ECLI:NL:RBOBR:2026:7015

ECLI:NL:RBOBR:2026:7015

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 01-003786-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Poging tot doodslag op medewerker van P.I. door die medewerker met een zelfgemaakt snijwapen in de hals te snijden. Voorwaardelijk opzet. Sterk verminderde toerekenbaarheid. Gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest en terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.003786.26Parketnummer vordering: 02.136420.23

Datum uitspraak: 30 september 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1993],

wonende te [adres],

thans gedetineerd te: [verblijf plaats].

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2026, 24 juni 2026 en 16 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 maart 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 december 2025 te Vught, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een medewerker van de [plaats], personeelsnummer: [nummer],

opzettelijk

van het leven te beroven,

met een zelfgemaakt mes en/of scheermes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de nek van die medewerker van de [plaats], personeelsnummer: [nummer], heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 december 2025 te Vught, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een medewerker van de [plaats], personeelsnummer: [nummer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een zelfgemaakt mes en/of scheermes, althans met een scherp en/of puntig

voorwerp, in de hals en/of de nek van die medewerker van de [plaats],

personeelsnummer: [nummer]

heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 02.136420.23 is aangebracht bij vordering van 6 maart 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 13 september 2023. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 26 december 2025 in Vught heeft geprobeerd om een medewerker van de [plaats] met personeelsnummer [nummer] (hierna: de medewerker) van het leven te beroven (primair) of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), door met een zelfgemaakt mes in zijn hals/nek te steken/snijden.

De feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 26 december 2025 omstreeks 17:25 uur liep de medewerker via de cellengang naar cel 12 van verdachte om hem in te sluiten. De deur van de cel was open. Op het moment dat aangever bij cel 12 kwam, kwam verdachte naar buiten en pakte aangever vast bij zijn nek/kraag van zijn vest. Hierop voelde aangever pijn. Plotseling maakte verdachte zijn rechterhand los en maakte een vegende beweging aan de linkerzijde van de hals van de medewerker. Op dat moment voelde de medewerker pijn, maar hij had toen nog niet door waar deze pijn door werd veroorzaakt. Een medegedetineerde zag dit gebeuren en samen met de medewerker zag hij kans om verdachte zijn cel in te duwen.

De medegedetineerde zag ook dat verdachte een snijwapen in zijn hand vasthield.

Verdachte gaf, na opdracht daartoe, het snijwapen, door het luikje van zijn cel, aan een collega van de medewerker. Dit snijwapen betrof een door verdachte zelf, met behulp van onder andere scheermesjes en een aansteker, vervaardigd wapen.

De medewerker bleek een bloedende snijwond in zijn hals te hebben en is door de medische dienst van de inrichting geschouwd.

De forensisch artsen G. Reijnen en T. Gelderman hebben in de forensisch medische letselrapportage met benoeming van LOEF van 25 maart 2026 geconcludeerd dat de medewerker een huiddoorklieving aan de linkerzijde van de hals had en dat het letsel ongeveer acht centimeter lang was. Gezien het letsel langer was dan diep kan het worden geduid als snijletsel.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij bij de medewerker om scheermesjes had gevraagd en deze ook van hem had gekregen. Hij heeft hier vervolgens een snijwapen van gemaakt door twee scheerblaadjes met het snijvlak in dezelfde richting in het heft te plaatsen.

Met dat snijwapen heeft hij aangever doelbewust aangevallen en in de hals gesneden. Het maakte verdachte niet uit wat het resultaat zou zijn van dat zijn handelen: de dood of een verwonding van de medewerker.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft - op gronden als verwoord in het schriftelijk requisitoir - gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft zich - op gronden als verwoord in de pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag omdat niet tot een bewezenverklaring van het bestanddeel opzet kan worden gekomen. Wat betreft een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op hetgeen is beschreven onder ‘de feiten’ concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die, met een door hem zelf samengesteld snijwapen, in de linkerzijde van de hals/nek van aangever heeft gesneden (en niet gestoken), waardoor aangever een wond van acht centimeter heeft opgelopen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet

Vervolgens is de vraag aan de orde of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het intreden van de dood – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, meer in het bijzonder het hiervoor genoemde rapport van het LOEF volgt weliswaar dat de kans op overlijden door de snijverwonding zelf nihil is geweest, maar in datzelfde rapport is opgemerkt dat, verticaal lopend in de hals, aan beide zijden, zich belangrijke bloedvaten bevinden: de halsslagader en halsader. Deze bloedvaten lopen relatief oppervlakkig; de hartslag kan eenvoudig worden gevoeld aan de halsslagader. Omdat de halsslagader en halsader relatief oppervlakkig lopen kunnen deze ook doorklieft worden door een scherprandig voorwerp/mes met een relatief klein lemmet.

Bij een (gedeeltelijke) doorklieving van de halsslagader ontstaat er een grote bloeding. Wanneer de dan toegebrachte schade niet behandeld wordt, is de kans op overlijden groot. Als een dergelijke grote bloeding ontstaat is de kans dat iemand komt te overlijden voordat hij/zij het ziekenhuis bereikt groot. Van de slachtoffers die levend het ziekenhuis bereiken komt vervolgens nog 22 procent te overlijden.

Naast de bloedvaten loopt tevens de tiende hersenzenuw. Een beschadiging van deze zenuw leidt tot uitgebreide problematiek in het hoofd/hals gebied (spreek- en slikproblemen) en de organen in de borst en buik (verlagen hartfrequentie en toename van de bewegingsfunctie van de spieren van het maagdarmkanaal).

De rechtbank concludeert hieruit dat de handeling van verdachte, te weten het met een geprepareerd scherp mes snijden in de nek/hals van een ander, levensgevaarlijk handelen is geweest, ook al is de toegebrachte wond zelf niet levensbedreigend geweest. Daarbij betrekt de rechtbank dat het door de medewerker gedragen kledingstuk in de kraag een scheur vertoonde, waaruit de rechtbank afleidt dat dit kledingstuk het door verdachte toegepaste geweld gedeeltelijk heeft opgevangen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van aangever in het leven heeft geroepen.

Het met een geprepareerd mes, in de hals/nek van een persoon snijden is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bovendien zó zeer gericht op een bepaald gevolg, te weten de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van de medewerker ook bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft daarmee minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van de medewerker. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

Met de officier van justitie acht de rechtbank dan ook de primair ten laste gelegde poging tot doodslag jegens aangever wettig en overtuigend bewezen.

De bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt, voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsmiddelenbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. primair:

op 26 december 2025 te Vught, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een medewerker van de [plaats], personeelsnummer: [nummer], opzettelijk van het leven te beroven, met een zelfgemaakt mes in de hals en/of de nek van die medewerker van de [plaats], personeelsnummer: [nummer], heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat hij daarom dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van de op 27 juli 2026 door M.C.F. Hoes, GZ-psycholoog, M.A. Wijnands, psychiater en D. Harari, psychiater, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum (hierna PBC), uitgebrachte Pro Justitia rapportage omtrent verdachte. Een van de deskundigen, psychiater D. Harari, heeft de rapportage tijdens de terechtzitting van 16 september 2026 nader toegelicht.

De conclusie van de deskundigen van het PBC luidt - voor zover hier van belang – zakelijk weergegeven als volgt:

Geconcludeerd wordt dat betrokkene een man is met ernstige functiebeperkingen als gevolg van een cluster van chronische en pervasieve problematiek, dat multifactorieel is bepaald en waarin de verschillende stoornissen en problemen moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Er is in ieder geval sprake een ziekelijke stoornis in de vorm van schizofrenie en van een ernstige stoornis in polymiddelengebruik. Daarbij is er ook sprake van een gebrekkige ontwikkeling waarin niet te differentiëren valt tussen mogelijk in aanleg aanwezige neurobiologische ontwikkelingsproblematiek (zoals ADHD, autisme en/of een verstandelijke beperking), de invloed van vroege traumatisering, een verstoorde hechting, en persoonlijkheidspathologie.

(…)

De beperkingen van het onderzoek en de complexiteit, ernst en veelheid van de

bovenomschreven problematiek en de schizofrenie die op de voorgrond staat, maken dat

eenduidige classificatie of verdere precisiering van ontwikkelingsstoornissen op dit moment

niet mogelijk is en meer in algemene zin van een gebrekkige ontwikkeling wordt gesproken.

Dit doet naar mening van de onderzoekers namelijk wel recht aan de ernstige en forensisch

relevante functiebeperkingen die wel degelijk worden gezien bij betrokkene.

(…)

Vanwege een beperkt normbesef, gebrekkig empathisch- en mentaliserend vermogen is de gewetensontwikkeling daarnaast lacunair. Betrokkene heeft agressieproblemen, omdat hij boosheid lang niet bij zichzelf herkent en omdat zijn agressieregulatie en emotieregulatie tekortschieten. Hij wordt daarbij niet afgeremd door empathie en geweten om agressie proactief in te zetten. Daarbij kan hij ook reactief buitensporig agressief reageren. Onderzoekers achten de combinatie aan voorgenoemde functiebeperkingen zorgelijk.

(…)

Bovenbeschreven psychische stoornissen en gebrekkige ontwikkeling zijn chronisch aanwezig en waren aldus ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

(…)

Het is niet duidelijk in hoeverre betrokkene in die fase in aanloop naar het ten laste gelegde psychotisch was. Het blijft daarbij ook de vraag in welke mate de belevingen van betrokkene omtrent denigrerende uitlatingen van zijn mentor, die betrokkene bij onderzoekers noemt als aanleiding tot het ten laste gelegde, op realiteit berustten, en/of in welke mate het misinterpretaties waren (op basis van basaal wantrouwen) en/of akoestische hallucinaties en/of wanen waren in het kader van een onderliggende psychose. Of dat dit een (al dan niet psychotisch gekleurde) invulling achteraf is. Betrokkene zegt zelf dat hij ten tijde van het ten laste gelegde geen stemmen hoorde. Bij doorvragen geeft hij aan, dat hij daarbij in ieder geval geen stemmen hoorde die opdrachten gaven. Het is niet uit te sluiten dat betrokkene psychotisch was.

Het is van belang om te vermelden dat betrokkene wisselend verklaart over de aanloop naar het ten laste gelegde en de mate waarin zijn handelingen vooraf waren bedacht en voorbereid. Onderzoekers achten alle reflecties over zichzelf, en verklaringen en genoemde motieven van betrokkene op grond van zijn psychopathologie niet betrouwbaar. Echter ook in het geval van een meer berekenend scenario is het zeer aannemelijk dat de psychopathologie hierin een rol heeft gespeeld. Ook planmatig gedrag kan pathologisch ingegeven zijn, waarbij onduidelijk blijft in hoeverre hij nog weerstand kon bieden tegen agressieve impulsen. Ondanks de uiterlijke (wisselende) verschijningsvorm van mogelijk meer planmatig gedrag, willen onderzoekers de ernst van de psychopathologie en het beperkte vermogen van betrokkene om gedragsalternatieven aan te wenden benadrukken. Onderzoekers adviseren, het geheel overziend, om betrokkene als ten minste verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen ten aanzien van het ten laste gelegde.

Tijdens de terechtzitting heeft de deskundige gepersisteerd bij de conclusie.

De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte wordt gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke motivering.

Uit de rapportage van de deskundigen en de toelichting van een van hen daarop ter terechtzitting, volgt dat de hiervoor genoemde stoornissen aanwezig waren ten tijde van het bewezen verklaarde en dat deze stoornissen verdachte zodanig hebben beïnvloed dat zijn gedrag en keuzes van zijn handelingen daaruit verklaard kunnen worden. Het vereiste causale verband tussen het bewezen verklaarde feit en de stoornissen is dan ook aanwezig.

De vervolgvraag is of verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, zoals bepleit door de raadsvrouw, of dat het aan verdachte (deels) zelf te wijten is dat hij de medewerker heeft verwond, zoals door de deskundigen geconcludeerd. Dit laatste zou betekenen dat verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is te beschouwen.

Uit de rapportage van het PBC en hetgeen door de deskundige ter terechtzitting is verwoord concludeert de rechtbank dat niet met zekerheid is vast te stellen dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict psychotisch was, en als hij dat op dat moment was in welke mate. De deskundigen hebben in het rapport geconcludeerd dat alle reflecties van verdachte over zijn innerlijke belevingen, zijn verklaringen en zijn motieven op grond van zijn psychopathologie niet betrouwbaar zijn. Om deze reden is het niet mogelijk geweest een helder delict scenario op te stellen. Ter terechtzitting is door de deskundige benadrukt dat het cluster van psychische problematiek van verdachte dermate ernstig, chronisch en multifactorieel is, dat slechts kan worden geconcludeerd dát deze problematiek aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde maar dat niet kan worden ontrafeld welke stoornis, beperking of aandoening -en in welke mate en combinatie- heeft doorgewerkt in de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde.

Als gevolg daarvan kan door de deskundigen niet worden vastgesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Het is evenwel evident dat er sprake is van een zeer ernstige pathologie die een grote rol heeft gespeeld ten tijde van het delict.

De rechtbank ziet geen reden af te wijken van de onderbouwde en deugdelijke redenering van de deskundigen op dit punt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde feit aan verdachte kan worden toegerekend, hoewel slechts in sterk verminderde mate.

Ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder onder parketnummer 012.136420.23 voorwaardelijk opgelegde straf stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze dient te worden afgewezen gelet op het gebrek aan meerwaarde, gezien de strafeis en de aard van de feiten en oudheid van het veroordelend vonnis.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Indien de rechtbank hierin niet meegaat dient bij het opleggen van een eventuele gevangenisstraf rekening te worden gehouden met het advies van de deskundigen om een behandeling zo spoedig mogelijk te laten aanvangen. Een straf gelijk aan het ondergane voorarrest is dan op zijn plaats. Ook dient rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte lange tijd in het boeienregime heeft gezeten. Voor het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zijn weinig aanknopingspunten te vinden. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van een medewerker van de ISD-inrichting waar hij verbleef. Hij heeft het slachtoffer doelbewust met een zelfgemaakt snijwapen aangevallen en gesneden, waarbij deze gewond is geraakt.

Mede door adequaat handelen van een medegedetineerde is erger voorkomen.

Het handelen van verdachte heeft voor het slachtoffer een zeer beangstigende situatie veroorzaakt, hetgeen ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Door op deze manier te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft blijvende littekens in zijn hals en wordt hier dagelijks mee geconfronteerd. Het incident heeft niet alleen een grote impact gehad op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook op het gevoel van veiligheid van de kinderen van het slachtoffer, vanwege de baan die hun vader als medewerker in [plaats] uitoefent en op de collega’s van de [plaats]

Door het bewezenverklaarde feit heeft de rechtbank het beeld van verdachte gekregen dat hij gemakkelijk kan overgaan tot het toepassen van fors en extreem geweld. Dat acht de rechtbank niet alleen zeer kwalijk, maar ook zorgelijk.

De persoon van verdachte.

Zoals hiervoor al geconcludeerd is het tenlastegelegde in (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank heeft voor wat betreft de persoon van verdachte verder acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 9 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte met grote regelmaat is veroordeeld, met name voor vermogensdelicten, maar ook voor een geweldsdelict.

De op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het feit, in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige dan een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur. Normaal gesproken zou de rechtbank bij een ernstig feit als dit denken aan jarenlange gevangenisstraf. Gelet op het feit dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen en gelet op de op te leggen maatregel (waarover hierna meer), vindt de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het advies van de deskundigen van het PBC, dat het gezien de ernst en aard van de pathologie van verdachte van belang is dat zijn behandeling zo snel mogelijk kan aanvangen, om daarmee risico op recidive zo gunstig mogelijk te beïnvloeden, ook in het belang van de veiligheid van de medewerkers van de [plaats], en om voor verdachte een minder inperkende bejegening mogelijk te maken. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar verzoek om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, omdat in dat geval de ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking wordt gebracht.

De op te leggen maatregel.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de noodzaak bestaat tot het opleggen van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, zoals geëist door de officier van justitie.

Deze maatregel kan worden opgelegd indien bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit, voor zover hier van belang, een misdrijf te zijn zoals omschreven in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen.

Zoals hiervoor reeds overwogen is door de deskundigen M.C.F. Hoes, GZ-psycholoog, M.A. Wijnands, psychiater en D. Harari, psychiater (allen verbonden aan het PBC), in de over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportage geconcludeerd dat bij verdachte sprake was van tijdens het begaan van het feit aanwezige ziekelijke stoornissen van de geestvermogens en (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank stelt verder vast dat de bewezen verklaarde poging tot doodslag een in artikel 37a, eerste lid, onder 2 Sr genoemd misdrijf betreft.

Ten aanzien van het recidiverisico en de interventies om dit te beperken hebben voornoemde deskundigen in het Pro Justitia rapport – voor zover van belang – het volgende geconcludeerd en geadviseerd.

Op de HCR-20v3 komt een hoog risico op recidive naar voren. Betrokkene scoort maximaal op de historische-, klinische- en risicohanterings-items. Daarbij worden op de SAPROF geen beschermende factoren geobjectiveerd. Ook voor de korte termijn zijn er grote zorgen over het optreden van een soortgelijk gewelddadig delict.

Zoals beschreven is er sprake van ernstige pathologie en diverse functiebeperkingen, waarvoor een langdurige, intensieve en klinische behandeling geïndiceerd is. Betrokkene is gebaat bij een gedragsregulerende setting met veel externe structuur, duidelijkheid en praktische ondersteuning. Er dient aanvankelijk ook sprake te zijn van een hoog beveiligingsniveau. Hoewel er geen verstandelijke beperking bij betrokkene kan worden vastgesteld, sluiten een bejegening en behandeling op dat niveau, als gevolg van zijn beperkingen, wel het beste bij betrokkene aan. Het risico op overvraging en overschatting ligt bij hem op de loer.

Het is van belang dat de schizofrenie optimaal behandeld wordt. Een adequate instelling op antipsychotische medicatie heeft een beschermende functie tegen het opbouwen van paranoïdie. Vanwege de verslavings- en agressieregulatieproblematiek gedacht kan worden aan wijziging van de antipsychotische medicatie naar clozapine. Naast expertise op het gebied van schizofrenie is tevens expertise nodig op het gebied van de beschreven gebrekkige ontwikkeling van betrokkene en daarmee samenhangende functie- beperkingen en mogelijke onderliggende stoornissen. Geadviseerd wordt om de behandeling te richten op langdurige abstinentie van middelen, traumaverwerking en het aanleren van adequate coping- en agressieregulatievaardigheden. De geïndiceerde behandeling zal, ook vanwege het opbouwen van vertrouwensrelaties met behandelaren, naar verwachting een langdurig proces zijn, waarbij ook aandacht besteed dient te worden aan beschermende factoren. Zo behoeft betrokkene te zijner tijd ondersteuning in het opbouwen van een prosociaal netwerk, waar hij in de toekomst op kan terugvallen. Huisvesting, hulp bij financiën en dagbesteding zijn daarnaast ook van belang om geleidelijk toe te werken naar terugkeer in, en meer deelname aan, de maatschappij.

Onderzoekers achten het gezien de ernst en aard van betrokkenes pathologie van belang dat behandeling zo snel mogelijk kan aanvangen,om daarmee ook het korte termijn risico zo gunstig mogelijk te beïnvloeden en een minder inperkende bejegening mogelijk te maken.

Gezien bovenbeschreven problematiek en functiebeperkingen wordt ingeschat dat betrokkene niet in staat zal zijn om zich consistent aan voorwaarden te houden. Op grond van de ernst van de pathologie en een hoog recidiverisico bij hernieuwde psychotische ontregeling, adviseren onderzoekers om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.

De rechtbank sluit zich aan bij de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen en neemt het door hen geformuleerde advies over.

Op grond van voornoemde rapportage stelt de rechtbank vast dat ten tijde van de poging tot doodslag bij verdachte sprake was van ziekelijke stoornissen van de geestvermogens zoals hiervoor nader is omschreven. Het gepleegde misdrijf is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

De rechtbank volgt de deskundigen in hun (ter terechtzitting herhaalde) advies dat, gezien bovenbeschreven problematiek en functiebeperkingen wordt ingeschat dat betrokkeneniet in staat zal zijn om zich consistent aan voorwaarden te houden. Op grond van de ernstvan de pathologie en een hoog recidiverisico bij hernieuwde psychotische ontregeling,adviseren de deskundigen om aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling metdwangverpleging op te leggen. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen.

De maatregel wordt opgelegd wegens poging tot doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 02.136420.23.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen omdat zij, met de officier van justitie, van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf thans niet opportuun is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

37a, 37b, 45, 287 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. primair:

poging tot doodslag

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1 primair:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

 Een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Wijst af de vordering met parketnummer 02-136420-23 van de officier van justitie d.d. 6 maart 2026.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.W.H. Houg, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. M.M.J. Nuyten, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 30 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.W.H. Houg
  • mr. C.A. Mandemakers
  • mr. M.M.J. Nuyten

Griffier

  • mr. C.A.M. Wentholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand