RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.363258.24
Datum uitspraak: 07 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 augustus 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
zij op of omstreeks 26 mei 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, rotonde Karel de Grotelaan/Keizer Karel V singel zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, bij het verlaten van die rotonde tegen een voor haar, verdachte, van rechts komende en/of bij groen verkeerslicht die Keizer Karel V singel overstekende fietsster te rijden, waardoor een ander (te weten die fietsster, genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoogenergetisch letsel met meerdere wervelfracturen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair:
zij op of omstreeks 26 mei 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de rotonde Karel de Grotelaan/Keizer Karel V singel, bij het verlaten van die rotonde tegen een voor haar, verdachte, van rechts komende en/of bij groen verkeerslicht die Keizer Karel V singel overstekende fietsster is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van wat haar zowel primair als subsidiair wordt verweten, omdat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Feiten en omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat op 26 mei 2024 in Eindhoven op de rotonde Karel de Grotelaan/Keizer Karvel V singel een ongeval heeft plaatsgevonden. De verdachte reed in haar personenauto op de rotonde en op het moment dat zij de rotonde verliet, is zij met de rechterflank van de personenauto in botsing gekomen met een fietsster, te weten [slachtoffer] . [slachtoffer] is bij dit ongeval gewond geraakt.
Ten aanzien van het primaire feit – artikel 6 WVW1996
Beoordelingskader
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1996 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid van de verdachte. Op grond van vaste rechtspraak gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank dient vast te stellen of verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het komt er daarbij op aan of verdachte tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Niet ieder tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is genoeg voor het aannemen van schuld. Maar van iedere verkeersdeelnemer mag in ieder geval worden verwacht dat hij zijn gedraging afstemt op de concrete verkeerssituatie en op andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers.
Is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW?
De rechter is gebonden aan de tekst van de tenlastelegging. In de tekst van het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt valt op dat er slechts één gedraging is opgenomen waaruit de schuld van verdachte zou bestaan. De kern van de tenlastelegging is dat verdachte (bij het verlaten van de rotonde) tegen (een voor haar verdachte, van rechts komende en bij groen verkeerslicht overstekende) fietsster is gereden.
De verdachte heeft – kort gezegd – over dit ongeval verklaard dat zij bij het verlaten van de rotonde alle voorzichtigheid heeft betracht die van haar mocht worden verwacht als bestuurder. Zij is door groen licht gereden, heeft gecontroleerd of de rijbanen vrij waren en heeft wederom het verkeerslicht gecontroleerd alvorens de rotonde te verlaten. Ook heeft zij verklaard dat zij de fietsers bij het verkeerslicht wel heeft waargenomen, maar dat zij zag dat deze stopten voor het verkeerslicht. Op het moment van de botsing heeft de verdachte de klap achter zich gehoord.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende informatie om de feitelijke toedracht van het ongeval met voldoende mate van zekerheid te reconstrueren. Meer in het bijzonder kan de rechtbank niet vaststellen op welke wijze verdachte met haar auto en het slachtoffer met haar fiets met elkaar in aanraking zijn gekomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is dat wel cruciaal, omdat de kern van het verwijt is dat verdachte tegen de fietsster is gereden.
Het exacte botspunt en de wijze waarop de botsing heeft plaatsgevonden kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen. Hiertoe schiet het politieonderzoek simpelweg te kort.
Op de foto’s van de auto van verdachte, die net na het ongeval zijn gemaakt, lijkt de schade zich aan de rechterflank van de auto te bevinden, onder meer bij de B-stijl. Dat komt overeen met de verklaring van de verdachte ter zitting. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat niet verdachte tegen [slachtoffer] is gereden, maar dat [slachtoffer] tegen de (rechterflank van de) auto is gereden.
Hoewel dit allerlei vragen oproept, betekent dit dat de rechtbank niet zonder gerede twijfel kan vaststellen dat verdachte tegen de fietsster is aangereden. Zoals hiervoor al is overwogen is dat de cruciale ten laste gelegde gedraging van verdachte. Wanneer die uit de tenlastelegging wegvalt, blijft er niets aan gedragingen over op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Overigens merkt de rechtbank nog op dat ook de verkeersgedragingen van verdachte voor de botsing niet zijn vast te stellen. Van de kleur van de verkeerslichten die verdachte trof, haar snelheid of zelfs maar haar rijrichting zijn geen getuigenverklaringen of ander bewijsmateriaal dat volgt uit politieonderzoek voorhanden.
Dit alles maakt dat verdachte van het haar primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiaire feit – artikel 5 WVW1996
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW.
Voor een bewezenverklaring van hetgeen subsidiair ten laste is gelegd, moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt. De enkele omstandigheid dat de botsing heeft plaatsgevonden, is hiervoor onvoldoende.
De rechter is voor een bewezenverklaring gebonden aan de tekst van de tenlastelegging. Aan verdachte wordt daarin verweten dat zij tegen een fietsster is gereden. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan de rechtbank dit niet vaststellen. Dat leidt tot de conclusie dat er geen gedraging van verdachte te bewijzen is.
De rechtbank zal verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder primair en subsidiair ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. Kooijman, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. R. Grimbergen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 07 oktober 2026.