beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind
op verzoek van:
[Naam]
[adres] ,Kamer van Koophandel-nummer [nummer] ,
hierna te noemen: verzoeker, tevens bewindvoerder,
met betrekking tot:
[Naam] ,geboren te [woonplaats] op [datum] ,wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,hierna te noemen: betrokkene.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:- het verzoek (met bijlage), ontvangen op 27 januari 2026;
- de e-mails van betrokkene (met bijlagen), ontvangen op 20 (twee maal), 21, 27 en 28 januari 2026
-de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 30 oktober 2025.
beoordeling
Bij beschikking van de kantonrechter van 27 mei 2024 zijn de (toekomstige) goederen van betrokkene onder bewind gesteld voor bepaalde tijd, te weten tot 27 mei 2029, wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden.
De bewindvoerder verzoekt om opheffing van het bewind. De bewindvoerder voert als reden voor het verzoek aan dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Sinds de laatste zitting van 22 oktober 2025 hebben zich volgens de bewindvoerder geen positieve of structurele veranderingen voorgedaan in het gedrag van betrokkene. Zo heeft betrokkene nieuwe schulden gemaakt en hierbij (willens en wetens) gebruik gemaakt van afwijkende namen en accounts, zodat reguliere kredietchecks konden worden omzeild. De bewindvoerder heeft hierdoor deze aankopen ook niet kunnen terugdraaien. Ook is volgens de bewindvoerder gebleken dat betrokkene haar tweewekelijkse leefgeld niet op een correcte wijze kan beheren, waardoor het lopende zelfredzaamheidstraject tot stilstand is gekomen. Daarnaast ontvangt de bewindvoerder dagelijks van betrokkene (lange en onsamenhangende) e-mails met verzoeken om extra (leef-)geld. Volgens de bewindvoerder is de communicatie van beide zijden ernstig verstoord, waardoor geen sprake meer is van een constructieve samenwerking. Bij het verzoek heeft de bewindvoerder nog een bericht van betrokkene toegevoegd, waarin betrokkene aangeeft dat ze het bewind zo snel mogelijk wil stoppen.
Betrokkene heeft recentelijk een aantal (uitvoerige) e-mails naar de rechtbank verzonden. Betrokkene geeft hierin in ieder geval aan op de hoogte te zijn van het (aanstaande) verzoek tot opheffing van de bewindvoerder en geen nieuwe bewindvoerder te willen. Daarnaast geeft betrokkene, kort samengevat, in haar e-mails aan niet tevreden te zijn over haar bewindvoerder en het verloop van het bewind. Betrokkene wil tevens zelf haar financiƫle belangen behartigen.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit de stukken blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat voortzetting van het bewind niet zinvol is. Betrokkene werkt niet (goed) mee met de uitvoering van het bewind door, onder andere, doelbewust en buiten het medeweten van de bewindvoerder om, nieuwe schulden aan te gaan. Betrokkene heeft daarnaast recent meermaals schriftelijk aangegeven geen bewind meer te willen. In oktober 2025 is er ook al een zitting geweest waarin het verzoek van betrokkene tot opheffing van het bewind is besproken. Op de zitting hebben betrokkene en de bewindvoerder gezamenlijk aangegeven dat opheffing van het bewind nog te vroeg is en er afspraken zijn gemaakt over het volgen van een zelfredzaamheidstraject en afspraken over de wijze en mate van communicatie. Om die reden heeft de kantonrechter het verzoek opheffing bewind afgewezen op 30 oktober 2025.
Op dit moment is overduidelijk dat er geen constructieve samenwerking tussen betrokkene en de bewindvoerder meer mogelijk is. Hoewel de noodzaak van het bewind naar de inschatting van de kantonrechter nog wel aanwezig is (betrokkene maakt immers nieuwe schulden, vraagt geregeld om extra geld en heeft een zelfstandigheidstraject niet succesvol afgerond), is het niet aannemelijk dat, gezien de inhoud van het verzoek en de e-mails van betrokkene, betrokkene de voor een zinvolle uitvoering van het bewind noodzakelijke grondhouding heeft. Ook de benoeming van een eventuele opvolgend bewindvoerder zal hierin geen verandering brengen. De kantonrechter zal het bewind daarom opheffen.
De kantonrechter merkt nog op dat in beginsel betrokkene over een verzoek als dit gehoord dient te worden. Gelet op de inhoud van het verzoek, de e-mails van betrokkene en omdat het verloop van het bewind nog slechts enkele maanden geleden uitvoerig op zitting is besproken, ziet de kantonrechter in dit geval geen meerwaarde om betrokkene opnieuw tijdens een zitting te horen.
beslissing
De kantonrechter:
- heft het bewind over de goederen van [Naam] op met ingang van twee weken na verzending van deze beschikking.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: