RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.103551.26
Datum uitspraak: 5 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [woonplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
1. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
ten aanzien van feit 1:
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Eindhoven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Dillenburgstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden onder invloed van alcohol en/of cannabis en/of cocaïne en/of bij het naderen van de kruising met de Hurksestraat niet te stoppen achter de haaientanden en/of niet (voldoende) te kijken of er verkeer op die Hurksestraat reed en/of of die kruising vrij was van verkeer en/of die kruising met de Hurksestraat op te rijden en/of geen voorrang te verlenen aan een op die Hurksestraat rijdende personenauto en/of in botsing te komen met die personenauto, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten twee fracturen in ruggenwervels en/of een of meer gekneusde ruggenwervels en/of een borstbeenfractuur en/of gekneusde longen, althans zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Eindhoven, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Dillenburgstraat, bij het naderen van de kruising met de Hurksestraat niet (voldoende) heeft gekeken of er verkeer op die Hurksestraat reed en/of of die kruising vrij was van verkeer en/of die kruising met de Hurksestraat op is gereden en/of geen voorrang heeft verleend aan een op die Hurksestraat rijdende personenauto en/of in botsing is gekomen met die personenauto, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Eindhoven een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een of meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of cannabis en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 39 microgram cocaïne per liter en/of 2,2 microgram cannabis per liter en 0,3 microgram ethanol/alcohol per liter bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
2. De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 en artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Hierbij heeft de officier van justitie toegelicht dat er naar haar oordeel sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen door verdachte waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven en onder meer – zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft hij bepleit dat uit het dossier onvoldoende blijkt wat het uitzicht op (volledig) herstel is en/of welke de (eventuele) noodzaak tot medisch ingrijpen er is geweest.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
De vaststaande feiten en omstandigheden.
Verdachte bestuurde op 5 oktober 2024 een personenauto en reed vanuit het zuiden op de Dillenburgstraat in de richting van het nabijgelegen kruispunt met de voorrangsweg genaamd “Hurksestraat”. Op enig moment heeft verdachte het kruispunt overgestoken. Verdachte was hierbij gehouden om voorrang te verlenen aan weggebruikers die over de “Hurksestraat” reden, gelet op de voor hem geldendehaaientanden. Op het moment van het passeren van de tweede rijbaan op het kruispunt is een botsing ontstaan met de van rechts komende personenauto van mw. [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Na het ongeval is uit bloedonderzoek gebleken dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van alcohol, cocaïne en cannabis.
Juridisch kader
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich als deelnemer aan het verkeer zo heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld.
Mate van schuld
Verdachte heeft bij zijn tweede verhoor op het politiebureau verklaard dat hij de indruk had dat de lampen van de auto van het slachtoffer niet aan stonden. Daarnaast heeft hij verklaard dat het slachtoffer naar zijn beleving te hard reed.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn van verkeersfouten aan de zijde van het slachtoffer niet gebleken. Daarbij staat voorop dat de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de verklaringen van het slachtoffer. Zij heeft verklaard dat zij de ter plaatse geldende maximumsnelheid reed en de lampen van haar auto aan had. Dit terwijl juist verdachte wisselend heeft verklaard over de door hem gereden snelheid, of hij gestopt is én onder invloed van alcohol en verdovende middelen heeft gereden. Het behoeft geen uitleg dat dergelijk alcohol- en middelengebruik zijn oplettendheid en reactievermogen kunnen hebben aangetast. Daarnaast heeft getuige [getuige] niets verklaard over het ontbreken van verlichting en/of een opvallende snelheid van de auto van het slachtoffer. Dit terwijl de auto deze getuige tegemoet reed. Dergelijke omstandigheden zouden de getuige redelijkerwijs moeten zijn opgevallen.
Verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol, cocaïne en cannabis. Vervolgens heeft hij niet goed gekeken waardoor hij een andere verkeersdeelnemer niet heeft gezien en heeft hij die verkeersdeelnemer geen voorrang verleend. De rechtbank waardeert het verkeersgedrag van verdachte gelet op het voorgaande als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Een normaal handelend en nuchtere bestuurder had de auto van het slachtoffer ruim op tijd gezien en had dan ook voorrang verleend.
Dit betekent dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is.
De aard van het letsel.
De rechtbank is van oordeel dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten een ‘thl fractuur’ en een ‘th7 compressiefractuur’, zijnde breuken in de ruggenwervel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Immers brengen dergelijke breuken in een essentieel deel van het menselijk lichaam in de regel forse gevolgen met zich die het dagelijkse leven ingrijpend kunnen beïnvloeden. Uit de verklaringen van het slachtoffer en de medische stukken blijkt ook dat zij ernstige fysieke pijnklachten heeft ervaren ten gevolge van het ongeval. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Anders dan door de raadsman is bepleit doet de omstandigheid dat het dossier geen volledig en/of actueel beeld geeft van de medische situatie van het slachtoffer hier niet aan af. De hiervoor vastgestelde aard van het opgelopen letsel en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer kunnen het oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel zelfstandig dragen.
4. De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
ten aanzien van feit 1:
op 5 oktober 2024 te Eindhoven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Dillenburgstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden onder invloed van alcohol en cannabis en cocaïne en geen voorrang te verlenen aan een op die Hurksestraat rijdende personenauto en in botsing te komen met die personenauto, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten twee fracturen in haar ruggenwervels en een of meer gekneusde ruggenwervels en een borstbeenfractuur en gekneusde longen, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994.
ten aanzien van feit 2:
op 5 oktober 2024 te Eindhoven een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en cannabis en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol 39 microgram cocaïne per liter en 2,2 microgram cannabis per liter en 0,3 microgram ethanol per milliliter bedroeg, zijnde telkens een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
7. De oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven en onder meer- de rechtbank verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat het ongeluk inmiddels bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en met het feit dat het mogelijk is dat hij zelf aansprakelijk wordt gesteld voor de door het slachtoffer geleden schade. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat zou kunnen worden volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf achterwege gelaten te worden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij het slachtoffer, een hem van rechts naderende automobilist op een voorrangsweg, betrokken is geraakt. Het verkeersongeval heeft breuken in de ruggenwervel van het slachtoffer en diverse ernstige kneuzingen in het lichaam met zich gebracht. Op invoelbare wijze is bij het spreekrecht naar voren gekomen welke lichamelijke en psychische gevolgen het slachtoffer tot op de dag van vandaag ervaart door het ongeval en het daar ontstane letsel. Haar leven is als het ware stil komen te staan. Alhoewel de rechtbank zich realiseert dat verdachte dit ongeval en de gevolgen daarvan niet heeft gewenst, neemt dit niet weg dat de keuze van verdachte om onder invloed van alcohol en drugs in de auto te stappen en (daardoor) onvoldoende heeft opgelet er wel voor heeft gezorgd dat haar leven zeer ingrijpend is veranderd.
Bij haar beslissing over de strafsoorten en de hoogte van de straffen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In het geval van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en zwaar lichamelijk letsel van een verkeersongeval is het oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden. De rechtbank neemt daarbovenop in strafverzwarende zin mee dat verdachte onder invloed van alcohol en drugs reed.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 17 augustus 2026 waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij acht de rechtbank, net als de officier van justitie, ook relevant dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het bezit van harddrugs en ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in het verleden recreatief drugs gebruikte. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij dacht dat hij op de dag van het ongeval kon en mocht rijden. Alhoewel verdachte nu stelt gestopt te zijn met drugsgebruik leveren deze feiten en omstandigheden een reëel risico op dat verdachte opnieuw een foute inschatting maakt over zijn rijbekwaamheid. Daarom acht de rechtbank een forse stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
In beginsel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging bij dit soort strafbare feiten passend. Het ongeluk vond echter al bijna twee jaar geleden plaats en sindsdien is verdachte niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen. Daarom ziet de rechtbank ruimte om te volstaan met een langdurige geheel voorwaardelijke rijontzegging omdat verdachte het rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Dit werk zal hem juist in staat stellen om de schade van het ongeval te kunnen vergoeden.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uur opleggen, zoals de officier van justitie deze ook heeft gevorderd. Daarnaast zal de rechtbank, om verdachte een forse waarschuwing mee te geven om niet meer onder invloed van alcohol en/of drugs de auto in te stappen, verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren én tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren.
8. De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 Wetboek van Strafrecht
6, 8, 175, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.
9. DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:
Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis
Een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. M. Langstraat, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 5 oktober 2026.