bedrijf 3] , is één persoon op de camerabeelden van de coffeeshop waargenomen, waarbij hij in één geval afrekent met een betaalpas en in het andere geval met een betaalpas in zijn hand staat en lijkt af te rekenen. De verdachte is op stills van deze camerabeelden door verbalisanten herkend.

Gelet op de herkenning van de verdachte op twee pinmomenten – waarop één handelende dader te zien is –, het korte tijdsverloop tussen de diefstal uit de woning en de diefstal van de geldbedragen, alsook het korte tijdsverloop tussen de pinlocaties zelf, in combinatie met het ontbreken van een verklaring van de verdachte, acht de rechtbank – anders dan de raadsman – het onder feit 3 primair en 4 ten laste gelegde bewezen.

Feit 5

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal, dan wel heling van de telefoon en het rijbewijs. Naar het oordeel van de rechtbank is niet genoegzaam vast te stellen dat de persoon op de camerabeelden de verdachte betreft. De camerabeelden die bij het dossier zijn gevoegd zijn van dusdanige slechte kwaliteit dat de rechtbank niet kan controleren of de herkenningen door de verbalisanten hebben plaatsgevonden op specifieke en onderscheidende persoonskenmerken. De herkenningen door de verbalisanten zal de rechtbank dan ook niet tot het bewijs bezigen. Op basis van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte degene is geweest die de goederen heeft weggenomen, dan wel heeft geheeld. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

Feit 6

Uit de aangifte door [naam] volgt dat er op 4 januari 2026 omstreeks 11:00 uur een man achter de bar van [bedrijf 1] , gelegen aan de Karrenstraat 77 te

’s-Hertogenbosch, is geklommen en € 100,- uit de kassa heeft weggenomen. De verdachte is op de camerabeelden van het hotel herkend. De rechtbank stelt vast dat er geen stills in het dossier zitten. Echter heeft de rechtbank de camerabeelden bekeken en is van oordeel dat de camerabeelden voldoende duidelijk zijn om tot een betrouwbare herkenning te kunnen komen.

De rechtbank overweegt dat de beschrijving van de camerabeelden weliswaar niet exact de wegneemhandelingen weergeeft, maar gelet op de herkenning van de verdachte door de verbalisant, de aangifte en het ontbreken van een verklaring van de verdachte, acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 7

Ook dit feit acht de rechtbank – anders dan de raadsman - bewezen. Zij baseert haar oordeel op de aangifte, op de beschrijving van de camerabeelden en op de herkenning van verdachte (op een still van deze camerabeelden) door twee verbalisanten. Hieruit volgt dat de verdachte meermaals tegen de toegangsdeur van [slachtoffer 8] , gevestigd aan de [adres 4] , heeft geduwd en getrapt, waarna de toegangsdeur open ging. Vervolgens heeft de verdachte een geldbedrag ter hoogte van € 900,- uit de kassalade weggenomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 8

De rechtbank acht het feit – anders dan de raadsman - bewezen. Zij baseert haar oordeel op de aangifte, op de beschrijving van de camerabeelden en op de herkenning van de verdachte door drie verbalisanten op de camerabeelden. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de herkenning van de verdachte niet enkel op basis van de still (pagina 190 van het procesdossier) gedaan, maar aan de hand van de bewegende beelden. Hieruit volgt dat de verdachte op 9 januari 2026 omstreeks 16:00 uur de kassalade van restaurant [bedrijf 2] heeft opgemaakt en meerdere stapels met bankbiljetten (te weten: € 300,-) heeft weggenomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 9

Anders dan de raadsman acht de rechtbank bewezen dat de verdachte op 12 januari 2026

een kassalade (met daarin € 230,-) uit het [slachtoffer 12] , te ’s-Hertogenbosch heeft weggenomen. De rechtbank stelt vast dat omstreeks 03:25 uur het inbraakalarm is afgegaan, waarna verbalisanten ter plaatse zijn gegaan en hebben waargenomen dat de toegangsdeur openstond. De kassalade is later die dag opengebroken aangetroffen. Op de camerabeelden is waargenomen dat de persoon die de toegangsdeur forceert, dezelfde persoon is als degene die het kassaterminal onder het beeldscherm vandaan trok en meenam. De persoon was gekleed in een zwarte broek, witte sneaker met beige accenten en een trainingsjack met zwarte mouwen, grijze stof op het torso tot de borst en een cyaanblauwe stof op de torso vanaf de borst en op de gehele capuchon. De rechtbank stelt vast dat de verdachte diezelfde dag voor een ander feit (feit 10) is aangehouden, waarbij hij dezelfde kenmerkende kleding droeg. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 10

Ten aanzien van feit 10 wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage.

2. Dagvaarding II

Op 31 oktober 2025 is aan de mentor van de verdachte, [mentor] , een schrijven toegekomen met daarin opgenomen het gebiedsverbod aan de verdachte op grond van artikel 172a, eerste lid sub a, van de Gemeentewet voor de wijk Hintham-Zuid, opgelegd voor de duur van drie maanden. Het gebiedsverbod gold vanaf 1 november 2025 tot en met 1 februari 2026. Op 2 november 2025 is aan de verdachte het gebiedsverbod in persoon uitgereikt. Op 5 november 2025 om 16:40 uur is de verdachte op de Engstop in Rosmalen aangetroffen, welke straat valt onder het gebiedsverbod.

De raadsman heeft bepleit dat er geen afschrift van hetgeen aan de verdachte is uitgereikt in het dossier zit, waardoor de wetenschap van het gebiedsverbod niet kan worden vastgesteld en het opzet op het overtreden van het gebiedsverbod ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 28 van het dossier) nader is toegelicht dat hetgeen aan de verdachte is uitgereikt het gebiedsverbod voor de wijk Hintham-Zuid betreft, ingaande van 1 november 2025 tot en met 1 februari 2026. Daar komt bij dat het gebiedsverbod gericht aan de mentor van de verdachte wel in het dossier is opgenomen en overeenstemt met de informatie omtrent het gebiedsverbod in het proces-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wetenschap had van het gebiedsverbod, en deze opzettelijk heeft overtreden.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:

Dagvaarding I

Feit 1:

op 10 juli 2025 te 's-Hertogenbosch, opzettelijk en wederrechtelijk een rolstoelbus, die aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft beschadigd;

Feit 2:

op 17 september 2025 te Rosmalen een tas met inhoud (waaronder geld, pasjes, sigaretten en epipennen) die aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 3:

op 26 september 2025 te 's-Hertogenbosch in een woning, [adres 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, twee portemonnees met inhoud (waaronder bankpassen en/of contant geld) die aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 4:

op 26 september 2025 te 's-Hertogenbosch, Tilburg en Den Haag, geldbedragen die aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten bankpassen op naam van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;

Feit 6:

op 4 januari 2026 te 's-Hertogenbosch een geldbedrag ter hoogte van 100 euro dat aan [bedrijf 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 7:

op 8 januari 2026 te 's-Hertogenbosch een geldbedrag ter hoogte van 900 euro dat aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Feit 8:

op 9 januari 2026 te 's-Hertogenbosch een geldbedrag ter hoogte van 300 euro dat aan [bedrijf 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 9:

op 12 januari 2026 te 's-Hertogenbosch een kassalade met inhoud (een geldbedrag ter hoogte van 230 euro) die aan [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 12] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen kassalade met inhoud onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

Feit 10:

op 12 januari 2026 te 's-Hertogenbosch drie autosleutels en een jas die aan [bedrijf 4] en/of [slachtoffer 10] toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Dagvaarding II

op 5 november 2025 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk SB/OOV/18615491 krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a van de gemeentewet, gedaan door de burgemeester van 's-Hertogenbosch, inhoudende dat, verdachte, zich in de periode van 1 november 2025 tot en met 1 februari 2026 niet mocht bevinden in de wijk Hintham-Zuid, door, zich op voornoemde datum om 16:40 uur op de Engstoep te bevinden.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 13 augustus 2026.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een algehele bewezenverklaring komt, volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman heeft eveneens naar voren gebracht dat de verdachte niet openstaat voor gedragsinterventies of bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de periode van 10 juli 2025 tot en met 12 januari 2026 schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Op 10 juli 2025 heeft hij zich schuldig gemaakt aan de beschadiging van een bus. In de daarop volgende maanden heeft hij zich schuldig gemaakt aan een reeks diefstallen waarbij hij vaak op zeer brutale wijze te werk is gegaan. Zo heeft hij portemonnees uit een woning weggenomen, gepind met gestolen pinpassen en heeft hij een complete kassalade uit een restaurant meegenomen. Dit zijn hinderlijke feiten, waarmee overlast en schade voor de aangevers wordt veroorzaakt. Door zo te handelen heeft de verdachte te kennen gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendom. Het behoeft geen betoog dat dit gedrag de openbare orde verstoort. Zelfs een gebiedsverbod heeft de verdachte er niet van weerhouden zich in het gebied te begeven waar hij overlast veroorzaakt. Gebiedsverboden hebben het doel om verstoring van de openbare orde en overlast aan bewoners, bedrijven en toeristen tegen te gaan. Door het negeren van dit verbod heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 augustus 2026. Daaruit blijkt dat hij herhaaldelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, onder meer voor diefstallen, vernielingen en overtredingen van artikel 184 Sr. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. De verdachte liep zelfs nog in twee proeftijden van eerdere veroordelingen. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportage over de verdachte van 1 juli 2026, opgemaakt door M.J.H. Legra, klinisch psycholoog. De deskundige concludeert dat er bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en een stoornis in cannabisgebruik. Deze problematiek, zo stelt de deskundige, was ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Nu de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, kan er geen advies over de mate van toerekenen worden gegeven. De deskundige schat het risico op een recidive in als zeer hoog. Er is sprake van een aantal risicofactoren die in algemene zin correleren met een risico op recidive. Er is sprake van instabiliteit op het gebied van wonen en werk; de verdachte heeft geen vaste verblijfplaats en geen stabiele dagbesteding. In het verleden is in hoge mate sprake geweest van onttrekken aan zorg en van regelovertredend gedrag. Daarnaast is sprake van een verstandelijke beperking resulterend in impulsiviteit en een gebrek aan het kunnen overzien van situaties en zelfoverschatting. De combinatie van de verstandelijke beperking en de psychotische kwetsbaarheid maken dat de verdachte langdurig gestut en gesteund zal moeten worden gezien de chroniciteit van de problematiek.

Gelet op het voorgaande wordt bij een veroordeling geadviseerd om bijzondere voorwaarden op te leggen, bij een (deels) voorwaardelijk straf. De deskundige acht het wenselijk dat de behandeling start binnen een forensisch-psychiatrische kliniek of afdeling (FPK of FPA). De verslavingsproblematiek zal behandeld moeten worden (hierbij rekening houdend met de verstandelijke beperking). Voor zover nog niet duidelijk, acht de deskundige het van belang dat uitgeklaard wordt in hoeverre de psychotische ontregelingen (alleen) getriggerd worden door cannabisgebruik. Daarna zal gezocht moeten worden naar een passende beschermde/ begeleide woonvorm zodat de verdachte voldoende gestructureerd wordt, een passende dagbesteding heeft, de financiën op orde blijven en hij abstinent blijft van middelen.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 augustus 2026 over de verdachte. De reclassering schat het risico op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden in als hoog, waarbij een instabiele woon- en leefsituatie, middelengebruik, een licht verstandelijke beperking, psychotische kwetsbaarheid, beperkte zelfredzaamheid en een gebrek aan probleembesef en verantwoordelijkheid als criminogene factoren worden gezien. Er is sprake van een langdurige geschiedenis van zorgmijding, het niet nakomen van afspraken en het zich onttrekken aan begeleiding en behandeling. Tegelijkertijd blijkt uit de verkregen referenteninformatie dat de verdachte binnen een sterk gestructureerde omgeving kan profiteren van duidelijke kaders, intensieve begeleiding en nabij toezicht.

De reclassering adviseert bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en beheersing middelengebruik, met daarbij dadelijke uitvoerbaarheid van het toezicht en de voorwaarden. Hoewel het geadviseerde traject aanknopingspunten biedt voor verdere begeleiding en behandeling, plaatst de reclassering ook bij dit advies kanttekeningen bij de kans van slagen. Deze twijfels hangen samen met de aard en de persistentie van de problematiek, alsmede de beperkte resultaten van eerdere interventies en vrijwillige hulpverlening.

De strafoplegging

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, is het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf iets minder lang dan door de officier van justitie is gevorderd. Het voorstel van de raadsman – om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest – doet onvoldoende recht aan de ernst en de omvang van de feiten.

Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf moet worden gezien als een stok achter de deur, om te voorkomen dat de verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tijdens de proeftijd dient de verdachte zich te houden aan de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering en die hierna in het dictum staan vermeld. Ondanks de kanttekeningen die de rechtbank, net als de raadsman, ook plaatst bij het slagen van een hulpverleningstraject acht de rechtbank het opleggen van de bijzondere voorwaarden noodzakelijk. De rechtbank spreekt de hoop uit dat de tijd die de verdachte nog in voorarrest zit hem doet inzien dat er iets moet veranderen in zijn leven. Als de verdachte zonder enige vorm van behandeling of begeleiding vrij komt is het – gelet op het rapport van de reclassering, zijn problematiek en zijn delictverleden – niet de vraag of, maar wanneer, de verdachte weer de fout in gaat.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.315,27, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld de vordering dient te worden afgewezen, nu de schade onvoldoende is onderbouwd. Daartoe heeft de raadsman bepleit dat een factuur ontbreekt en op zitting door de benadeelde partij kenbaar is gemaakt dat de betaling nog niet is verricht.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde feit, nu haar rolstoelbus is beschadigd door de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor deze mate van schade (een bedrag van € 2.315,27) voldoende is onderbouwd met de overgelegde offerte. Of die offerte reeds betaald is, is niet relevant: het gaat om een schadebedrag dat gekoppeld wordt aan een door de verdachte beschadigd goed, dat hersteld zal moeten worden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering integraal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 693,41, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 243,41 aan materiële schade en

€ 450,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld de vordering voor zover dit ziet op immateriële schade dient te worden afgewezen, nu dit onderdeel onvoldoende onderbouwd is.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bij dagvaarding I onder 3 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is op dit punt ook niet (gemotiveerd) betwist. De gevorderde materiële schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van de immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft weliswaar aangegeven dat zij na de insluiping last had van angst, maar - voor zover hier al kon worden gesproken van psychisch letsel dat recht geeft op schadevergoeding - heeft de benadeelde partij dit verder niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een verklaring van een deskundige (psycholoog of psychiater). Nu dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de benadeelde partij

niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard voor wat betreft de immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.249,36, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 430,39 aan materiële schade en

€ 818,97 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materieel gevorderde schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de immateriële gevorderde schade heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard, nu onvoldoende blijkt van een rechtstreeks verband tussen de bewezenverklaring en de gevorderde schade.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld de vordering voor zover dit ziet op immateriële schade dient te worden afgewezen, nu dit onderdeel onvoldoende onderbouwd is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bij dagvaarding I onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de gevorderde materiële schadevergoeding. De vordering is op dit punt ook niet (gemotiveerd) betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van de immateriële schadevergoeding. Toewijzing van een vergoeding voor immateriële schade is slechts aan de orde indien er een wettelijke grondslag voor bestaat op grond van artikel 6:106 BW. Hoewel voorstelbaar is dat de benadeelde angstig is geworden door de insluiping en als gevolg daarvan camera’s heeft aangeschaft, levert dit op zichzelf nog geen nog aantasting in de persoon op andere wijze op, zoals is vereist in voornoemd artikel. Daar komt bij dat de gevorderde schade onvoldoende rechtstreeks verband houdt met het gepleegde strafbare feit. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de verdachte zich opnieuw naar de woning van benadeelde zal begeven om daar een insluiping of inbraak te plegen. De kosten die benadeelde heeft gemaakt voor het nemen van beveiligingsmaatregelen komen dan ook niet voor rekening van de verdachte. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 70,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 52,10, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering gelet op de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12]

[slachtoffer 9] heeft zich namens [slachtoffer 12] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 409,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering gelet op de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 9 bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en niet (gemotiveerd) betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.832,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 192,- (huur van de bus), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheidsverklaring.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de Stone Island jas en de Woolrich jas afgewezen dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bij dagvaarding I onder 10 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft door de diefstal van de autosleutels, één dag een bus moeten huren. De vordering is op dit onderdeel voldoende onderbouwd en niet (gemotiveerd) betwist. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering op dit onderdeel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige, dus de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de Stone Island jas en de Woolrich jas,

niet-ontvankelijk verklaren, aangezien niet duidelijk is waaruit de schade precies bestaat. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de beslissingen na voorwaardelijke veroordelingen 01-223836-25 en

01-230780-24.

De vorderingen voldoen aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vorderingen. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan strafbaar feiten heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerleggingen gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 184, 310, 311, 350 Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het bij dagvaarding I (01-011533-26) onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bij dagvaarding I (01-011533-26) onder 1, 2 primair, 3 primair, 4, 6, 7, 8, 9 en 10, en het bij dagvaarding II (01-295964-25) ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven opleveren:

t.a.v dagvaarding I (01-011533-26)

feit 1:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen

feit 2, primair:

diefstal

feit 3, primair:

diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt

feit 4:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

feit 6:

diefstal

feit 7:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

feit 8:

diefstal

feit 9:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

feit 10:

diefstal

t.a.v dagvaarding II (01-295964-25)

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf en maatregelen:

t.a.v. dagvaarding I (01-011533-26) feit 1, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4, feit 6, feit 7, feit 8, feit 9, feit 10 en dagvaarding II (01-295964-25):

een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

en stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering Leger des Heils op het adres Dokter Cuyperslaan 80 5623 BB Eindhoven ;

- zich tijdens de proeftijd voor zo lang als de reclassering dit nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in zorginstelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig als mogelijk is. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

Beslissingen na voorwaardelijke veroordelingen:

beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 21 oktober 2024, gewezen onder parketnummer 01-230780-24, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand

beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 25 september 2025, gewezen onder parketnummer 01-223836-25, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken

t.a.v. 01-011533-26 feit 1:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 2.315,27 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 2.315,27 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 dagen;

bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

t.a.v. 01-011533-26 feit 3 primair, feit 4:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 243,41 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 243,41 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen;

bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

t.a.v. 01-011533-26 feit 3 primair, feit 4:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 5] , van een bedrag van 430,39 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 5] , van een bedrag van 430,39 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen;

bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

t.a.v. 01-011533-26 feit 5 primair, feit 5 subsidiair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] :

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

t.a.v. 01-011533-26 feit 9:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 12] , van een bedrag van 409,08 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 12] , van een bedrag van 409,08 euro bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen;

bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

t.a.v. 01-011533-26 feit 10:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 11] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 11] , van een bedrag van 192,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 11] , van een bedrag van 192,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag;

bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. A. Maas en mr. R.J. Heuft, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,

en is uitgesproken op 28 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H.P.G. Wielders
  • mr. A. Maas
  • mr. R.J. Heuft

Griffier

  • mr. R. Ringeling

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand