RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.318105.24
Datum uitspraak: 29 september 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,
wonende te [adres 1]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 april 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 september 2026 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 9 april 2024 te Ravenstein, althans in Nederland,
zeer/grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of
onachtzaam en/of onzorgvuldig en/of nalatig heeft gehandeld door,
voorafgaande aan de hijswerkzaamheden geen berekening te hebben gemaakt wat
de maximaal toelaatbare windsnelheid zou zijn bij het hijsen van trapezium
platen/lasten van deze lengte en gewicht en/of
na het opstellen van de mobiele toren kraan voorafgaand aan de
hijswerkzaamheden en/of tussen de hijswerkzaamheden door niet meer te kijken
naar de verwachtte weersverwachting en/of
vooraf en/of tijdens de hijswerkzaamheden onvoldoende rekening te houden met op het oog zichtbare windvlagen (AMB-003-03), en/of
vooraf en/of tijdens de hijswerkzaamheden de windwaarschuwingen van/door de mobiele torenkraan te negeren (AMB-003-04)
vooraf en/of tijdens de hijswerkzaamheden de windwaarschuwingen, die slechts te
horen waren in de cabine van de mobiele torenkraan, vanaf montage van de kraan
tot en met het moment van het ongeval, niet te delen en/of te bespreken met de
mensen buiten de cabine en /of (vervolgens) de beslissing te nemen de
hijswerkzaamheden niet te staken/onderbreken,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] door een
trapezium plaat/last is geraakt en door de last over/onder de randbeveiliging is
geduwd en/of vervolgens via een – onder de bouwconstructie op de grond
geplaatste – muur op de grond terecht is gekomen en aldus zodanig (zwaar
lichamelijk) letsel heeft bekomen dat hij daardoor op 20 april 2024 te Nijmegen is
overleden.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijswaardering.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank.
A. De bewijsmiddelen
In bijlage I heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Inleiding
Op 9 april 2024 vond op de [adres 2] een ongeval plaats. Op het dak van een staalbouwconstructie werden trapeziumplaten gelegd van 15 meter lang en 0,75 meter breed en een gewicht van (ongeveer) 130 kilo per stuk. Ten behoeve van de montage van de dakplaten werd gebruik gemaakt van een mobiele torenkraan van Liebherr. Deze kraan was door [slachtoffer] (het slachtoffer) gehuurd van het bedrijf [naam verhuurbedrijf] De verdachte was de bestuurder van de kraan.
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de eigen waarneming in raadkamer aan de hand van de camerabeelden, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaring van de verdachte de volgende feiten en omstandigheden vast. Op enig moment hebben het slachtoffer en [getuige 1] op het dak van de in aanbouw zijnde staalconstructie gestaan. Alle te plaatsten trapeziumplaten lagen al op het dak en moesten met de hijskraan 1 voor 1 op hun plek worden gelegd, waarbij er aan weerszijde iemand aan de plaat mee zou lopen om de plaat te begeleiden. Bij het ophijsen van de eerste losse trapeziumplaat op het dak van de staalbouwconstructie kwam er vrijwel meteen een windvlaag die de plaat meenam. [getuige 1] kon de plaat als gevolg hiervan niet meer houden en hij liet deze los. Als gevolg hiervan maakt de plaat een horizontaal draaiende beweging waardoor het slachtoffer de plaat op enig moment ook niet meer kan houden. Het slachtoffer probeert de plaat weer onder controle te krijgen maar wordt door de plaat naar de rand gedreven. De plaat komt vervolgens tegen het lichaam van het slachtoffer aan, breekt door de randbeveiliging en als gevolg hiervan valt het slachtoffer van het dak af. Daarmee is het causale verband tussen het op en neer waaien van de trapeziumplaat en het naar beneden vallen van het slachtoffer gegeven. Uiteindelijk is het slachtoffer op 20 april 2024 aan zijn verwondingen overleden.
Geen berekening maken
In de servicehandleiding van Liebherr torenkranen staat onder andere geschreven dat windeffecten op de last moeilijk te voorspellen zijn en snel kunnen veranderen. Onderdelen met een groter windvlak kunnen slechts tot een beperkte windsnelheid veilig gehesen worden. Het gewicht en samenstelling van het te hijsen object speelt bij dit alles ook een rol. Op pagina 36 van de handleiding wordt verder ingegaan op het bepalen van de maximaal toelaatbare windsnelheid en de berekening die daaraan ten grondslag ligt.
In het opleidingsdocument ‘Windinvloeden bij kraanbedrijf’ van Liebherr staat voorts nog beschreven dat bij werkzaamheden met de kraan bij wind de verantwoordelijke persoon moet beschikken over fundamentele kennis op het gebied van de invloed van wind bij kraanbedrijf. Ook moet deze persoon de noodzakelijke verlaging van de toegestane windsnelheden bij speciale lastsituaties kunnen berekenen bij lasten met een
groot oppervlak.
Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij als kraanmachinist eindverantwoordelijk is voor het hijsen, heeft hij voorafgaande aan de hijswerkzaamheden geen berekening gemaakt van de maximaal toelaatbare windsnelheid bij het hijsen van trapeziumplaten van deze lengte en gewicht op deze hoogte. Hij heeft op zitting verklaard er niet bekend mee te zijn dat hij een berekening zou moeten maken.
Niet (meer) kijken naar de verwachte weersverwachting en onvoldoende rekening houden met zichtbare windvlagen
De verdachte heeft bij de arbeidsinspectie op de vraag hoe hij bepaalt dat het veilig is om te hijsen geantwoord dat hij dat op basis van ervaring doet. Hij kijkt naar de omgeving en hij voelt aan de kraan en de joysticks hoe hard het waait. Hij heeft tijdens de terechtzitting ook onderkend dat het sinds zijn aankomst op de locatie harder was gaan waaien. De verdachte heeft zijn handelen echter niet aangepast aan deze veranderende weersomstandigheden.
De verdachte heeft verder nog verklaard dat hij in de ochtend van de werkzaamheden en op het moment dat hij de kraan ging opstellen heeft gekeken naar de windverwachting. Na het opstellen van de kraan heeft hij niet meer gekeken.
De windwaarschuwingen negeren en deze niet bespreken met anderen
Op de Liebherr-kraan die de verdachte bestuurde, en die was voorzien van recente keuringsrapporten, zat een windmeter. Op de locatie van het ongeval registreerde de kraan meermaals windwaarschuwingen, elk met een visueel en auditief signaal. Voorafgaande aan het ongeval zijn 44 windwaarschuwingen geregistreerd, waaronder 28 keer windwaarschuwingsniveau 1 en 16 keer windwaarschuwingsniveau 2. Bij windwaarschuwingsniveau 1 dienen voorbereidingen voor het staken van het kraanbedrijf getroffen te worden. Bij windwaarschuwingsniveau 2 dient het kraanbedrijf meteen te worden gestaakt.
De verdachte heeft over deze windmeter – kort gezegd – verklaard dat hij die niet vertrouwde. De verdachte had het vermoeden dat de meter gevoeliger was dan in andere kranen. Hij was ervan overtuigd dat de melding niet overeenkwam met de werkelijkheid. De verdachte heeft de windwaarschuwingen vervolgens naar eigen zeggen bewust genegeerd en hij heeft deze ook niet gedeeld of besproken met de mensen buiten de cabine.
Aan zijn schuld te wijten
Met zijn handelen, zoals hiervoor omschreven, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig gehandeld. De verdachte had anders moeten handelen (vermijdbaarheid) en hij kon ook anders handelen (verwijtbaarheid). Onder de genoemde omstandigheden had de losse trapeziumplaat niet gehesen mogen worden. De verdachte had zijn werkzaamheden moeten staken. Nu hij dat niet heeft gedaan, is het aan zijn schuld te wijten dat het slachtoffer van het dak is gevallen en ten gevolge daarvan is overleden.
Dat de randbeveiliging ter plaatste niet zou hebben voldaan aan de daarvoor geldende vereisten ontslaat - wat daar ook van zij - de verdachte niet van zijn verplichtingen als kraanmachinist. Daarnaast is het, gelet op de kracht die de plaat op het slachtoffer heeft uitgeoefend, niet waarschijnlijk dat een goede randbeveiliging de val van het slachtoffer had kunnen voorkomen. Bovendien ging de trapeziumplaat door de randbeveiliging heen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van wat hiervoor is overwogen, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 9 april 2024 te Ravenstein, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en
onachtzaam en onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld door,
voorafgaande aan de hijswerkzaamheden geen berekening te hebben gemaakt wat
de maximaal toelaatbare windsnelheid zou zijn bij het hijsen van trapezium
platen/lasten van deze lengte en gewicht en
na het opstellen van de mobiele toren kraan voorafgaand aan de
hijswerkzaamheden en tussen de hijswerkzaamheden door niet meer te kijken
naar de verwachte weersverwachting en
vooraf en tijdens de hijswerkzaamheden onvoldoende rekening te houden met op het oog zichtbare windvlagen en
vooraf en tijdens de hijswerkzaamheden de windwaarschuwingen van de mobiele torenkraan te negeren en
vooraf en tijdens de hijswerkzaamheden de windwaarschuwingen, die slechts te
horen waren in de cabine van de mobiele torenkraan, vanaf montage van de kraan
tot en met het moment van het ongeval, niet te delen en/of te bespreken met de
mensen buiten de cabine en /of (vervolgens) de beslissing te nemen de
hijswerkzaamheden niet te staken/onderbreken,
waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer] door een
trapezium plaat/last is geraakt en door de last over/onder de randbeveiliging is
geduwd en vervolgens via een – onder de bouwconstructie op de grond
geplaatste – muur op de grond terecht is gekomen en aldus zodanig (zwaar
lichamelijk) letsel heeft bekomen dat hij daardoor op 20 april 2024 te [plaats] is
overleden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, geëist.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat bij een bewezenverklaring – onder andere – rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het aandeel van zowel het slachtoffer als [getuige 1] bij het ongeval en de ervaring en de kennis van het slachtoffer over veilig werken (op hoogte).
Het oordeel van de rechtbank.
Algemene overweging.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dood door schuld. Hij heeft hijswerkzaamheden verricht zonder voorafgaand aan deze werkzaamheden een berekening te maken van de maximaal toelaatbare windsnelheid en zonder voorafgaand aan en tussen de hijswerkzaamheden door te kijken naar de verwachte weersverwachting. Verder heeft de verdachte vooraf en tijdens de hijswerkzaamheden onvoldoende rekening gehouden met op het oog zichtbare windvlagen en heeft hij de windwaarschuwingen van de torenkraan genegeerd en hierover ook geen overleg gevoerd met het slachtoffer en [getuige 1] . Daarmee heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam, onzorgvuldig en nalatig gehandeld. Ten gevolge hiervan is het slachtoffer door een trapeziumplaat geraakt, waardoor hij van het dak is gevallen en onder de bouwconstructie op een muur terechtgekomen. Uiteindelijk is het slachtoffer aan zijn verwondingen overleden. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank geprobeerd inzicht te krijgen in de gedachtegang van de verdachte om zo te achterhalen op welke (objectieve) gronden en waarnemingen hij dan in dit geval zo veel waarschuwingen en instructies heeft genegeerd. Daaruit is enkel gekomen dat de verdachte het op basis van zijn ervaring allemaal niet nodig vond om in de gegeven situatie extra op te letten en eventueel te handelen. Deze handelswijze vindt de rechtbank verontrustend, ook richting de nabestaanden. Die krijgen hiermee ook geen nader (in)zicht in de handelswijze van de verdachte – of het gebrek daaraan – wat heeft geleid tot de dood van hun dierbare.
Met het overlijden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar leed toegebracht aan zijn nabestaanden. Dit blijkt ook uit de aangrijpende verklaring van de echtgenote van het slachtoffer ter terechtzitting en uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van drie kinderen van het slachtoffer. De nabestaanden missen het slachtoffer nog iedere dag en zullen het verlies van hun echtgenoot en vader de rest van hun leven moeten dragen. De rechtbank begrijpt dat geen enkele straf recht zal doen aan het verdriet dat hen is aangedaan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Er is dus geen sprake van strafrechtelijke antecedenten die de rechtbank in strafverzwarende zin zal meewegen.
Straftoemeting.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
De rechtbank acht de oplegging van een taakstraf – zoals ook door de officier van justitie is geëist – in dit geval passend en geboden. De rechtbank legt een taakstraf op voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank ziet aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, omdat de verdachte slechts beperkt verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en in plaats daarvan de weersomstandigheden ten tijde van het ongeval bagetalliseert. Het voorwaardelijke strafdeel heeft dan ook tot doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw de fout ingaat.
De vorderingen van de benadeelde partijen.
De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] hebben allemaal een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade gevorderd. Ook hebben zij gevorderd om het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen kunnen worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, omdat die een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De beoordeling
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen of is overleden. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
De rechtbank wijst de vorderingen toe op grond van artikel 6:108 BW. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden.
De benadeelde partijen hebben recht op vergoeding van affectieschade, omdat zij de echtgenote en kinderen van het slachtoffer zijn.
Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,00 voor ieder van hen.
De rechtbank acht de gevorderde affectieschade telkens toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 307 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging van straf:
legt op een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]:
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen:
- [benadeelde 1] , van een bedrag van € 20.000,00,
- [benadeelde 2] , van een bedrag van € 20.000,00,
- [benadeelde 3] , van een bedrag van € 20.000,00,
- [benadeelde 4] , van een bedrag van € 20.000,00,
- [benadeelde 5] , van een bedrag van € 20.000,00,
bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel:
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van:
- [benadeelde 1] , van een bedrag van € 20.000,00 (indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen),
- [benadeelde 2] , van een bedrag van € 20.000,00 (indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen),
- [benadeelde 3] , van een bedrag van € 20.000,00 (indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen),
- [benadeelde 4] , van een bedrag van € 20.000,00 (indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen),
- [benadeelde 5] , van een bedrag van € 20.000,00 (indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen).
Voormelde bedragen bestaan uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. S.J.H. van de Kant, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 29 september 2026.