ECLI:NL:RBOBR:2026:7075

ECLI:NL:RBOBR:2026:7075

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 01-026181-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tijdens ‘De Nacht van Brabant’ op 25 oktober 2025 in de Brabanthallen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in de vordering aangezien de vorderingen zien op een feit waarvoor verdachte niet wordt vervolgd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.026181.26

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

wonende te [adres] ,

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2026 en 25 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 augustus 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,

in de Brabanthallen aan de Diezekade 2, in elk geval openlijk

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het een of meermalen slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het een of meermalen schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] (terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag) en/of

- het een of meermalen slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het een of meermalen maken van slaande bewegingen in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft opgemerkt dat verdachte niet de agressor is geweest bij de schermutseling. Verdachte had niet de intentie meerdere personen bij de gebeurtenis te betrekken. Er was ook geen sprake van een bewuste samenwerking. Ten slotte merkt de raadsman op dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] is geschopt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsbijlage.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen.

Het juridische kader.

In artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen. Hiervoor hoeft niet bewezen te worden dat van elke dader die bij groepsgeweld is betrokken zelf een gewelddadige handeling is uitgegaan. Voldoende is dat wordt bewezen dat elke dader opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Tegelijkertijd drukken de woorden “in vereniging” uit dat er steeds sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen degenen die bij het groepsgeweld zijn betrokken.

Het handelen van verdachte.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met anderen, onder wie medeverdachte [medeverdachte] , op 25 oktober 2025 in de Brabanthallen, tijdens het evenement ‘De Nacht van Brabant’, geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij hebben hen geslagen tegen hun hoofd en/of hun lichaam. Verdachte heeft erkend dat hij hier een aandeel in heeft gehad. Hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen en dat hij, toen hij naast [slachtoffer 1] stond, hem tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Hiermee heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan het openlijk geweld. Er was, anders dan de raadsman heeft gesteld, een nauwe en bewuste samenwerking tussen degenen die bij het groepsgeweld zijn betrokken. Verdachte kan daarmee verantwoordelijk worden gehouden voor het plegen van openlijk geweld en dus ook voor de handelingen die in hetzelfde incident tegelijkertijd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn verricht door anderen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Met de verdediging is de rechtbank het eens dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte of (een van) zijn medeverdachte(n) [slachtoffer 1] tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl hij op de grond lag. Verdachte zal hiervan dan ook partieel worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 25 oktober 2025 te 's-Hertogenbosch, in de Brabanthallen aan de Diezekade 2, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het slaan tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en

- het slaan tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 2] en

- het maken van slaande bewegingen in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] .

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer ten aanzien van [slachtoffer 2] .

Er was volgens de verdediging sprake van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte] door [slachtoffer 2] . De reactie van verdachte, namelijk terugslaan en duwen, was proportioneel.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] wordt een beroep gedaan op putatief noodweer. Verdachte kon niet uitsluiten dat ook [slachtoffer 1] medeverdachte [medeverdachte] wilde aanvallen en wellicht iets uit zijn zak wilde halen dat tegen hem of tegen medeverdachte [medeverdachte] gebruikt kon worden.

Verzocht wordt daarom verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging van medeverdachte [medeverdachte] . Het geweld dat door verdachte is toegepast was bovendien niet proportioneel. Verdachte komt geen geslaagd beroep op een rechtvaardigingsgrond toe.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het beroep op noodweer.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of aannemelijk is dat sprake was van een noodweersituatie, met andere woorden: of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding van medeverdachte [medeverdachte] .

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij is namelijk van oordeel dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat om aannemelijk te achten dat medeverdachte [medeverdachte] als eerst door [slachtoffer 2] is geslagen.

Echter, de verdediging daartegen was naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Verdachte stond, na medeverdachte [medeverdachte] muntjes te hebben gegeven, aan de zijkant en had niets met het opstootje te maken. In plaats van medeverdachte [medeverdachte] te ontzetten, heeft hij zich in de ontstane groep van vrienden gemengd en is hij [slachtoffer 2] blijven opzoeken om het gevecht voort te zetten. Verdachte had een andere mogelijkheid dan zich met het toepassen van geweld te mengen in de ruzie. Hij had zich kunnen en moeten onttrekken aan de aanranding. Dat was een reële en redelijke mogelijkheid in dit geval.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het beroep op putatief noodweer.

Van putatief noodweer is sprake wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. De verdachte komt een geslaagd beroep op putatief noodweer toe indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij of iemand anders werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen en dat de verdachte daarbij redelijkerwijs mocht menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. In aanmerking dient te worden genomen of de gemiddelde burger, geplaatst in de situatie van de verdachte, ook in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet kon uitsluiten dat [slachtoffer 1] ook medeverdachte [medeverdachte] wilde aanvallen en dat hij wellicht iets uit zijn broek wilde halen dat tegen hem of medeverdachte [medeverdachte] gebruikt kon worden.

De rechtbank volgt verdachte daar niet in. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat [slachtoffer 1] op dat moment voornemens was zich in het gevecht te mengen en verdachte of medeverdachte [medeverdachte] aan te vallen. Immers, terwijl [slachtoffer 1] vanuit de zijlijn het gevecht gadeslaat, slaat verdachte hem vanachter uit het niets tegen het hoofd waardoor hij ten val komt en op de grond belandt.

Dat betekent dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij of medeverdachte [medeverdachte] dreigde te worden aangevallen.

Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook verworpen.

Conclusie.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de (stabiele) persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verzocht is rekening te houden met het belangrijke aandeel van [slachtoffer 2] en dat verdachte niet de aanstichter van het geweld was. Ook is verzocht het gelijkheidsbeginsel mee te wegen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tijdens het feest ‘De Nacht van Brabant’ in de Brabanthallen.

Omdat door [slachtoffer 1] zou zijn voorgedrongen bij de bar waar medeverdachte [medeverdachte] drinken wilde halen, zijn er uiteindelijk over en weer klappen gevallen. De eerste klap is gegeven door [slachtoffer 2] , de zoon van [slachtoffer 1] . Daarop is in ieder geval door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gereageerd. [slachtoffer 2] heeft zich niet onbetuigd gelaten in het gevecht en had evengoed als verdachte in het verdachtenbankje kunnen zitten. Toch rekent de rechtbank verdachte zijn rol in de vechtpartij aan omdat ook hij te ver is gegaan. Door verdachte is geweld uitgeoefend op [slachtoffer 2] , maar ook op [slachtoffer 1] .

De persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 27 juli 2026. Daaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren niet in aanraking is gekomen met politie en justitie.

Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt. Door de verdediging is ter terechtzitting benoemd dat verdachte zzp’er is in de bouw en een gezin heeft. Zijn (financiële) situatie is stabiel en er is geen sprake van een verslaving.

De rechtbank weegt mee dat verdachte de ernst van de situatie inziet. Hij lijkt oprecht zijn spijt te betuigen.

De strafmaat.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten hebben te gelden als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Voor openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel geldt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uren. Dat er sprake is van uitgaansgeweld, werkt enigszins strafverzwarend. De rechtbank weegt als strafmatigende omstandigheid mee dat verdachte niet de aanstichter is van het geweld en [slachtoffer 2] verdachte en zijn medeverdachte significant heeft geprovoceerd. Ook heeft het opstootje volgens [slachtoffer 2] weinig voorgesteld en hebben zowel hij als zijn vader daar geen gevolgen van ondervonden.

De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf opleggen van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis. De rechtbank legt daarmee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] .

De raadsman van de benadeelde partijen, heeft verzocht om hen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de vorderingen zien op een strafbaar feit waarvoor verdachte niet wordt vervolgd.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geen eenduidig standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering die (in eerste instantie) ook is ingediend in de zaak van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

Ondanks het door de benadeelde partijen naar voren gebrachte standpunt, heeft de raadsman van verdachte toch gemeend verweer te moeten voeren. De vordering wordt in zijn geheel betwist en verzocht wordt de niet-ontvankelijkheid uit te spreken, omdat deze ziet op een feit waarvoor verdachte niet wordt vervolgd en voorts omdat de verdediging zich niet adequaat heeft kunnen verweren.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, aangezien de vorderingen zien op een feit waarvoor verdachte niet wordt vervolgd.

De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

De rechtbank:

Bewezenverklaring.

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Strafbaarheid.

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende misdrijf oplevert:

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging.

- veroordeelt verdachte tot:

 een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] :

- bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

- bepaalt dat verdachte en de benadeelde partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. van der Hilst, voorzitter,

mr. N. Flikkenschild en mr. M.T.T. Slenter, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,

en is uitgesproken op 2 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. van der Hilst
  • mr. N. Flikkenschild
  • mr. M.T.T. Slenter

Griffier

  • mr. N.J.S. Doornbosch

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand