RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: 01.254303. [verdachte]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.254303.24
Datum uitspraak: 06 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,
wonende te [adres] ,
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 augustus 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 september 2026 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 april 2024 te Geffen, gemeente Oss, althans in Nederland.
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
-het hoofd en/of het lichaam van [slachtoffer] met kracht vast te pakken en/of vast te houden en/of
- [slachtoffer] (onverhoeds) te kussen en/of
-de vagina van [slachtoffer] te betasten en/of
-aan de haren van [slachtoffer] te trekken en/of
- [slachtoffer] op haar rug op bed te gooien en/of duwen en/of
-op [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- [slachtoffer] te wurgen, althans met kracht bij haar keel te pakken en/of te grijpen en/of
-voorbij te gaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer] en/of
-het aldus voor die [slachtoffer] doen ontstaan van een dreigende situatie,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van [slachtoffer] en/of
het brengen en/of duwen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of penis in de vagina van [slachtoffer] ;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de aan hem ten laste gelegde verkrachting. Dit feit kan worden bewezen op grond van de verklaring van [slachtoffer] (hierna: de aangeefster), het bij haar aangetroffen letsel en de verklaring van [getuige] dat aangeefster zich na die bewuste avond anders gedroeg.
De aangeefster verklaart consistent over wat er gebeurd is en laat daarbij passende emoties zien aan haar trajectbegeleider, [getuige] .
De aangeefster heeft ook verteld waarom ze niet onmiddellijk na de gebeurtenis heeft gezegd wat haar overkomen is: ze schaamt zich, denkt dat het aan haar ligt en is bang voor gevolgen voor de verdachte. Dit onderschrijft de betrouwbaarheid van haar verklaring.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dwang. De verdachte is voorbijgegaan aan de reacties die de aangeefster gedurende de seks liet zien – tegenstribbelen, huilen, hand voor de mond doen, verstijven, niet meedoen – en heeft op zeer hardhandige wijze seks met haar gehad. In de context van de omstandigheid dat ze geen relatie hadden, de verdachte wist dat de aangeefster kwetsbaar was en er geen afspraken waren gemaakt over hardhandige seks, heeft de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans genomen dat het tegen haar wil in plaatsvond.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe in de kern aangevoerd dat de verdachte niet betwist dat er seksuele handelingen tussen hem en de aangeefster hebben plaatsgevonden en dat de aangeefster daarbij letsel aan haar keel heeft opgelopen, maar dat de dwangelementen – die voor een bewezenverklaring van de aan hem ten laste gelegde verkrachting vereist zijn – ontbreken.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsbeslissing
Inleiding
De verdachte en de aangeefster woonden sinds oktober 2022 samen op een woongroep binnen een instelling. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van de verdachte en de aangeefster voor een groot deel met elkaar overeenkomen, waar het gaat over het seksuele contact dat tussen beiden heeft plaatsgevonden. Beiden hebben verklaard dat zij op 29 april 2024 seks met elkaar hebben gehad op de kamer van de aangeefster op die woongroep. Ook hebben zij beiden over dezelfde seksuele handelingen verklaard en dat sprake was van seks op hardhandige wijze waarbij de verdachte de nek van de aangeefster zodanig krachtig heeft vastgepakt dat daardoor een bloeduitstorting in haar hals is ontstaan.
De vraag die voorligt, is – kort gezegd – of bewezen kan worden dat de verdachte de aangeefster tot seks heeft gedwongen.
Dwang
Voor een bewezenverklaring van verkrachting in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde, is vereist dat de verdachte seksueel binnendringende handelingen opzettelijk tegen de wil van het slachtoffer heeft veroorzaakt.
Van de voor verkrachting vereiste dwang kan sprake zijn wanneer de verdachte gebruik heeft gemaakt van geweld, bedreiging met geweld of van zogenaamde ‘feitelijkheden’, zijnde gedragingen die in de gegeven omstandigheden iemand kunnen dwingen de seksuele handelingen te dulden of te plegen. Te denken valt aan het aanwenden van overwicht en/of het gebruik van gebiedende woorden of onverhoeds handelen. Van een verkrachting kan ook sprake zijn als de verdachte door middel van feitelijkheden opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen het seksuele binnendringen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Deze dwang kan voorafgaand aan de seks of gedurende een seksuele ontmoeting geleidelijk of plotseling ontstaan.
(Voorwaardelijk) opzet
Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte moet gericht zijn op de dwang en dus op het tegen de wil doen ondergaan van de seksuele handelingen door het slachtoffer.
Daarbij geldt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Vrijspraak
De rechtbank komt tot een vrijspraak. Voordat de rechtbank deze vrijspraak zal motiveren, merkt de rechtbank eerst het volgende op.
De rechtbank realiseert zich goed dat deze vrijspraak de aangeefster zwaar kan vallen.
De rechtbank acht het voorstelbaar en invoelbaar dat de vrijspraak bij haar vragen oproept of de rechtbank geen oog heeft gehad voor haar afgelegde verklaringen of haar verklaringen niet betrouwbaar acht. De rechtbank vindt het belangrijk om naar de aangeefster toe te benadrukken dat dit niet het geval is. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster nauwgezet gelezen en de ter terechtzitting namens haar voorgelezen slachtofferverklaringen gehoord. Hierbij heeft zij treffend aangegeven hoezeer zij te lijden heeft gehad onder het handelen van de verdachte en hoe zij daar tot op de dag van vandaag nadelige gevolgen van ondervindt. De rechtbank neemt dit serieus en vindt het ook daarom van belang om te benadrukken dat de beslissing niet lichtvaardig is genomen en nadrukkelijk ook niet een oordeel is over de betrouwbaarheid van de door de aangeefster afgelegde verklaringen.
In dit geval staat vast dat er gedurende de seks zodanige handelingen hebben plaatsgevonden dat de aangeefster daardoor letsel in de vorm van een bloeduitstorting in de hals heeft opgelopen. In veel gevallen zal dergelijk letsel ondersteunend zijn voor de verklaring van een slachtoffer dat de seks tegen diens/dier wil heeft plaatsgevonden. In dit geval heeft de verdachte echter verklaard dat hij met instemming van de aangeefster zijn hand in haar nek heeft gedrukt, omdat zij eerder aan hem had aangegeven dit als prettig te ervaren. Zij hadden volgens de verdachte eerder met elkaar gesproken over BDSM en de aangeefster had aangegeven daar positieve ervaringen mee te hebben.
De verklaring van de verdachte op dit punt acht de rechtbank niet onaannemelijk, gelet op de verklaring die de aangeefster ten overstaan van de politie over haar eerdere seksuele ervaringen met betrekking tot “choking” (de rechtbank begrijpt: een wurgelement in de seks) heeft afgelegd. De rechtbank concludeert dan ook dat het geconstateerde letsel in dit geval op zichzelf onvoldoende ondersteunend is voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte dit geweld heeft toegepast om haar te dwingen tot seks.
Voor het overige wordt de verklaring van de aangeefster over de dwang die zou zijn toegepast niet ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen. De verdachte heeft eenduidig verklaard dat hij dacht dat zij beiden op dat moment (ruige) seks met elkaar wilden hebben en dat dat ook gedurende de seks zo is gebleven. Dat de aangeefster non-verbaal duidelijk kenbaar zou hebben gemaakt dat zij de seks niet als prettig ervaarde, blijkt niet uit andere bewijsmiddelen dan haar verklaring. Dat zij zich nadien anders gedroeg richting de begeleiding van de woongroep is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Immers kan dat gedrag ook worden verklaard doordat de aangeefster de seks niet had gewild, zonder dat de verdachte haar daartoe had gedwongen.
Ook sluit de rechtbank niet uit dat de aangeefster geen “nee” durfde te zeggen en met de seks heeft meegedaan terwijl zij dat op dat moment niet wilde. Dit levert echter niet zonder meer een verkrachting in de zin van artikel 242 (oud) Sr op, omdat daarvoor de eerdergenoemde dwang vereist is.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet is vast te stellen in hoeverre en op welke momenten het ten aanzien van de diverse ten laste gelegde handelingen voor de verdachte kenbaar had moeten zijn dat de aangeefster deze seks niet wilde en, desondanks, en wetende dat zij een kwetsbaar meisje was, toch dwang heeft gebruikt om de weerstand van de aangeefster te breken. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het hebben van seks tegen de wil van de aangeefster.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
De vordering van de benadeelde partij
Nu de verdachte van het hem ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.
De benadeelde partij zal worden verwezen in de kosten door de verdachte in deze strafzaak gemaakt als na te melden.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.E. de Kryger, voorzitter,
mr. A. Bernsen en mr. A.M. Koning, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 06 oktober 2026.