RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster en
de burgemeester van de gemeente Land van Cuijk, de burgemeester
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/2712
[verzoeker] , verzoeker
samen te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. L.V. Romme),
en
(gemachtigde: mr. S. van Rooij).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekers voor de duur van drie maanden. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 september 2026 heeft de burgemeester besloten de woning op het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de woning niet wordt gesloten totdat de burgemeester op het bezwaar heeft beslist. Bij e-mailbericht van 11 september 2026 heeft de burgemeester bevestigd niet over te gaan tot sluiting, totdat de voorzieningenrechter op het verzoek heeft beslist.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de burgemeester.
Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster huurt de woning van Stichting [naam] en woont er met verzoeker en hun twee minderjarige kinderen, een zoon van 9 jaar oud en een dochter van 2 jaar oud.
Op 3 juli 2026 heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verzoekers. Aanleiding voor dit onderzoek was de aanhouding van verzoeker eerder die dag omdat hij verdacht werd van het dealen in drugs. In de naar aanleiding van het onderzoek opgemaakte bestuurlijke rapportage van 15 juli 2026 is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Op 1 mei 2026 werd [naam] aangehouden als verdachte van het rijden onder invloed van verdovende middelen. Collega’s treffen bij [naam] 795 euro aan contant geld in kleine coupures en 2 mobiele telefoons aan waarbij hij op één van de telefoons veelvuldig gebeld werd.
(…)
Op de actiedag van 3 juli 2026 zagen collega’s dat [naam] de bestuurder was van een zwarte Audi A3, voorzien van het kenteken (…). Collega’s zagen dat [naam] op de [adres] te [woonplaats] omstreeks 13.00 uur een kort contact had in de zwarte Audi A3 met de bestuurder van een Kia Rio. De bestuurder van de Kia Rio werd iets later aangehouden door collega’s en hij verklaarde dat hij 2 gram cocaïne had gekocht bij [naam] .
(…)
Aangetroffen situatie
Na de aanhouding van [naam] vond er een zoeking plaats in zijn woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Daarbij werd in beslag genomen:
een zak met henneptoppen, totaal 87,4 gram en indicatief getest op cannabis
1750 euro aan contant geld
hennepresten 12,6 gram
tas met restanten verdovende middelen, was verder te weinig om te testen
sok gevuld met 30 ponnypacks en 14 gripzakjes, totaal 16,46 gram indicatief getest als cocaine
busje pepperspray
1 telefoon
(…)
Overige informatie
Aanhouding [naam]
Tijdens het onderzoek en op de actiedag van 3 juli 2026 blijkt dat [naam] veelvuldig contact had met (…) [naam] , geboren op (…) en wonende aan de (…).
Op 3 juli werd [naam] in Nijmegen op heterdaad aangehouden voor het dealen van drugs in de gemeente Land van Cuijk. Tijdens het verhoor van verdachte [naam] verklaarde hij dat hij werkte voor [naam] en dat hij dagelijks een sok met ponypacks cocaïne en crack kreeg van [naam] en deze moest verkopen voor [naam] . Op het einde van de dag moest [naam] de sok met overgebleven ponypacks en het ontvangen geld dan weer moest inleveren bij [naam] . In ruil daarvoor mocht [naam] in een auto van [naam] rijden. (…) [naam] verklaarde dat hij zo’n 20 dagen heeft gewerkt voor [naam] en dat de maximale opbrengst zo’n 350 euro was.
(…)”
Uit de bestuurlijke rapportage blijkt verder dat de in beslaggenomen goederen verspreid in de woning zijn aangetroffen, te weten in de woonkamer, de keuken, de slaapkamer, op de zolder en in de schuur. Verder is in de rapportage vermeld dat naast de vermelde in beslaggenomen goederen, in de woning ook een grammenweegschaaltje, groeimiddel en zakken om henneptoppen te vervoeren werden aangetroffen.
In een op 5 augustus 2026 gedateerde brief heeft de burgemeester verzoekers laten weten dat zij voornemens is de woning te sluiten voor de duur van zes maanden in verband met de in de woning aangetroffen handelshoeveelheid hard- en softdrugs. Op 11 augustus 2026 heeft verzoekster een zienswijzegesprek gevoerd met medewerkers van de gemeente. Op 27 augustus 2026 is namens verzoekers een schriftelijke zienswijze ingediend.
Wat er vervolgens is gebeurd staat onder het kopje ‘Procesverloop’.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de uitspraak op zijn bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium op het eventuele beroep beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
Is sprake van onverwijlde spoed (ook wel spoedeisend belang genoemd)?
5. Het bestreden besluit houdt in dat de woning op korte termijn zal worden gesloten en heeft dus tot gevolg dat verzoekers de woning moeten verlaten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed.
Over de rechtmatigheid van de sluiting
6. Aan de hand van de gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de sluiting.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
Toetsingskader
7. De voorzieningenrechter houdt bij zijn beoordeling rekening met het toetsingskader voor woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet, dat is weergegeven in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 augustus 2019 (de zogenoemde overzichtsuitspraak), 2 februari 2022, 6 juli 2022 en 16 juli 2025.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten niet in geschil is. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs en de aard daarvan is sluiting voor de duur van drie maanden niet in strijd met het beleid van de burgemeester, dat is opgenomen in de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet Land van Cuijk
Is sluiting van de woning evenredig?
9. Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de Afdeling in de overzichtsuitspraken dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Verzoekers betwisten de evenredigheid van de woningsluiting wat betreft de aspecten noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
Is sluiting van de woning noodzakelijk?
10. Als de burgemeester bevoegd is om een woning te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om de woning te sluiten. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Hierbij is ten eerste van belang de hoeveelheid en de soort aangetroffen drugs. Verder is voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van de woning als drugspand weggenomen en wordt de "loop" naar de woning eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om de woning aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal en een grote hoeveelheid contant geld. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit de woning drugs werden verhandeld, dan zal de burgemeester – als zij zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was – nader moeten onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan zal er doorgaans een mindere mate van of geen overlast zijn in de omgeving van de woning en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit de woning werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, zoals de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit ertoe leiden dat er geen noodzaak bestaat om de woning te sluiten.
Verzoekers stellen dat geen noodzaak bestaat om de woning te sluiten, omdat niet vanuit de woning is gedeald. De woning vervult volgens verzoekers geen rol binnen de keten van drugshandel en van enige bekendheid als ‘drugspand’ is dan ook geen sprake. Die bekendheid hoeft dus ook niet te worden weggenomen. De burgemeester baseert de stelling dat overlast wordt ervaren in de buurt volgens verzoekers op slechts één melding. Dat er meerdere meldingen zijn over dealen in de buurt van de woning, wil nog niet zeggen dat gedeald wordt vanuit de woning van verzoekers. Daarbij wijzen verzoekers op de door hen overgelegde verklaringen van buren dat zij nooit overlast hebben ervaren vanuit de woning en dat de moeder en de zus van verzoekster, die vaak in de woning zijn, hebben verklaard dat zij nooit drugs hebben aangetroffen. Volgens verzoekers is niet onaannemelijk dat verzoeker de drugs pas op 3 juli 2026 in de woning heeft gebracht, nadat verzoekster en de kinderen de woning ’s ochtends hadden verlaten.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen vinden en overweegt daarbij als volgt.
In de woning is een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen, zodat sprake is van een ernstige overtreding. Naast de hard- en softdrugs in de woning, zijn ook attributen aangetroffen die duiden op handel in of vanuit de woning, zoals grammenweegschalen, ponypacks, gripzakjes en pepperspray. Ook is een behoorlijke som aan contant geld aangetroffen. Dit zijn aanwijzingen voor handel in of vanuit de woning en daaruit heeft de burgemeester op mogen maken dat de drugs in de woning bestemd waren voor de handel en dat de woning dus een rol heeft binnen de drugsketen. Daarom slaagt het betoog van verzoekers dat geen sprake is van handel in of vanuit de woning omdat geen ‘loop’ naar de woning is vastgesteld niet.
De stelling dat verzoeker de drugs pas op de dag van de doorzoeking in de woning heeft geplaatst vindt de voorzieningenrechter volstrekt niet aannemelijk, reeds omdat de drugs en drugsgerelateerde attributen verspreid door de gehele woning (op de koelkast in de keuken, op de vensterbank in de slaapkamer, op de zolder en in de schuur) zijn aangetroffen. Aan de verklaringen die verzoeker en de moeder en zus van verzoekster hebben afgelegd kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de waarde worden toegekend die verzoekers eraan toegekend willen zien, omdat geen sprake is van objectieve verklaringen.
Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid heeft de burgemeester ook mogen betrekken dat in de bestuurlijke rapportage is vermeld dat verzoeker al eerder bij de politie in beeld is geweest vanwege drugshandel en dat dit ook blijkt uit verklaringen van twee personen en dat verzoeker nog woont in de woning.
Is sluiting van de woning voor de duur van drie maanden evenwichtig?
11. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat sluiting van de woning noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de mogelijkheid om weer in de woning terug te keren, of de overtreder door sluiting van de woning op een zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij of zij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
Verzoekers betogen dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen heeft voor verzoekster en haar kinderen. Daarbij is gesteld dat verzoekster geen weet heeft gehad van de aanwezigheid van de drugs in de woning, dat zij altijd toezicht heeft gehouden in de woning en nooit drugs heeft aangetroffen. Verzoekers voeren aan dat bij sluiting van de woning de huurovereenkomst door de verhuurder [naam] buitengerechtelijk zal worden ontbonden en dat zij op een zwarte lijst worden geplaatst, waardoor ze niet meer snel in aanmerking komen voor andere woonruimte in hun vertrouwde regio. Dat heeft tot gevolg dat verzoekers, maar vooral hun twee minderjarige kinderen uit hun veilige stabiele leefomgeving zullen worden gehaald. Verzoekers hebben een verklaring overgelegd van de schooldirecteur van de school van hun zoontje, waarin is benadrukt dat een stabiele woonomgeving belangrijk voor hem is. Verzoekers wijzen op de kwetsbaarheid van hun dochter, die gebaat is bij structuur, rust en regelmaat. Verzoekster voert aan dat zij medicatie gebruikt in verband met de paniekaanvallen als gevolg van het bestreden besluit. die zij ervaart.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak is de aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien. Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo is het in het licht van artikel 8 van het EVRM en het IVRK wel van belang dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. In beginsel zijn de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Maar ook hier geldt dat de burgemeester zich dient te informeren over geschikte opvang, waarbij gekeken moet worden in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester verzoekers er tijdig op heeft gewezen dat het aan hen is om vervangende woonruimte te zoeken en dat de burgemeester daarbij gewezen heeft op de mogelijkheid van familie of vrienden, vakantiewoningen of een opvanghuis. De burgemeester heeft op de zitting toegezegd dat voor opvang voor de kinderen wordt gezorgd, indien verzoekers niet zelf vervangende woonruimte kunnen vinden. Tijdens de zitting hebben verzoekers gezegd dat de kinderen eventueel bij familie terecht kunnen, maar dat daar geen plaats is voor hen alle vier. Niet kenbaar is gebleken dat verzoekers concrete pogingen hebben gedaan om elders vervangende woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester voldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van de minderjarige kinderen in de woning.
Uit de door verzoekster aangegeven klachten en medicijngebruik kan niet worden afgeleid dat zij om medische redenen gebonden is aan de woning, omdat er bijvoorbeeld aanpassingen aan zijn gedaan. Verzoekster heeft aangevoerd dat ook haar jonge dochtertje gebaat is bij een rustige stabiele omgeving, maar aannemelijk is dat een tijdelijke, andere woonomgeving hier ook in kan voorzien.
Verhuurder [naam] heeft verzoekster in een brief bericht dat een civielrechtelijke procedure word gestart om de huurovereenkomst te ontbinden. Niet gebleken is echter dat [naam] die ontbinding, waartegen verzoekster een rechtsmiddel kan instellen, afhankelijk heeft gesteld van de vraag of het besluit van de burgemeester om de woning te sluiten in stand blijft.
De voorzieningenrechter oordeelt verder dat niet aannemelijk is dat verzoekster in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt, mede gelet op de omstandigheid dat de drugs en attributen op verschillende locaties verspreid over de woning zijn aangetroffen en omdat verzoeker al eerder in verband is gebracht met handel in drugs. De voorzieningenrechter ziet niet voorbij aan wat verzoekster op zitting over haar ervaringen heeft verteld, maar dit kan niet afdoen aan het oordeel over haar verantwoordelijkheid voor wat in de woning gebeurt.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester bevoegd is de woning van verzoekers voor de duur van drie maanden te sluiten en heeft zij die sluiting ook evenredig mogen vinden. Het bezwaar van verzoekers tegen het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het besluit niet wordt geschorst en de burgemeester de woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. J.A. Habraken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: