ECLI:NL:RBOBR:2026:6989

ECLI:NL:RBOBR:2026:6989

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 28-09-2026
Zaaknummer C/01/429679 / KG ZA 26-260
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Executiegeschil in kort geding. Primaire vordering tot uitstel van de executieveiling vakantieparken met drie maanden om geëxecuteerde de gelegenheid te geven zelf taxaties te laten uitvoeren. De vordering wordt afgewezen. Belangenafweging valt in het voordeel van executant uit. Taxatierapporten hebben geen formele status bij executieveiling. Geëxecuteerde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de taxatierapporten die in opdracht van executant zijn opgesteld ondeugdelijk zijn en door executant met geïnteresseerde partijen zijn gedeeld. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat executant de vakantieparken zelf zou willen verwerven voor een zo laag mogelijke prijs. Geëxecuteerde heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zelf taxaties uit te laten uitvoeren. Subsidiaire vordering strekt tot een verbod voor executant om de vakantieparken onder een bepaald bedrag te gunnen. Ook die vordering wordt afgewezen omdat daarvoor geen juridische grondslag bestaat.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/429679 / KG ZA 26-260

Vonnis in kort geding van 29 september 2026

in de zaak van

1. OOSTAPPEN GROEP B.V.,

te Ommel, hierna te noemen: Oostappen Groep,

2. OOSTAPPEN VAKANTIEPARK PRINSENMEER B.V.,

te Asten,

hierna te noemen: Prinsenmeer3. OOSTAPPEN VAKANTIEPARK BRUGSE HEIDE B.V.,

te Asten,

hierna te noemen: Brugse Heide,

4. STADSRESORT VALKENBURG B.V.,

te Ommel,

hierna te noemen: Stadsresort Valkenburg,

hierna samen te noemen: Oostappen,

5. [eiser 5],

te [plaats] ( [land] ),

hierna te noemen: [eiser 5] ,

eisende partijen,

advocaat: mr. E.C.M. Braun,

tegen

[gedaagde] B.V.,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaten: mr. B. Martens en mr. B.C. van Schaik

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 september 2026 met producties 1 tot en met 11

- de producties 1 tot en met 12 van [gedaagde]

- de aanvullende productie 12 van Oostappen- de mondelinge behandeling van 15 september 2026- de spreekaantekeningen van mr. Braun- de spreekaantekeningen van mr. Martens.

2. De feiten

[gedaagde] heeft aan Oostappen een hypothecaire geldlening verstrekt van € 19.000.000,00. De geldlening is vastgelegd in een notariële akte van 3 april 2023.

[gedaagde] is een onderneming van de heer [A] (hierna te noemen: [A] ).

De looptijd van de geldlening bedraagt blijkens de notariële akte één jaar. De lening dient aan het eind van de looptijd te worden afgelost.

Het door Oostappen verschuldigde rentepercentage bedraagt 12 procent per jaar.

Als zekerheid voor de terugbetaling van de geldlening zijn hypotheekrechten en pandrechten gevestigd op kort gezegd de vakantieparken Prinsenmeer, Brugse Heide en Stadsresort Valkenburg (hierna ook gezamenlijk aangeduid met: de vakantieparken).

Uit de notariële akte van 3 april 2023 volgt dat [eiser 5] als garant hoofdelijk aansprakelijk is voor de betalingsverplichtingen aan [gedaagde] .

Omdat Oostappen niet in staat was om de geldlening na afloop van de looptijd op 3 april 2024 terug te betalen, zijn partijen driemaal een verlenging van de looptijd overeengekomen tot laatstelijk 3 maart 2025. De voorwaarden van de verlengingen zijn vastgelegd in een drietal allonges bij de overeenkomst van geldlening.

Partijen zijn overeengekomen dat Oostappen voor de verlenging van de looptijd een aanvullende rente van in totaal € 2.250.000,-- (driemaal € 750.000,00) verschuldigd is.

Oostappen heeft ook na afloop van de verlengde looptijd de geldlening niet afgelost.

Sinds januari 2025 is Oostappen gestopt met het betalen van rente aan [gedaagde] .

Tussen partijen is overleg geweest om tot een minnelijke oplossing te komen. Oostappen heeft in dat kader tevergeefs gezocht naar een koper voor de vakantieparken.

In december 2025 heeft [gedaagde] opdracht gegeven aan Leisure Taxateurs Nederland (hierna te noemen: de taxateur) om de vakantieparken te taxeren in het kader van een executieveiling.

De taxateur heeft in een taxatierapport van 16 februari 2026 de marktwaarde van Prinsenmeer begroot op € 16.800.000,-- kosten koper.

Oostappen heeft het taxatierapport op 20 februari 2026 van [gedaagde] ontvangen.

Oostappen heeft in een brief van haar advocaat van 6 maart 2026 aan de taxateur laten weten dat zij vindt dat Prinsenmeer op een te laag bedrag is gewaardeerd en verzocht om het taxatierapport aan te passen.

Op 17 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van Oostappen in een e-mail laten weten dat de taxateur geen aanleiding ziet om het taxatierapport aan te passen. Daarbij is erop gewezen dat het Oostappen vrijstaat om zelf ook een taxatie te laten uitvoeren.

Op verzoek van de advocaat van Oostappen heeft de advocaat van [gedaagde] op 18 maart 2026 de inhoudelijke reactie van de taxateur op het verzoek om aanpassing van het taxatierapport aan de advocaat van Oostappen toegezonden. In die reactie geeft de taxateur aan dat de door de advocaat van Oostappen gemaakte opmerkingen de taxateur geen aanleiding geeft om de uitgangspunten of de uitkomst van de taxatie te herzien.

Op 23 en 24 april 2026 heeft de taxateur de taxatierapporten van respectievelijk Stadsresort Valkenburg en Brugse Heide afgegeven. Daarin is de waarde Stadsresort Valkenburg begroot op € 3.000.000,-- en die van Brugse Heide op € 2.370.000,--.

De advocaat van Oostappen heeft in een e-mail van 8 mei 2026 uiteengezet waarom Oostappen vindt dat ook deze parken te laag zijn gewaardeerd.

Daarbij geeft Oostappen aan dat zij zich het recht voorbehoudt op het laten uitvoeren van een contra-taxatie.

De taxateur heeft in een e-mail van 13 mei 2026 aan de advocaat van [gedaagde] inhoudelijk gereageerd op de stellingen van Oostappen.

[gedaagde] heeft de reactie van de taxateur ditmaal niet doorgestuurd naar Oostappen.

De Belastingdienst heeft in maart 2025 en september 2026 executoriale beslagen gelegd op Prinsenmeer en Brugse Heide. [gedaagde] heeft als hypotheekhouder de executie overgenomen.

Op 1 oktober 2026 staat de executieveiling van de drie vakantieparken gepland.

Oostappen heeft [gedaagde] verzocht om de executieveiling met drie maanden uit te stellen om Oostappen de gelegenheid te geven een eigen taxatie te laten uitvoeren.

[gedaagde] heeft dat verzoek niet ingewilligd.

3. Het geschil

Oostappen en [eiser 5] vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. Primair: [gedaagde] te verbieden om de executieveiling eerder te laten plaatsvinden dan 31 december 2026 dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, op straffe van een dwangsom van € 25.0000.0000,-- per overtreding te vermeerderen met € 1.000.000,-- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft en de executieveiling te schorsen tot 31 december 2026 dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen datum;

II. Subsidiair: [gedaagde] te verbieden om de vakantieparken te gunnen aan bieders als deze niet gezamenlijk een bedrag van minimaal € 27.000.000,-- opbrengen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, op straffe van een dwangsom van € 25.0000.0000,-- per overtreding te vermeerderen met € 1.000.000,-- per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

Oostappen legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

De wijze waarop [gedaagde] haar recht op parate executie uitoefent is onrechtmatig. [gedaagde] maakt daarbij namelijk gebruik van ondeugdelijke taxatierapporten. In de taxatierapporten die in opdracht van [gedaagde] zijn opgesteld zijn de vakantieparken op een te laag bedrag gewaardeerd. Zo wordt Prinsenmeer nu getaxeerd op € 16.800.000,-- terwijl het vakantiepark in 2012 nog op € 37 miljoen is getaxeerd.

In de taxatierapporten wordt er ten onrechte van uit gegaan dat alle chalets en caravans op de vakantieparken binnen twee jaar moeten worden vervangen. Dat heeft blijkens de taxatierapporten een waarde drukkend effect van maar liefst € 10 miljoen.

Daarnaast heeft een sterk waarde drukkend effect dat de vakantieparken op dit moment (deels) gesloten zijn en weer moeten worden opgestart. Dat de vakantieparken gesloten zijn is het gevolg van het intrekken van de vergunningen van [eiser 5] . Een nieuwe exploitant heeft daar geen last van.

Ten aanzien van Brugse Heide en Stadsresort Valkenburg geldt dat de taxateurs zijn uitgegaan van een te laag bedrag aan te verwachten inkomsten en een te hoog bedrag aan noodzakelijke investeringen.

De te lage taxatiewaardes zullen waarschijnlijk leiden tot een lagere verkoopopbrengst op de veiling. Potentiële bieders zullen via het informele circuit of anders via dit kort geding op de hoogte raken van de taxatiewaardes en daar hun biedingen op afstemmen.

Daarnaast zal [gedaagde] zich bij haar beslissing om tot gunning van de vakantieparken over te gaan laten leiden door de taxatiewaardes. Als die waardes te laag zijn zal [gedaagde] dus waarschijnlijk eerder akkoord gaan met een lager bod.

[gedaagde] maakt daarnaast ook misbruik van haar bevoegdheid om tot parate executie van de vakantieparken over te gaan. [gedaagde] gebruikt die bevoegdheid namelijk voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend, het behalen van een zo hoog mogelijk executieopbrengst. Oostappen heeft sterke aanwijzingen dat [A] probeert om de vakantieparken, al dan niet via een bevriende derde, voor een zo laag mogelijk bedrag zelf over te nemen. [A] heeft namelijk een vleesverwerkingsbedrijf waar veel arbeidsmigranten werken die op de vakantieparken kunnen worden ondergebracht. [A] heeft in het verleden ook interesse getoond in het overnemen van de vakantieparken.

[gedaagde] maakt ook misbruik van haar executiebevoegdheid door voorstellen van Oostappen te weigeren die kunnen leiden tot een hogere opbrengst. [gedaagde] is niet bereid gebleken om met Oostappen in overleg te treden over de taxatierapporten en ook de kritiek van Oostappen op de taxatierapporten is door de taxateurs niet serieus genomen.

Oostappen heeft er belang bij dat zij de gelegenheid krijgt om de vakantieparken wel op de juiste waarde te laten taxeren. De taxatierapporten kunnen dan onder potentiële kopers worden verspreid en voor de voorzieningenrechter als leidraad dienen voor het goedkeuren van een bod.

Op die manier zal een hogere verkoopopbrengst worden gerealiseerd en zal een eventuele restschuld van Oostappen kleiner zijn.

[gedaagde] voert het volgende verweer.

De door Oostappen aangedragen argumenten rechtvaardigen niet de schorsing van de executie. [gedaagde] heeft er een zwaarwegend belang bij dat de geplande veiling doorgaat. [gedaagde] heeft een opeisbare vordering op Oostappen van bijna € 28 miljoen die steeds verder oploopt omdat Oostappen sinds januari 2025 geen rente meer betaalt. Omdat er geen onderhoud plaatsvindt aan de vakantieparken bestaat het risico op een lagere verkooprijs bij uitstel van de veiling. [gedaagde] inmiddels heeft al veel geduld betracht met Oostappen maar dat geduld is nu op.

[gedaagde] is ook wettelijk verplicht om de executie voortvarend voort te zetten. In dat verband wijst [gedaagde] er nog op dat zij de executie heeft overgenomen van de Belastingdienst.

Oostappen heeft ook al voldoende gelegenheid gehad om zelf de vakantieparken te laten taxeren. Oostappen weet al sinds december 2025 dat [gedaagde] zou overgaan tot executieverkoop. In februari en april 2026 heeft Oostappen de taxatierapporten van [gedaagde] ontvangen. [gedaagde] betwist dat partijen na december 2025 nog in overleg waren over een minnelijke oplossing en dat [gedaagde] bij Oostappen de verwachting zou hebben gewekt dat zij afstand zou doen van haar recht om de veiling op te starten.

[gedaagde] betwist dat [A] de vakantieparken zelf of via een derde zou willen verwerven. Hij heeft daar geen belangstelling voor.

[gedaagde] betwist ook dat zij de taxatierapporten zou hebben gelekt naar geïnteresseerde partijen. Het is aan het handelen van Oostappen zelf te wijten dat de taxatiewaardes bekend zijn geworden.

Er bestaan geen gegronde redenen om aan de juistheid van de taxaties te twijfelen. De taxaties zijn verricht door erkende, MRICS gecertificeerde taxateurs die bekend zijn met de vakantieparken omdat zij deze in het verleden in opdracht van Oostappen hebben getaxeerd.

De bezwaren van Oostappen tegen de taxaties zijn slechts in algemene bewoordingen geformuleerd en verder niet onderbouwd.

Bovendien hebben de taxatierapporten geen formele functie in het executieproces. Ze zijn louter opgesteld op verzoek van de veilingnotaris. Er bestaat ook geen verplichting voor [gedaagde] om zich bij het accepteren van biedingen te laten leiden door de getaxeerde waardes.

[gedaagde] is ook niet verplicht om alleen biedingen te accepteren die in totaal ten minste € 27 miljoen bedragen. De verkoopopbrengst wordt bepaald door de marktwerking. Het is inherent aan een executieveiling is dat er een restschuld kan overblijven.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Aanleiding voor dit kort geding is de aangekondigde executieveiling van drie vakantieparken van Oostappen door [gedaagde] op 1 oktober 2026. Oostappen stelt zich kort gezegd op het standpunt dat [gedaagde] onrechtmatig handelt als zij de veiling op die datum door laat gaan omdat daarmee onvoldoende rekening wordt gehouden met de belangen van Oostappen als schuldenaar. Oostappen stelt dat de taxatierapporten die [gedaagde] in het kader van de executieverkoop heeft laten opstellen ondeugdelijk zijn omdat de vakantieparken daarin op een (veel) te laag bedrag zijn gewaardeerd. Oostappen vreest dat de

taxatierapporten een negatief effect zullen hebben op de verkoopopbrengst van de parken en dat Oostappen als gevolg daarvan blijft zitten met een aanzienlijke restschuld. Inzet van dit kort geding is dat de executieveiling met drie maanden wordt uitgesteld om Oostappen de gelegenheid te geven om de vakantieparken zelf te laten taxeren.

Kern van dit kort geding is dus de vraag of voldoende grond bestaat om de executieverkoop van de vakantieparken met drie maanden te schorsen. Bij beantwoording van die vraag is van belang dat het hier gaat om de executie van een hypotheekakte. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de executie op basis van een hypotheekakte gelden de volgende maatstaven. De hypotheekhouder dient belang te hebben bij het doorzetten van de executie, de belangen van de executerende hypotheekhouder en de geëxecuteerde moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval en het belang van de hypotheekhouder bij uitwinning moet zwaarder wegen dan dat van de hypotheekgever bij het achterwege laten van de executie. Uitgangspunt is dat de wetgever aan de hypotheekhouder het recht van parate executie heeft willen verlenen. Daarom is de parate executie op basis van een hypothecair zekerheidsrecht in beginsel uitvoerbaar. Afwijking daarvan is slechts gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de geëxecuteerde bij het behoud van de bestaande toestand, ondanks dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de executerende hypotheekhouder bij het doorzetten van de executie.

In het kader van die belangenafweging stelt de voorzieningenrechter voorop dat de executiebevoegdheid van [gedaagde] op zichzelf tussen partijen niet ter discussie staat. Oostappen heeft uitdrukkelijk erkend dat [gedaagde] bevoegd is om tot parate executie over te gaan omdat Oostappen sinds januari 2025 niet meer aan haar rentebetalingsverplichtingen uit hoofde van de met [gedaagde] gesloten overeenkomst van geldlening voldoet. Oostappen heeft ook niet voldaan aan haar verplichting om de hoofdsom af te lossen aan het einde van de looptijd van de overeenkomst. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een opeisbare vordering heeft van ten minste € 27 miljoen.

Daarmee is het belang van [gedaagde] bij de executie reeds gegeven. [gedaagde] heeft er ook belang bij dat de executieveiling op 1 oktober aanstaande doorgang zal vinden en dat deze niet met drie maanden wordt uitgesteld. [gedaagde] geeft aan dat haar geduld inmiddels op is. Zij heeft aanvankelijk op verzoek van Oostappen de looptijd van de overeenkomst van geldlening drie meer verlengd omdat Oostappen aangaf dat zij niet in staat was om de geldlening af te lossen. Met Oostappen is ook uitvoerig minnelijk overleg gevoerd waarbij door Oostappen tevergeefs de mogelijkheid is onderzocht om de vakantieparken onderhands te verkopen.

Uitstel van de executieveiling zou betekenen dat de vordering van [gedaagde] op Oostappen nog verder zal oplopen met een bedrag van ongeveer € 70.000,-- aan rente per maand. Het is maar zeer de vraag of [gedaagde] dat uiteindelijk zal kunnen verhalen op Oostappen.

Uitstel van de executieveiling brengt daarnaast extra kosten met zich. Voldoende aannemelijk is dat die kosten aanzienlijk zullen zijn. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat het opstarten van een executieveiling van deze omvang inmiddels al honderdduizenden euro’s heeft gekost. [gedaagde] heeft er uiteraard belang bij dat wordt voorkomen dat nog meer kosten worden gemaakt.

Het belang van Oostappen bij uitstel van de executieveiling met drie maanden weegt daar niet tegenop. Het uitstel is uitsluitend bedoeld om Oostappen de gelegenheid te geven om zelf de vakantieparken te laten taxeren om daarmee de in haar ogen ondeugdelijke taxatierapporten die in opdracht van [gedaagde] zijn opgesteld te ontkrachten. Oostappen heeft niet aannemelijk gemaakt dat geïnteresseerde partijen door toedoen van [gedaagde] op de hoogte zijn geraakt van de taxatiewaardes en daarop hun biedingen zullen afstemmen. De voorzieningenrechter stelt in dat kader voorop dat zoals Oostappen zelf ook erkent een taxatierapport geen formele functie heeft in het kader van een executieverkoop op de veiling en dus ook niet als informatie wordt aangeboden aan geïnteresseerde partijen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de taxatiewaardes in elk geval niet formeel heeft gedeeld met geïnteresseerde partijen.

De voorzieningenrechter heeft ook geen concrete aanwijzingen om te veronderstellen dat de taxatiewaardes via het informele circuit toch bij geïnteresseerde partijen terecht zijn gekomen zoals Oostappen suggereert. Dat wordt door [gedaagde] betwist en door Oostappen verder niet onderbouwd. Oostappen stelt in dat kader slechts dat partijen in het circuit kennelijk al aan [gedaagde] hebben laten weten dat zij een bod gaan uitbrengen.

Voor zover Oostappen stelt dat geïnteresseerde partijen dan toch in elk geval via dit kort geding bekend zullen raken met de taxatiewaardes geldt dat Oostappen dat niet aan [gedaagde] kan tegenwerpen. Oostappen is dit kort geding zelf opgestart en heeft daarmee bewust het risico genomen dat de taxatiewaardes bekend zouden worden. Dat levert dan geen relevant belang op in het kader van de onderhavige belangenafweging.

In hoeverre de in opdracht van [gedaagde] uitgevoerde taxaties ondeugdelijk zijn kan de voorzieningenrechter in het kader van dit kort geding niet vaststellen. Daarvoor is een nader feitenonderzoek nodig waarvoor een kort geding zich niet leent. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Oostappen echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vakantieparken evident te laag zijn gewaardeerd, laat staan dat [gedaagde] daar bewust op heeft aangestuurd. De taxaties zijn uitgevoerd door erkende en MRICS-gecertificeerde taxateurs die – naar [gedaagde] onweersproken heeft gesteld – bekend waren met de vakantieparken omdat zij deze in het verleden in opdracht van Oostappen hebben getaxeerd.

De taxateurs hebben ook concreet gemotiveerd hoe zij tot hun taxaties zijn gekomen en welke feiten en omstandigheden zij daarbij hebben meegewogen. Zij zijn ook ingegaan op de door Oostappen geuite bezwaren tegen de taxatierapporten en hebben toegelicht waarom die bezwaren voor hen geen aanleiding geven om de taxatierapporten aan te passen.

Ter onderbouwing van de door Oostappen gestelde ondeugdelijkheid wijst Oostappen er onder meer op dat Prinsenmeer is getaxeerd op € 16.800.000,--, terwijl het park in 2012 nog was getaxeerd op € 37 miljoen.

De taxateurs hebben gemotiveerd uiteengezet waarom de marktwaarde van de parken nu aanzienlijk lager ligt. Daarbij wijzen zij er onder meer op dat de vakantieparken inmiddels zijn gesloten door het bevoegde gezag, de exploitatie van de parken is gestaakt en weer zal moeten worden opgestart, de staat van onderhoud matig tot voldoende is en de taxateurs menen dat de chalets en caravans na 10 jaar intensief gebruik aan vervanging toe zijn.

De taxateurs hebben daarbij ook rekening gehouden met het feit dat de exploitatie van de parken stilligt omdat [eiser 5] niet meer beschikt over de juiste vergunningen en een nieuwe exploitant die vergunning waarschijnlijk weer zal kunnen verkrijgen.

Oostappen heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] belang zou hebben bij een zo laag mogelijke taxatie van de vakantieparken. De voorzieningenrechter heeft onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde] bewust zou aansturen op een (te) lage waardering van de vakantieparken zodat haar eigenaar [A] deze “voor een appel en een ei” zou kunnen overnemen zoals Oostappen stelt. [gedaagde] heeft desgevraagd uitdrukkelijk verklaard dat er geen interesse bestaat om de vakantieparken zelf over te nemen, ook niet via een bevriende derde partij. Oostappen heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding geven om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Het enkele feit dat [A] in het verleden in het kader van overleg over een minnelijke oplossing interesse heeft getoond in de aankoop van de parken en [A] ook een vleesverwekingsbedrijf runt waar veel arbeidsmigranten weken die onderdak nodig hebben, is daarvoor in elk geval onvoldoende.

Daarnaast geldt dat Oostappen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tot op heden onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de vakantieparken zelf te laten taxeren. Oostappen heeft op 20 februari 2026 het taxatierapport van Prinsenmeer ontvangen. Op 17 maart 2026 was voor Oostappen ook duidelijk dat de taxateur in de door Oostappen naar voren gebrachte bezwaren geen aanleiding zag om het taxatierapport aan te passen. Eind april 2026 heeft Oostappen ook de taxatierapporten van Brugse Heide en Stadsresort Valkenburg ontvangen. Ook daartegen heeft Oostappen bezwaren geuit die niet zijn gehonoreerd. Oostappen heeft sindsdien ruimschoots de gelegenheid gehad om zelf taxaties te laten uitvoeren. Oostappen stelt in dat kader dat van haar op dat moment niet kon worden gevergd dat zij al opdracht zou geven voor een taxatie omdat partijen nog in overleg waren over een minnelijke oplossing en Oostappen niet onnodige kosten wilde maken voor taxaties. Die kosten zouden volgens Oostappen rond de € 30.000,-- bedragen. Dat partijen na december 2025 nog in minnelijk overleg waren om een executieverkoop te voorkomen wordt door [gedaagde] uitdrukkelijk betwist. Oostappen heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat partijen nadien nog overleg hebben gevoerd over een minnelijke regeling dan wel dat Oostappen er van uit mocht gaan dat [gedaagde] voorlopig nog niet tot executieverkoop over zou gaan.

Voor zover Oostappen stelt dat zij niet eerder een taxateur heeft kunnen vinden die de vakantieparken voor haar zou willen taxateren geldt dat Oostappen ook die stelling verder niet heeft onderbouwd. Oostappen heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij voorafgaand aan het opstarten van dit kort geding taxateurs heeft benaderd, laat staan dat zij stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat benaderde taxateurs niet bereid zouden zijn om de opdracht uit te voeren.

Slotsom is dan dat een belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] uitvalt. Dat betekent dat de primaire vordering van Oostappen en [eiser 5] om [gedaagde] te verbieden om de executieveiling op 1 oktober 2026 te laten doorgaan, zal worden afgewezen.

Oostappen vordert subsidiair om [gedaagde] te verbieden om de vakantieparken bij een executieveiling te gunnen voor een bedrag lager dan € 27 miljoen, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag. Ook die vordering zal worden afgewezen. Zoals [gedaagde] terecht stelt ontbreekt het aan een juridische grondslag voor een dergelijk verbod. Het is de marktwerking die uiteindelijk bepaalt wat de vakantieparken op de veiling zullen opbrengen. Dat de opbrengst mogelijk niet toereikend zal zijn om de vordering van [gedaagde] volledig van te voldoen en voor Oostappen dus een restschuld overblijft, is inherent aan deze bij wet voorgeschreven wijze van verkoop in het kader van de uitoefening van het recht op parate executie.

Oostappen en [eiser 5] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

Totaal

€

1.912,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van Oostappen af,

veroordeelt Oostappen in de proceskosten van € 1.912,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand