RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.175933.26
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,
thans gedetineerd te [verblijf plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 augustus 2026. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 juni 2026 te Eindhoven
vis (17 verpakkingen), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] (2026142651), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
De rechtbank zal een opgave doen van de wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit.
Opgave bewijsmiddelen.
De bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant met nummer PL2100-2026142651, opgemaakt en gesloten op 21 juni 2026, met 44 doorgenummerde pagina’s (hierna: einddossier).
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van politie is – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
De bewezenverklaring.
Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 20 juni 2026 te Eindhoven,
vis (17 verpakkingen), die aan [bedrijf] ,
toebehoorden heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen voor een periode van 3 maanden en de voorlopige hechtenis van de verdachte eveneens te schorsen, zodat de verdachte kan laten zien welke positieve verandering hij heeft doorgemaakt. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen voorwaarden worden verbonden als stok achter de deur, zoals een meldplicht.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemene overweging.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk en veel voorkomend strafbaar feit dat naast materiële schade ook overlast veroorzaakt voor de gedupeerde winkelier. Daarnaast heeft de verdachte puur uit winstbejag gehandeld en er geen blijk van gegeven waarde te hechten aan het eigendomsrecht van anderen. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 augustus 2026, waaruit onder andere blijkt dat de verdachte zich op 18 november 2021 schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal en dat aan hem een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar is opgelegd. Na deze veroordeling is de verdachte wederom veelvuldig veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor winkeldiefstallen. Deze veroordelingen hebben telkens niet het gewenste effect bereikt. De verdachte blijft immers hardnekkig recidiveren.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van de reclassering van 5 augustus 2026. Hieruit volgt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:
De verdachte heeft een uitgebreid justiteel verleden op het gebied van vermogensdelicten. De reclassering signaleert problemen op de (leef)gebieden: financiën, psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. De verdachte pleegt delicten vanwege het financiële gewin en geeft aan dat hij al langere tijd vastloopt in zijn leven. Het lukt hem niet om zelfstandig zijn zaken op orde te krijgen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert een onvoorwaadelijke ISD-maatregel.
De verdachte heeft – geconfronteerd met het voornemen van het Openbaar Ministerie om een ISD-maatregel te vorderen – ten overstaan van de reclassering verklaard dat hij daar positief tegenover staat. Hij ziet een ISD-maatregel als een kans om zijn leven op de rails te krijgen.
ISD-maatregel.
De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie een ISD-maatregel opleggen als aan de in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde vereisten is voldaan. Dat is het geval en is door de verdediging ook niet betwist.
Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk om het recidiverisico terug te dringen, mede gelet op de problematiek van de verdachte. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen voor een periode van 3 maanden en de voorlopige hechtenis van de verdachte eveneens te schorsen, zoals door de verdediging is verzocht. De rechtbank acht het risico dat de verdachte opnieuw strafbare feiten gaat plegen zodra hij uit detentie komt groot. De rechtbank zal de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren. Deze termijn is nodig om de negatieve spiraal van criminaliteit en aanhoudende overlast te doorbreken. Ook dient de maatschappij te worden beschermd tegen het voortdurend crimineel gedrag van de verdachte. De rechtbank ziet – gelet op het voorgaande – geen aanleiding om te bepalen dat de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten af te trekken van de duur van de op te leggen maatregel.
De rechtbank hoopt dat verdachte de door hem eerder uitgesproken bereidheid tot medewerking aan de ISD-maatregel weet vast te houden. Deze maatregel biedt naast bescherming van de maatschappij ook een kans aan verdachte
om met de nodige ondersteuning en hulp serieus aan zijn problemen te werken.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
38m, 38n, 310 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
Diefstal.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging van maatregel:
legt op een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.T.T. Slenter, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 8 oktober 2026.