RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.103693.26Parketnummer vordering: 01.021841.24
Datum uitspraak: 9 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [verblijf plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 juli 2026 en 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juni 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 25 september 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1.
hij, in of omstreeks de periode van 1 december 2025 tot en met 25 augustus 2026 te Eindhoven,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door:
- veelvuldig mails/(whatsapp) berichten te versturen,
- pakketten af te geven/te laten bezorgen bij [slachtoffer 1] ,
- veelvuldig langs te gaan bij de woning van [slachtoffer 1]
- veelvuldig spraakberichten te sturen aan [slachtoffer 1] ,
- veelvuldig te bellen naar [slachtoffer 1] ,
2.
hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 tot en met 26 maart 2026 te Tilburg,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] ,
door voornoemde [slachtoffer 2] veelvuldig berichten te sturen
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De zaak met parketnummer 01.021841.24 is aangebracht bij vordering van 21 september 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 maart 2025.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Inleiding
Verdachte wordt ervan verdacht dat hij twee vrouwen, waarmee hij een relatie heeft gehad, heeft gestalkt. Verdachte heeft ontkend dat hij zich hieraan schuldig heeft gemaakt.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte beide strafbare feiten gedurende de gehele in de tenlastelegging genoemde tijdsperiode heeft gepleegd.
Het standpunt van de verdediging.
Feit 1
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op de ingewikkelde relatie die verdachte en aangeefster hadden - waarbij sprake was van over en weer contact -, pas sinds maart 2026 voor verdachte duidelijk kon zijn dat aangeefster definitief geen contact meer wenste. De contacten na dat moment, voor zover die al aan verdachte zijn toe te rekenen, zijn onvoldoende om te kunnen spreken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 1.
Feit 2
De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit voor feit 2. Verdachte heeft ontkend dat hij na maart 2025 contact met aangeefster heeft gezocht. Er is onvoldoende bewijs dat het verdachte is geweest die de anonieme berichten naar aangeefster heeft gestuurd. Dat wat aan contacten resteert, is onvoldoende om van de vereiste mate van stelselmatigheid te kunnen spreken.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De bewijsoverwegingen.
De rechtbank is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de in de bewijsbijlage gebruikte bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het vrijspraakverweer van de raadsman overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.
1. Ten aanzien van feit 1
De periode
Verdachte is op 5 maart 2025 onherroepelijk veroordeeld door deze rechtbank voor het stalken van onder meer aangeefster [slachtoffer 1] . Uit het dossier volgt dat aangeefster gedurende de detentie van verdachte contact met hem onderhield en zijn financiële zaken voor hem regelde. Na de vrijlating van verdachte in januari 2025 wilde aangeefster verdachte en hun relatie nog een kans geven. Zij verkeerde in de veronderstelling dat verdachte ten goede was veranderd, hetgeen volgens haar - naar later bleek - een verkeerde inschatting was.
Aangeefster heeft in de periode december 2025 tot en met 25 augustus 2026 meermaals aan verdachte te kennen gegeven dat de relatie over was en dat zij geen contact meer wenste. Uit het dossier volgt echter ook dat aangeefster contact met verdachte zocht en meermaals zijn nummer, nadat zij dat aanvankelijk had geblokkeerd, weer deblokkeerde. In haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat zij wispelturig was in het contact en dat het voor verdachte in de periode voor de ruzie met haar zoon begin maart 2026 niet altijd duidelijk geweest moet zijn dat zij geen contact meer wilde.
Aangeefster heeft verklaard dat het na de ruzie wel duidelijk voor verdachte moet zijn geweest dat contact op geen enkele manier meer gewenst was. Zij heeft verdachte toen duidelijk gemaakt naar de politie te zullen gaan bij nieuw contact. Uit de whatsappberichten tussen verdachte en aangeefster, blijkt dat er op 9 maart 2026, 08:56, een bericht met die strekking door aangeefster aan verdachte is gestuurd. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat het contact sinds de ruzie met de zoon veranderde.
Hoewel de rechtbank wil aannemen dat de contacten voor 9 maart 2026 ook zeer bezwarend voor aangeefster zijn geweest - temeer vanwege de eerdere stalking van aangeefster door verdachte - is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte voor 9 maart 2026 moest begrijpen dat aangeefster op geen enkele wijze contact met hem wenste. Er was, hoe moeizaam ook, sprake van een zekere mate van wederkerigheid in het contact. Om die reden acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich in de periode voor 9 maart 2026 schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, omdat voor die periode het bewijs voor opzet ontbreekt. In zoverre zal de verdachte dan ook (partieel) worden vrijgesproken. De rechtbank zal als startpunt van de belaging uitgaan van 9 maart 2026.
De contacten via verschillende telefoonnummers
Verdachte heeft uitdrukkelijk weersproken dat hij degene is geweest die aangeefster met andere nummers dan zijn eigen nummer heeft gebeld en daarmee (spraak)berichten heeft gestuurd. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Ten eerste stelt de rechtbank vast dat uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat er in de inbeslaggenomen telefoons van verdachte meerdere simkaarten hebben gezeten. Daarvoor heeft verdachte geen plausibele verklaring gegeven. Ten tweede zijn gedurende de doorzoeking van de auto van verdachte zowel ongeopende als geopende verpakkingen met simkaarten aangetroffen. In de geopende verpakkingen zaten drie simkaarten en in de ongeopende verpakkingen zaten 13 simkaarten. Voor deze hoogst opmerkelijke omstandigheid heeft verdachte ter terechtzitting ook geen bevredigende uitleg gegeven. Dit, terwijl voornoemde onderzoeksbevindingen passen bij de hypothese en het overige bewijsmateriaal dat verdachte de simkaarten in zijn telefoon met enige regelmaat wisselende om vervolgens met deze verschillende telefoonnummers contact te zoeken met beide aangeefsters. Daar komt vervolgens bij dat met een groot aantal telefoonnummers waarmee contact is opgenomen met aangeefster [slachtoffer 1] (feit 1) ook contact is gezocht met aangeefster [slachtoffer 2] (feit 2). Verdachte is, blijkens het dossier, de enige link tussen deze twee vrouwen en is bovendien eerder voor de stalking van beide vrouwen onherroepelijk veroordeeld. De met verschillende nummers aan aangeefster [slachtoffer 1] verstuurde berichten vertonen bovendien opvallende overeenkomsten met de berichten die aan [slachtoffer 2] zijn gestuurd, te weten eenzelfde tekstopbouw, afwisselende boze en lievere berichten, berichten over de plek waar zij op dat moment zijn en de kleding die zij dragen. Ook vertonen die berichten qua tekstopbouw en inhoud overeenkomsten met de berichten waarvan verdachte wel heeft toegegeven (voor de periode na 9 maart 2026 als [alias verdachte]) deze aan aangeefster te hebben gestuurd. Tot slot kan ook uit de inhoud van die berichten zelf worden afgeleid dat deze door verdachte zijn verzonden. Daarbij wijst de rechtbank op de inhoud van die berichten waarin wordt gesproken over zaken waarvan verdachte kennis droeg, zoals bijvoorbeeld de sociale kring van aangeefster.
Wat betreft de spraakberichten die zijn verstuurd met het nummer [telefoonnummer 1] wordt nog opgemerkt dat de stem van verdachte niet alleen door aangeefster is herkend, maar ook door een verbalisant.
De rechtbank ziet ook voldoende bewijs voor de gevolgtrekking dat het verdachte is geweest die vanuit de [verblijf plaats] keer naar aangeefster heeft gebeld. Uit informatie van de PI blijkt dat met het aan verdachte toebehorend DJI nummer, welk nummer is gekoppeld aan de belkaart van de gedetineerde, 35 keer naar het telefoonnummer van aangeefster is gebeld. Uit die informatie blijkt weliswaar dat ook 14 keer met een ander DJI nummer naar aangeefster is gebeld. Echter ook die telefoontjes kunnen aan verdachte worden toegeschreven. Uit navraag bij de PI is gebleken dat het weliswaar niet is toegestaan dat gedetineerden elkaars belkaart gebruiken, maar dat dit in de praktijk wel gebeurd. Daar komt bij dat aangeefster geen andere gedetineerde in de [verblijf plaats] kent. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat het verdachte is geweest die aangeefster heeft gebeld vanuit de PI met een belkaart van een andere gedetineerde.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, in onderling en samenhang beschouwd met het overige bewijsmateriaal, tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die contact heeft gezocht met aangeefster via de in de bewijsmiddelen genoemde telefoonnummers.
2. Ten aanzien van feit 2
Verdachte heeft ontkend dat hij, nadat [slachtoffer 2] hem had geblokkeerd op Whatsapp in maart 2025, nog (anoniem) contact met haar heeft gezocht. De rechtbank gaat ook aan die ontkenning voorbij en overweegt daarover het volgende.
Hetgeen hiervoor onder 1 ‘de contacten via de verschillende telefoonnummers’ is overwogen ter zake van aangeefster [slachtoffer 1] geldt, voor zover van toepassing, ook voor aangeefster [slachtoffer 2] .
Daar komt bij dat van de drie geopende verpakkingen die in het voertuig van verdachte zijn aangetroffen, per simkaart het betreffende 06-nummer is vastgesteld. Het gaat onder meer om het nummer [telefoonnummer 2] en het nummer [telefoonnummer 3] . Met deze beide nummers is aangeefster [slachtoffer 2] gesmst (pv bevindingen d.d. 18 september 2026).
Voorts is contact gezocht met [slachtoffer 2] via het nummer [telefoonnummer 4] waarvan verdachte tijdens zijn verhoor bij de politie op 6 april 2026 heeft verklaard dat het zijn nummer was.
In het licht van het voorgaande en bezien in samenhang met het overige bewijs is de rechtbank dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de anonieme sms-berichten aan aangeefster heeft verstuurd. Daarbij komt betekenis toe aan het gegeven dat op één van de in beslag genomen telefoons van verdachte in de periode van 5 januari 2026 tot 5 april 2026 64 keer een website is bezocht via welke site anonieme smsjes verstuurd konden worden.
Tot slot is er in de auto van verdachte een tracker (2 Air tags) gevonden, is op de telefoon van verdachte op een website gezocht naar een tracker en bleek één van de apparaten die via die telefoon geregistreerd was een locatietracker te zijn. Uit het dossier (inhoud anonieme smsjes) volgt dat verdachte op sommige momenten precies leek te weten waar aangeefster zich bevond. Naar aanleiding van één van deze momenten is aangeefster naar familie gereden waar, eenmaal aangekomen, een tracker onder haar auto werd aangetroffen. Enige tijd later kwam ook verdachte ter plaatse. Hieruit leidt de rechtbank af dat het verdachte is geweest die de tracker onder de auto van aangeefster heeft geplaatst en haar heeft gevolgd. Aan dit gegeven komt naar het oordeel van de rechtbank extra gewicht toe bij de beoordeling van de vraag of het verdachte is geweest die aangeefster in de tenlastegelegde periode anoniem heeft gecontacteerd.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank, in onderling en samenhang beschouwd met het overige bewijsmateriaal, tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die anonieme smsjes heeft verstuurd naar aangeefster en haar heeft benaderd met de in de bewijsmiddelen genoemde telefoonnummers.
3. Stelselmatigheid (feit 1 en 2)
Bij de beoordeling van de vraag of van stelselmatigheid sprake is, zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Geen van deze beoordelingsfactoren is als zodanig doorslaggevend. Het gaat om het totaalbeeld dat uit de gedragingen van de verdachte naar voren komt. Als vuistregel kan gelden dat naarmate het gedrag vaker voorkomt er eerder van stelselmatigheid kan worden gesproken, terwijl een relatief korte duur van de gedragingen het bestaan van ‘stelselmatigheid’ niet uitsluit. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte beide aangeefsters veelvuldig en gedurende langere periode op indringende wijze op verschillende manieren heeft benaderd. Daarbij komt bij de beoordeling van de stelselmatigheid in dit geval ook gewicht toe aan de eerdere veroordeling van verdachte ter zake stalking van beide aangeefsters in 2025. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van het stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van zowel aangeefster [slachtoffer 1] als aangeefster [slachtoffer 2] .
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
1.
in of omstreeks de periode van 9 maart 2026 tot en met 6 april 2026 te Eindhoven,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door:
- veelvuldig mails/(whatsapp) berichten te versturen,
- pakketten af te geven/te laten bezorgen bij [slachtoffer 1] ,
- veelvuldig langs te gaan bij de woning van [slachtoffer 1]
- veelvuldig spraakberichten te sturen aan [slachtoffer 1] ,
- veelvuldig te bellen naar [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen , niet te doen , en te dulden en/of vrees aan te jagen .
2.
in of omstreeks de periode van 1 maart 2025 tot en met 26 maart 2026 te Tilburg,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] ,
door voornoemde [slachtoffer 2] veelvuldig berichten te sturen
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen , niet te doen , te dulden en /of vrees aan te jagen.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast is een 38v-maatregel geëist met betrekking tot de beide slachtoffers en de moeder van [slachtoffer 1] voor de duur van vijf jaren, namelijk een contact- en locatieverbod. Verdachte heeft namelijk ook de moeder van [slachtoffer 1] lastiggevallen. Bij overtreding van de maatregel dient hechtenis te volgen conform de volgende staffel: bij de eerste overtreding hechtenis voor de duur van een week; bij de tweede overtreding hechtenis voor de duur van twee weken; enzovoorts.
Daarnaast vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de in het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 5 maart 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft - onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn medische situatie - bepleit verdachte een gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, op te leggen. Indien de rechtbank een hogere straf passender acht, is verzocht het meerdere zoveel mogelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen. Voor zover dat nodig wordt geacht, kan de rechtbank bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf verbinden.
Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging verzoekt de verdediging die vordering af te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft de slachtoffers waarmee hij enige tijd een relatie heeft gehad gedurende langere tijd gestalkt. Hij heeft veelvuldig en op indringende wijze contact met hen gezocht op de in de bewezenverklaring vermelde wijze. Verdachte heeft niet geschuwd om zich ook bij de woning van [slachtoffer 1] te bevinden, door het raam te kijken, met de brievenbus te klapperen en aan te bellen en boodschappen voor haar deur te zetten. De rechtbank stelt vast dat verdachte zelfs zo ver ging dat hij een tracker onder de auto van [slachtoffer 2] plaatste en haar heeft gevolgd. Ook deed hij zich soms voor als iemand anders (zoals [naam] , aangeefster [slachtoffer 2] ) of als iemand van slachtofferhulp ( [slachtoffer 1] ). De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dit heeft grote impact op hen gehad. Verdachte was eerder veroordeeld voor stalking van beide slachtoffers en is daarmee doorgegaan nadat hij vrij kwam. Beide slachtoffers hebben hun leven aan moeten passen. Zij durven niet naar buiten, zijn alert, en zijn angstig en verdrietig. [slachtoffer 1] is zelfs bang dat het gedrag van verdachte ooit verder zal escaleren.
Bij de eerdere veroordeling voor stalking van beide aangeefsters is verdachte onherroepelijk veroordeeld op 5 maart 2025 (parketnummer 01.021841.24) tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij zijn bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder het volgen van een verplichte ambulante behandeling.
Uit het pro justitia rapport van 16 december 2024, dat in verband met de vorige stalkingszaak van verdachte was uitgebracht, volgt dat bij verdachte sprake is van een (hypervigilant) narcistische persoonlijkheidsstoornis. Volgens de rapporteur was de stoornis toen echter niet van inperkende invloed op verdachtes wilsvrijheid om zijn eigen keuzes te kunnen maken en zijn gedrag in een niet-delictgerelateerde richting te kunnen sturen. Wel heeft de rapporteur destijds onder meer een ambulante forensische behandeling geadviseerd.
Verdachte heeft in de onderhavige zaak niet mee willen werken aan een actualisatie van dit NIFP-onderzoek. Aldus is ook geen oordeel van het NIFP verkregen over actuele behandelmogelijkheden.
Uit het reclasseringsadvies van 14 september 2026 volgt dat getwijfeld wordt of een ambulante behandeling, zoals destijds is geadviseerd en opgelegd - maar vanwege de aanhouding van verdachte in onderhavige zaak nooit is opgestart - nog wel passend is. Gegeven de recidive(kans) kan ook worden gedacht aan een klinische behandeling. Het NIFP heeft echter geen inschatting kunnen maken en zonder een dergelijke inschatting kan er geen indicatie worden aangevraagd. Ook de reclassering onthoudt zich daarom op dat vlak van een actueel advies. Het recidivegevaar wordt door de reclassering onverminderd hoog inschat, gezien de niet behandelde en de nog aanwezige problematiek van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een forse gevangenisstraf. Daarbij weegt zwaar mee dat de eerdere veroordeling van verdachte voor stalking van dezelfde slachtoffers hem er niet van weerhouden heeft opnieuw tot stalking over te gaan.
De rechtbank acht daarom - hoewel de rechtbank ten aanzien van feit 1 komt tot een kortere stalkingsperiode dan de officier van justitie - een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden, zoals ook door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet de rechtbank, gegeven de ernst van de feiten en de hardnekkige recidive, geen reden tot matiging.
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om een deel van die straf voorwaardelijk op te leggen. Gelet op hetgeen daarover door de reclassering en in het eerder uitgebrachte pro justitia rapport is beschreven, acht de rechtbank een behandeling echter wel aangewezen.
De rechtbank zal, nu verdachte binnen de proeftijd weer tot het plegen van (dezelfde) strafbare feiten is overgegaan, in dit vonnis eveneens de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 5 maart 2025, gelasten. Die beslissing, die op 16 april 2026 onherroepelijk is geworden, brengt mee dat er een voorwaardelijk strafdeel van twee maanden overblijft waaraan nog altijd de voorwaarden zijn verbonden die destijds door de rechtbank zijn opgelegd, waaronder de verplichte ambulante behandeling. Verdachte zal zich aan die voorwaarden - gedurende de opgelegde proeftijd van drie jaren, die op 16 april 2026 is gaan lopen - moeten houden.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om de maatschappij te beveiligen en om nieuwe strafbare feiten te voorkomen, zal de rechtbank ook een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen voor de duur van vijf jaren.
Deze maatregel houdt in:
De rechtbank acht oplegging van de maatregel ook aangewezen ten aanzien van de moeder van aangeefster [slachtoffer 1] . Uit het dossier blijkt dat verdachte regelmatig bij de demente moeder van aangeefster over de vloer kwam en op die wijze ook contact met aangeefster zocht.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar. Er is sprake van recidive en verdachte is ondanks het eerdere onherroepelijk geworden contactverbod (mede vanuit detentie) contact blijven zoeken met de slachtoffers. Daarom moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom inbreuk zal plegen op de levenssfeer van de slachtoffers en opnieuw een strafbaar feit zal plegen. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslag.
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn:
Teruggave verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
Vordering tenuitvoerlegging (01.021841.24).
De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van veroordeelde ziet de rechtbank aanleiding te gelasten dat slechts een gedeelte van de straf, te weten 3 maanden, alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging van dat gedeelte in de weg zouden staan zijn niet aanwezig.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 38v, 38w, 57, 285b van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert telkens op het misdrijf: belaging
Strafbaarheid
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Straf
legt op de volgende straf:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Maatregel
legt op de maatregel 38v Sr:
een contactverbod voor de duur van 5 jaren subsidiair 2 weken hechtenis
Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende vijf jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
- [slachtoffer 1] , geboortedatum [1963] ;
- [slachtoffer 2] , geboortedatum [1960] ;
- De moeder van [slachtoffer 1] voornoemd (namen en geboortedatum onbekend, woonachtig op het adres: [adres 2] .
een gebiedsverbod voor de duur van 5 jaren subsidiair 2 weken hechtenis.
Het gebiedsverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende vijf jaren niet bevindt in:
- [plaats 1] te Eindhoven;
- [plaats 2] te Tilburg;
- [plaats 3] te Eindhoven.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Beslag
Gelast de teruggave van inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
o 1 STK GSM, Samsung Galaxy S22 Ultra, (goednummer 2466323);
o 11 STK Simkaart van zaktelefoon (goednummer 2466329);
aan verdachte.
Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen goederen, te weten:
o 3 STK Simkaart (goednummer 2466677),
o 2 STK Datadrager, Airtags (goednummer 2466683);
o 1 STK GSM, Samsung Galaxy S23 Ultra (goednummer 2466328);
o 1 STK GSM, Samsung Galaxy S25 Ultra (goednummer 2466329).
Vordering tenuitvoerlegging
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Oost-Brabant d.d. 5 maart 2025 gewezen onder parketnummer 01-021841-24, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W. Heijninck, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,
en is uitgesproken op 9 oktober 2026.