RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.280493.25
Datum uitspraak: 08 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2006] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 september 2026.
Kern van het vonnis.
De officier van justitie beschuldigt verdachte ervan dat hij – kort samengevat – schuldig is aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval op 15 september 2025 in Geldrop, waardoor [slachtoffer] is gedood.
Die beschuldiging is bewezen. Verdachte heeft in de Volkswagen Tiguan van zijn vader met een veel hogere snelheid dan toegestaan over de Gijzenrooiseweg in Geldrop gereden. Bij de kruising met de weg Schaarland is verdachte door rood licht gereden, terwijl het verkeerslicht toen al 27 seconden rood licht uitstraalde. Verdachte is met 101 km/u tegen het slachtoffer, die al fietsend de Gijzenrooiseweg wilde oversteken, gebotst. Als gevolg van het verkeersongeval is het slachtoffer overleden. De rechtbank kwalificeert het rijgedrag van verdachte als roekeloos; dat is de zwaarst mogelijke vorm van schuld.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf voor de maximale duur van 240 uur. Daarnaast legt de rechtbank de verdachte een ontzegging tot het rijden van motorvoertuigen op voor de duur van vijf jaar.
1. De tenlastelegging.
De volledige beschuldiging (tenlastelegging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, Gijzenrooiseweg, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg (fietspad), Schaarland,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
te rijden met een snelheid van ongeveer 106 kilometer per uur, in elk geval met een aanzienlijk hogere snelheid dan de voor hem, verdachte geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of (daarbij) een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd rood verkeerslicht te negeren en/of tegen een die weg overstekende fietser te botsen
waardoor een ander, te weten [slachtoffer] werd gedood.
2. Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Door de schuld van verdachte is een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor het slachtoffer [slachtoffer] is overleden. Onder verwijzing naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan alsmede de omstandigheden van het geval, heeft de officier van justitie gesteld dat de mate van schuld als roekeloosheid gekwalificeerd kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte erkent dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] is komen te overlijden. Ten aanzien van de schuldgradatie heeft de verdediging bepleit dat de ernst van de afloop en de hoge snelheid niet beslissend hoeven te zijn voor de kwalificatie daarvan. Om te kunnen spreken van roekeloosheid moet het gaan om een opzettelijke ernstige schending van verkeersregels met te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De verdediging heeft bepleit dat daarvoor de overtuiging ontbreekt en verzoekt verdachte partieel vrij te spreken van deze hoogste schuldgradatie.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] is overleden. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen (opgenomen in de bijlage bij dit vonnis) en de onderstaande bewijsmotivering.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van het misdrijf op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood en/of zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Daarnaast dient ten aanzien van het ontstaan van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van (strafrechtelijke) schuld. Het gaat om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel of het rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een gemiddeld persoon, in dezelfde hoedanigheid (bestuurder van een motorvoertuig), onder vergelijkbare omstandigheden, wordt geëist.
Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij deze laatste geldt als de zwaarste vorm van schuld. Of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, en zo ja, in welke gradatie, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Het verkeersongeval
Verdachte reed op 15 september 2025 in Geldrop als bestuurder in een personenauto, te weten een Volkswagen Tiguan met kenteken [kenteken] . Rond 19:30 uur vertrok hij van huis. Samen met een aantal vrienden die bij hem in de auto zaten, reed hij naar zijn voetbalclub om te gaan trainen. Verdachte reed vaker in de auto van zijn vader en kende de auto naar eigen zeggen goed.
Verdachte reed vanaf de Eindhovenseweg in Geldrop de Gijzenrooiseweg op. Verdachte reed hier vaker en kende de verkeerssituatie ter plaatse goed. Hij wist dat de maximumsnelheid daar 50 km/u bedraagt. Ook wist hij dat extra oplettendheid geboden is bij het kruispunt dat hij naderde (Gijzenrooiseweg-Schaarland), omdat daar ’s avonds veel andere verkeersdeelnemers te verwachten zijn vanwege de sportfaciliteiten die daar in de buurt gelegen zijn.
Toen verdachte de Gijzenrooiseweg op draaide, keek hij ver vooruit. Vanuit de bocht zag hij de kruising en verkeerslichten al. Hij zag dat de verkeerslichten voor zijn rijbaan op dat moment rood licht uitstraalden. Ook zag hij toen in de verte al dat aan zijn rechterkant van de kruising een fietser over het fietspad met een “flinke snelheid” reed in de richting van de kruising. Verdachte kon de weg op dat moment goed overzien en er waren geen omstandigheden die zijn zicht belemmerden.
Verdachte vervolgde zijn weg over de Gijzenrooiseweg en naderde de rode verkeerslichten. Hij heeft niet zijn snelheid gecontroleerd door op de snelheidsmeter te kijken.
Hij zag dat de fietser geen vaart minderde. Hij zag dat de fietser in de richting van de kruising reed met de kennelijke bedoeling om de Gijzenrooiseweg over te steken, waardoor de fietser de rijbaan van verdachte zou moeten kruisen. Verdachte heeft niet geanticipeerd op het rijgedrag van de fietser, omdat hij er geen rekening mee hield dat de fietser daadwerkelijk zou oversteken op de kruising. Hij dacht dat de fietser moest stoppen en hoopte dat de fietser niet zou doorrijden. Toen verdachte de kruising had overgestoken, zag hij dat de fietser de Gijzenrooiseweg op reed. Door de snelheid waarmee verdachte reed, was hij niet meer in staat hierop te anticiperen en een verkeersongeval te voorkomen. Als gevolg hiervan botste verdachte met zijn auto tegen de fietser. De fietser, [slachtoffer] , is als gevolg van het verkeersongeval overleden.
Uit de analyse van de Verkeersregelinstallatie (VRI) die zich op het kruispunt Gijzenrooiseweg-Schaarland te Geldrop bevindt, is gebleken dat verdachte het rode verkeerslicht heeft genegeerd. Op het moment dat verdachte met zijn auto de stopstreep passeerde, straalde het verkeerslicht op zijn rijbaan al 27 seconden rood licht uit. Op het moment dat de fietser de stopstreep passeerde, straalde het verkeerslicht voor diens rijbaan al 5,7 seconden groen licht uit.
Door de politie zijn ook de door de Volkswagen Tiguan geregistreerde gegevens ten tijde en kort voorafgaand aan het ongeval (de zogenaamde (pre-)crash data) geanalyseerd. Daaruit volgt dat verdachte veel harder heeft gereden dan de ter plaatse maximaal toegestane snelheid van 50 km/u. Uit deze gegevens blijkt dat de snelheid van het voertuig 5 seconden voor het ongeval 84 km/u bedroeg. Deze snelheid liep tot 1 seconde voor het ongeval op tot 106 km/u. Op het moment van de botsing bedroeg de snelheid 101 km/u. Deze data sluiten aan op de berekende indicatieve snelheid van het voertuig over de detectielussen van de VRI. Vanaf 5 seconden tot een halve seconde voor het ongeval was het gaspedaal 100% ingedrukt.
Tegenover de politie heeft verdachte aanvankelijk verklaard dat hij dacht dat hij met een aanmerkelijk lagere snelheid had gereden, dat hij bij het naderen van de verkeerslichten eerst snelheid verminderde en daarna weer accelereerde omdat hij dacht dat de verkeerslichten op groen sprongen. Tijdens de zitting heeft verdachte aangegeven dat hij is geschrokken van de onderzoeksbevindingen van de politie. Hoewel hij zich het verkeersgedag zoals dat volgt uit de onderzoeksbevindingen niet kan herinneren en daar ook geen verklaring voor heeft, weerspreekt hij die bevindingen niet.
Schuldgradatie: roekeloosheid?
De rechtbank stelt vast dat verdachte door zijn verkeersgedrag een ongeval heeft veroorzaakt en dat door dat ongeval [slachtoffer] is overleden.
De vraag is nu of sprake is van de zwaarste vorm van schuld (roekeloosheid), zoals de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld.
Van roekeloosheid is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In artikel 175, tweede lid, WVW is bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag van verdachte tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt. Daarvan is sprake als verdachte:
( a) de verkeersregels heeft geschonden;
( b) hij dat in ernstige mate heeft gedaan;
( c) hij dat opzettelijk heeft gedaan; en
( d) daardoor gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a) en b) in ernstige mate schenden van de verkeersregels
In artikel 5a WVW staat een aantal (niet-limitatieve) verkeersgedragingen, die kunnen worden aangemerkt als gedragingen waarbij verkeersregels in ernstige mate worden geschonden. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere van die in artikel 5a WVW genoemde gedragingen. Zo heeft verdachte vlak voor het moment van het ongeluk met een snelheid van 106 km/u gereden, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 km/u was toegestaan. Hiermee heeft verdachte de maximumsnelheid fors overschreden (artikel 5a, eerste lid, onder g WVW). Daarnaast heeft verdachte het rode verkeerslicht genegeerd (artikel 5a, eerste lid, onder i WVW). Hoewel niet in de tenlastelegging opgenomen, heeft verdachte ook geen voorrang verleend aan het slachtoffer (artikel 5a, eerste lid, onder f WVW). Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de verkeersregels in zeer ernstige mate heeft geschonden.
c) opzettelijk
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, het niet anders kan dan dat verdachte deze overtredingen van de verkeersregels opzettelijk heeft begaan en dat zijn opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van deze verkeersregels.
Verdachte reed met een snelheid van 106 km/u richting een oversteekplaats, binnen de bebouwde kom. Verdachte reed plankgas. Hij heeft het gaspedaal de laatste 5 seconden (tot een halve seconde) voor het ongeval 100% ingedrukt. Daarmee heeft hij in deze laatste seconden van 84 km/u naar 106 km/u geaccelereerd. Hij heeft zijn snelheid niet verminderd, laat staan het voertuig tot stilstand gebracht bij het naderen van het voor hem rode verkeerslicht. Verdachte had gezien dat het verkeerslicht voor hem rood was toen hij de Gijzenrooiseweg op reed. Dit verkeerslicht stond al 27 seconden op rood op het moment dat verdachte de stopstreep passeerde. Desondanks heeft hij het rode verkeerslicht genegeerd. Daar komt bij dat verdachte wist dat het een kruispunt is waar extra oplettendheid vereist is, omdat daar ’s avonds veel andere verkeersdeelnemers te verwachten zijn vanwege de sportfaciliteiten in de directe omgeving van de kruising. Ondanks dat verdachte het slachtoffer al had opgemerkt toen hij de Gijzenrooiseweg op reed en zag dat het slachtoffer in de richting van de kruising reed en geen vaart minderde, heeft verdachte daar niet op geanticipeerd.
Gelet op het voorgaande is ook het opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels gegeven.
d) gevaar te duchten
In zijn algemeenheid acht de rechtbank het voorzienbaar dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het veel te hard en door rood te rijden en geen voorrang te verlenen, zoals de verdachte heeft gedaan. Dat die situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt wel uit het feit dat de verdachte een ongeluk heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer] is overleden.
Tussenconclusie
Het voorgaande maakt dat het rijgedrag van verdachte roekeloos is.
Conclusie
Bewezen is dat verdachte door zijn roekeloze rijgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] is gedood.
3. De bewezenverklaring.
Bewezen is dat verdachte:
op 15 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, Gijzenrooiseweg, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg (fietspad), Schaarland, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden met een snelheid van ongeveer 106 kilometer per uur en daarbij een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd rood verkeerslicht te negeren en tegen een die weg overstekende fietser te botsen,
waardoor een ander, te weten [slachtoffer] werd gedood.
4. Kwalificatie en strafbaarheid.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Het feit en verdachte zijn strafbaar.
5. Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen toepassing gegeven moet worden aan het adolescentenstrafrecht, maar aan het volwassenenstrafrecht. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en de gevolgen van dit feit voor verdachte, heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft, onder verwijzing naar de leeftijd, concrete ontwikkeling en afhankelijkheid van verdachte en onder verwijzing naar de aanknopingspunten zoals vermeld in het reclasseringsadvies van 10 september 2026, bepleit toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. Door de verdediging is verder verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is 19 jaar oud, gaat naar de middelbare school en woont nog thuis bij zijn ouders. Verdachte is zelf ook getroffen door de gevolgen van zijn gedragingen. Het heeft hem mentaal zwaar getekend. Hij heeft psychische hulp gezocht en wordt nog steeds dagelijks geconfronteerd met verdriet en gevoelens van schuld. Tevens verwijst de verdediging naar voornoemd reclasseringsadvies, waarin de gevolgen voor verdachte uitgebreid uiteengezet zijn. Nu de reclassering oplegging van een gevangenisstraf schadelijk acht voor de ontwikkeling van verdachte, heeft de verdediging verzocht hiervan af te zien. Bij toepassing van het adolescentenstrafrecht geeft de verdediging in overweging aan verdachte op te leggen een flinke werkstraf en, indien een bijkomende vrijheidsstraf nodig wordt geacht, twee maanden geheel voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar. Conform het reclasseringsadvies is verzocht geen bijzondere voorwaarden of verplicht toezicht op te leggen. Er wordt verzocht om een voelbare straf die hem aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid en ruimte laat voor onderwijs en verdere hulp. Ten aanzien van een ontzegging van de rijbevoegdheid heeft verdachte opgemerkt dat hij niet afhankelijk is van zijn rijbewijs.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum, en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voor roekeloosheid bestaat geen afzonderlijk oriëntatiepunt (oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf). Verder houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en ernst van het strafbare feit
De destijds 18-jarige verdachte heeft zich op 15 september 2025 schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag als gevolg waarvan een verkeersongeval is ontstaan en een 32-jarige man, [slachtoffer] , om het leven is gekomen. Het gaat om een zeer ernstig feit met ultieme en onomkeerbare gevolgen. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat door zijn gevaarlijke verkeersgedrag een persoon is overleden en dat hij daarmee aan de nabestaanden zoveel pijn, verdriet, boosheid en gemis heeft toegebracht. Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht waarin verdachte ernstig tekort is geschoten. Verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers – en ook van zijn medepassagiers – onvoldoende in acht genomen. Het rijgedrag van verdachte was volstrekt onverantwoord. Voor verdachte, andere verkeersdeelnemers en de samenleving als geheel moet duidelijk zijn dat dergelijk risicovol gedrag in het verkeer onaanvaardbaar is.
Nabestaanden
Verdachte heeft diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het overleden slachtoffer. De impact van het fatale ongeval is zeer groot. [slachtoffer] is door het gedrag van verdachte plotseling uit het leven weggerukt. Hij wordt als echtgenoot, als zoon, als broer, als zwager, als familie, als vriend, als collega, maar zeker ook als kersverse vader enorm gemist. Tijdens de zitting hebben de echtgenote en zussen van [slachtoffer] verteld wie hij was. Zij hebben op invoelbare wijze verwoord wat het onverwachte verlies van [slachtoffer] voor hen en anderen betekent en uiting gegeven aan hun intense verdriet. Met zijn rijgedrag heeft de verdachte het leven van de nabestaanden ontwricht en onomkeerbaar veranderd.
De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van het slachtoffer en zijn nabestaanden ongedaan kan maken. Uit een oogpunt van vergelding kan iedere straf te licht lijken. Maar vergelding kent in een rechtsstaat haar grenzen. Die grenzen worden mede bepaald door andere omstandigheden waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de bepaling van de hoogte van de straf. Zo spelen de persoonlijke omstandigheden van verdachte een rol. Daarnaast dient niet uit het oog te worden verloren dat ook verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag voor anderen niet heeft gewild, hij deze gevolgen ten zeerste betreurt en hier nog iedere dag mee worstelt.
Persoon van de verdachte
Verdachte was ten tijde van het ongeval 18 jaar oud en was ruim een jaar in het bezit van een rijbewijs. Verdachte is niet eerder in aanraking geweest met politie of justitie. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Daarnaast heeft de rechtbank in het advies van de reclassering van 10 september 2026 gelezen dat het verkeersongeval een grote impact heeft gehad op verdachte en zijn directe familie. Tegelijkertijd blijft verdachte daarbij herhalen dat de impact voor hem in het niet valt in vergelijking met de nabestaanden van het slachtoffer. Verdachte kampt sinds het ongeval met psychische en maatschappelijke gevolgen van het ongeval, waaronder concentratieproblemen, slaapproblemen, herbelevingen, verlies van plezier in activiteiten en studievertraging. Het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan soortgelijke feiten, schat de reclassering in als laag. Er zijn veel stabiele en beschermende factoren in het leven van verdachte, terwijl geen sprake is van structureel antisociaal gedrag, agressieproblematiek, middelenproblematiek of een patroon van normoverschrijdend gedrag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij schat in dat een gevangenisstraf schadelijk zal zijn voor de ontwikkeling van betrokkene. Verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren.
Tijdens de zitting kwam verdachte wat gesloten over, waren zijn emoties aanvankelijk niet duidelijk zichtbaar en was zijn woordkeuze soms ongelukkig. Naarmate de zitting vorderde, kwam duidelijker naar voren dat emoties en gevoelens wel degelijk aanwezig zijn, maar dat hij moeite heeft deze te uiten en goed onder woorden brengen. De rechtbank zag dat verdachte zeer gespannen was. Hij had het zichtbaar moeilijk met de inhoudelijke behandeling van de zaak, vooral toen hij werd geconfronteerd met het spreekrecht van de echtgenote en twee zussen van [slachtoffer] . De rechtbank heeft gezien dat verdachte oprecht veel spijt heeft van het door zijn handelwijze ontstane ongeval en dat hij gebukt gaat onder de onomkeerbare gevolgen daarvan, waar hij in gedachten dagelijks mee geconfronteerd wordt en de rest van zijn leven mee zal moeten leren leven.
Tijdens de zitting is ook gebleken dat verdachte (en zijn familie) al kort na het ongeval heeft aangegeven in contact te willen komen met de nabestaanden om zijn spijt en medeleven te betuigen. Ook nadien zijn hiertoe meerdere verzoeken gedaan. Dit werd afgeraden en afgehouden door de politie, terwijl de frustratie en boosheid bij de nabestaanden opliep omdat zij niet begrepen waarom verdachte niets van zich liet horen. Het is te betreuren dat hierover misverstanden zijn ontstaan.
Toepassing van het adolescentenstrafrecht
Het verzoek van de verdediging om het adolescentenstrafrecht toe te passen, wijst de rechtbank af. Verdachte was 18 jaar oud toen hij het strafbare feit pleegde. In dat geval is het uitgangspunt dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank hiervan afwijken en toepassing geven aan het jeugdsanctierecht als daarvoor gronden bestaan in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank ziet in deze zaak geen gronden om van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken. Verdachte nam als meerderjarige deel aan het verkeer. Zijn houding en vaardigheden, en met name de aard en de ernst van het delict en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, geven geen reden af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte niet in staat was adequate beslissingen te nemen in het verkeer en daarbij de consequenties van zijn handelingen te overzien. Het feit dat hij nog ontvankelijk is voor sociale, emotionele en praktische ondersteuning door volwassenen en dat daarnaast nog sprake is er sprake van een lopend schooltraject, waarbij verdere onderwijsdeelname van meerwaarde wordt geacht, maakt dit niet anders. Bovendien heeft de reclassering in het rapport van 10 september 2026 opgemerkt dat zij geen noodzaak ziet voor de inzet van jeugdreclassering. Indien begeleiding aan de orde is, adviseert de reclassering dit binnen het volwassenstrafrecht vorm te geven. De rechtbank overweegt dat hiermee nu juist een concreet aanknopingspunt ontbreekt voor de pedagogische en/of systeemgerichte meerwaarde die toepassing van het adolescentenstrafrecht zou kunnen rechtvaardigen.
De rechtbank zal verdachte daarom berechten volgens het volwassenenstrafrecht. Dit laat echter onverlet dat verdachte nog zeer jong is en dat aan de jonge leeftijd enig gewicht zal worden toegekend bij de bepaling van de straf.
De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit
Hoewel de rechtbank in ziet dat een gevangenisstraf voor verdachte zwaar zal zijn en mogelijk van negatieve invloed kan zijn op zijn ontwikkeling, is in deze zaak vanwege de ernst van het strafbare feit en de gevolgen daarvan een gevangenisstraf toch noodzakelijk. Dat is nodig uit het oogpunt van vergelding en als signaal naar de samenleving dat dit soort misdrijven ernstig worden bestraft (dat wordt ‘generale preventie’ genoemd).
Bij de bepaling van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Dat zou betekenen dat verdachte voor vele maanden naar de gevangenis zou moeten. De rechtbank houdt echter in strafmatigende zin rekening met de zeer jonge leeftijd van verdachte, de gevolgen van het ongeval op zijn leven en het feit dat hij oprecht berouw heeft voor wat hij heeft gedaan.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank ziet in het blanco strafblad van verdachte en het door de reclassering als laag ingeschatte gevaar op herhaling geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Om uitdrukking te geven aan de ernst van het feit en ter compensatie van de relatief beperkte duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen voor de maximale duur van 240 uren. De rechtbank zal hierbij bepalen dat de taakstraf zal worden vervangen door 120 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht.
Verder zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Verdachte moet ervan doordrongen worden dat hij zijn verkeersgedrag moet aanpassen. De rechtbank zal aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van vijf jaar opleggen, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest (te weten: zes maanden).
De rechtbank legt dus een lichtere gevangenisstraf op dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de straffen die de rechtbank zal opleggen passend en geboden zijn, de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengen en daarnaast voldoende rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
6. Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht,
6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Kwalificatie en strafbaarheid
- stelt vast dat het bewezen verklaarde feit strafbaar is gesteld als het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
Straf
- veroordeelt verdachte tot de volgende straffen:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden;
een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,
mr. M.E. Bartels en mr. A.J. den Besten, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,
en is uitgesproken op 08 oktober 2026.