ECLI:NL:RBOBR:2026:7118

ECLI:NL:RBOBR:2026:7118

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer 84-005447-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens schending van het ne bis in idem beginsel.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

vonnis

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 84.005447.25

Datum uitspraak: 5 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1. De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 augustus 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2021 tot en met 11 november 2021 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, zes personen, te weten

[persoon 1] , met de Georgische nationaliteit,

[persoon 2] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 3] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 4] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 5] met de Georgische nationaliteit en

[persoon 6] met de Oezbeekse nationaliteit

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel voornoemd personen (telkens) daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft/hebben hij bovengenoemd personen gehuisvest en arbeid laten verrichten in het bedrijf [bedrijfsnaam] ., en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een beroep en/of een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2021 tot en met 11 november 2021 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, zes personen, te weten

[persoon 1] , met de Georgische nationaliteit,

[persoon 2] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 3] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 4] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 5] met de Georgische nationaliteit en

[persoon 6] met de Oezbeekse nationaliteit

die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een beroep en/of een gewoonte heeft gemaakt;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 juli 2021 tot en met 11 november 2021 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, zes personen, te weten

[persoon 1] , met de Georgische nationaliteit,

[persoon 2] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 3] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 4] met de Georgische nationaliteit,

[persoon 5] met de Georgische nationaliteit en

[persoon 6] met de Oezbeekse nationaliteit

die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland hadden verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

2. De formele voorvragen.

Het preliminaire verweer van de verdediging.

Door de raadsman van verdachte is verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven en onder meer – bepleit dat het ne bis in idem beginsel uit artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is geschonden. Hiertoe heeft de verdediging bepleit dat dezelfde gedragingen strafrechtelijk nu worden beslecht terwijl zij bestuursrechtelijk zijn beboet.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vervolging. Hiertoe heeft de officier van justitie gerefereerd aan jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van strafrechtelijke vervolgingen voor overtredingen van 197a Sr enerzijds en bestuursrechtelijke sancties op het gebied van overtredingen van artikel 2 van de Wet Arbeid Vreemdelingen (hierna: WAV) anderzijds.

Het oordeel van de rechtbank.

Het juridisch kader.

Het ne bis in idem beginsel als bedoeld in artikel 68 Sr houdt een garantie in tegen een dubbele vervolging wegens hetzelfde feit als waarvoor men reeds eerder is veroordeeld, vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging. Het ne bis in idem beginsel kent verwantschap met het una-viabeginsel en vult de bescherming als het ware aan. Dit beginsel houdt in dat wanneer iemand een feit heeft gepleegd dat kan leiden tot zowel een strafrechtelijke vervolging als oplegging van een bestuurlijke boete, de autoriteiten moeten kiezen welke van deze twee sanctietrajecten zij willen volgen. Niet alleen dubbele sanctionering ter zake van hetzelfde feit is verboden (het ne bis in idem-beginsel), maar ook dubbele vervolging (het una via-beginsel).

Het ne bis in idem-beginsel is ook verankerd in Europees recht, onder andere in artikel 4 van het 7e Protocol waaraan het EHRM invulling geeft met zijn rechtspraak. Tevens is het beginsel neergelegd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het ne bis in idem beginselen het una-viabeginsel zijn geschonden. Hierbij staat centraal of betrokkene, feitelijk bezien, voor een tweede maal wordt vervolgd c.q. gestraft voor hetzelfde feit.

De relevante feiten en omstandigheden.

Uit het procesdossier maakt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden op. Op 11 november 2021 heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA) een controle uitgevoerd. De verbalisanten van de NLA troffen zes vreemdelingen werkend aan op een Rotterdams adres. De vreemdelingen werkten daar in het kader van de door verdachte gedreven onderneming, [bedrijfsnaam] (hierna: de onderneming van verdachte). Verdachte beschikte niet over de vereiste tewerkstellingsvergunning voor de werkende vreemdelingen. Hierover is verdachte op 3 december 2021 gehoord door de inspectie SZW op het politiebureau.

Op 21 februari 2022 werd daarom een bestuursrechtelijke boetebeschikking opgemaakt ter hoogte van € 38.000,-- op naam van de onderneming van verdachte wegens overtreding van artikel 2 WAV. Verdachte is binnen zijn onderneming altijd enig aandeelhouder en bestuurder geweest. Gedurende januari 2023 is de executie van deze boetebeschikking overgedragen aan een deurwaarder. Op 12 december 2023 heeft er een betaling plaatsgevonden ter hoogte van € 1.200,--. Op 11 mei 2024 heeft verdachte zijn onderneming uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Op 25 september 2024 start er een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van artikel 197a Sr. Op 8 juli 2025 heeft de officier van justitie de beslissing genomen om verdachte te dagvaarden. Op 20 augustus 2026 is deze dagvaarding uitgegaan. Op 25 augustus 2026 is antwoord ontvangen vanuit de afdeling Boete Dwangsom en Inning (BDI): “Het dossier is gesloten bij CJIB. omdat de BV is opgeheven. Ook was de bestuurder niet meer ingeschreven in de BRP. Na afsluiten van het dossier is bij afsluiten van het dossier nog € 10.919,05 ontvangen vanuit de deurwaarder. Het restant is afgeboekt op geen verhaal." Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte bevestigd dat verdachte persoonlijk aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete. De officier van justitie had hierover geen (andere) informatie.

De beoordeling.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de voorgaande feiten en omstandigheden dat verdachte, door het aanvangen van deze strafzaak, tweemaal in een punitieve procedure is betrokken door de overheid voor hetzelfde feitelijke handelen. Hiertoe merkt de rechtbank het volgende op.

Dezelfde persoon.

Verdachte was voortdurend enig aandeelhouder en enig bevoegd bestuurder van zijn bedrijf. Alhoewel zijn bedrijf aanvankelijk als rechtspersoon de bestuursrechtelijke boete heeft ontvangen is verdachte ook persoonlijk aansprakelijk gesteld. Feitelijk bezien is het bovendien verdachte die de financiële lasten hiervan heeft gedragen. Dit geldt des te meer nu nadat de onderneming van verdachte is opgeheven er € 10.919,05 is betaald. Dit geld kan redelijkerwijs uit geen andere portemonnee zijn gekomen dan die van verdachte. Dit is door verdachte ter terechtzitting bevestigd. Hij heeft zich genoodzaakt gevoeld geld te lenen van een vriend om de boete deels te betalen. Verdachte heeft daarmee voor zover mogelijk was de boete betaald en dus zelfs geld geleend.

De inning van de boete is bovendien kennelijk alleen gesloten omdat verdachte niet over een BRP-adres beschikte. Op het moment dat verdachte weer over een adres en nieuwe financiële middelen beschikt zal de boete verder bij hem geïnd gaan worden.

De rechtbank is gelet op die feiten en omstandigheden van oordeel dat feitelijk bezien verdachte steeds degene is geweest die de financiële lasten van de bestuursrechtelijke boete heeft moeten dragen en in de toekomst zal moeten dragen.

De rechtbank is verder van oordeel dat in een geval als deze, waarbij de bestuurder persoonlijk aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete, de bestuurder in de strafprocedure gezien kan worden als dezelfde persoon als de rechtspersoon waaraan die boete is opgelegd. De rechtbank wijst hierbij op rechtsoverweging 5.7 uit de conclusie bij de uitspraak van de Hoge Raad van 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:586, ECL, inhoudende:

“Ik meen op grond van het voorgaande dat de aansprakelijkstelling op de voet van art. 32(2) IW 1990 van iemand voor een fiscale bestuurlijke boete, voor de toepassing van art. 5:44 Awb op één lijn moet worden gesteld met het opleggen van een bestuurlijke boete aan die persoon. Dit betekent dat art. 5:44(1) Awb in de weg staat aan die aansprakelijkstelling als deze persoon al voor hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd.”

Verschillende procedures met betrekking tot hetzelfde feit.

Voor de vraag of door strafrechtelijke vervolging van een vermeende overtreding van artikel 197a Sr een tweede punitieve procedure is opgestart voor dezelfde feitelijke handelingen van verdachte sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak ‘Jóhannesson and Others v. Iceland’.

Uit dit arrest maakt de rechtbank op dat – kortgezegd –twee kernvoorwaarden van belang zijn om schending van het ne bis in idem beginsel te voorkomen. Deze kernvoorwaarden vat de rechtbank als volgt samen.

1. De inhoudsconnectie tussen de twee procedures.

Enerzijds mogen de twee procedures juridisch en inhoudelijk bezien niet dezelfde doelen nastreven. Relevant is bijvoorbeeld of de overtreden regelingen dezelfde rechtsgoederen strekken te beschermen. Uit bestendigde jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt blijkt namelijk dat 197a en 197b Sr andere rechtsdoelen beschermen dan artikel 2 WAV. Daarbij komt ook dat de maximaal op te leggen straffen c.q. boetes fors uiteenlopen. Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de rechtbank voldaan.

2. De connectie in tijd tussen de twee procedures.

Anderzijds kent het EHRM expliciet gewicht toe aan het feit dat de twee procedures in tijd niet buitensporig ver uiteen mogen lopen. Zo overweegt het EHRM: “ Where the connection in substance is sufficiently strong, the requirement of a connection in time nonetheless remains and must be satisfied. This does not mean, however, that the two sets of proceedings have to be conducted simultaneously from beginning to end. (…) However, ... the connection in time must always be present. Thus, the connection in time must be sufficiently close to protect the individual from being subjected to uncertainty and delay and from proceedings becoming protracted over time ..., even where the relevant national system provides for an “integrated” scheme separating administrative and criminal components. The weaker the connection in time the greater the burden on the State to explain and justify any such delay as may be attributable to its conduct of the proceedings.”

Zoals hiervoor is uiteengezet is pas op 25 september 2024 een strafrechtelijk onderzoek gestart. Deze keuze van de betrokken officier van justitie is dus twee jaren, zeven maanden en 4 dagen later dan de boetebeschikking van 21 februari 2022 genomen. Verdachte heeft in de tussentijd gedacht dat de zaak was afgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat vanuit zijn perspectief ook een gerechtvaardigde gedachte. Dit geldt des te meer nu hij jarenlang niets heeft vernomen van politie en justitie. Pas op 28 oktober 2024 is verdachte verhoord door de politie in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek, waar hij verklaarde: “Ik bedoel dat ik vroeger mensen heb laten werken, die zaak is al behandeld. Ik heb daar straf voor gehad.”

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande het ne bis in idem beginsel geschonden. Het Openbaar Ministerie heeft jarenlang stilgezeten voordat zij dit strafrechtelijk onderzoek heeft opgestart. Dit terwijl het uiteindelijke procesdossier vrijwel compleet bestaat uit de stukken die zijn opgemaakt in het kader van de eerdere bestuursrechtelijke procedure. Dit onderzoek had jaren eerder kunnen en moeten plaatsvinden. Door dit niet te doen is verdachte blootgesteld aan jaren van onzekerheid en aan een onnodige vertraging van de afdoening van deze zaak. Immers zit er vier en half jaar tijd tussen de bestuursrechtelijke boete enerzijds en de datum van strafrechtelijke dagvaarding anderzijds, meer dan twee en half jaar tussen de bestuurlijke boete en de start van het strafrechtelijk onderzoek en bijna twee jaar tussen het strafrechtelijk verhoor en de uiteindelijke dagvaarding, Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte reeds daadwerkelijk is bestraft door de (gedeeltelijke) betaling van de bestuurlijke boete. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de officier van justitie ter terechtzitting geen enkele reden heeft kunnen noemen waarom het strafrechtelijk onderzoek zoveel later (alsnog) is opgestart en/of daarbij rekening is gehouden met het voorgaande. Gelet op het hiervoor geschetste tijdpad en de jurisprudentie van het EHRM had de officier van justitie minst genomen duidelijkheid over moeten geven.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van twee separate punitieve procedures ten aanzien van dezelfde feitelijke handelingen van verdachte. Ondanks het feit dat met artikelen 197a en 197b Sr andere rechtsdoelen worden beschermd dan artikel 2 WAV, zijn deze procedures zijn zodanig uiteen gaan lopen dat gesproken kan worden van twee opeenvolgende procedures en dat daarmee sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel, De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vervolging.

DE UITSPRAAK

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vervolging.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Langstraat, voorzitter,

mr. A.C. Palmboom en mr. S.H.C. Merkx, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,

en is uitgesproken op 5 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Langstraat
  • mr. A.C. Palmboom
  • mr. S.H.C. Merkx

Griffier

  • mr. S.B.J. de Leeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand