ECLI:NL:RBOBR:2026:7197

ECLI:NL:RBOBR:2026:7197

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 09-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 01-223715-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Op 5 augustus 2025 vond op de A2 een aanrijding plaats tussen een motor en een personenauto. Door de aanrijding is de bestuurder van de motor ten val gekomen en heeft daardoor ernstig letsel opgelopen. De bestuurder is na de aanrijding doorgereden en bleek onder invloed van alcohol. Verdachte heeft verklaard dat hij niets van een aanrijding heeft gemerkt. De rechtbank vindt dat ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich zodanig onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden en waardoor het slachtoffer zwaar gewond is geraakt. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte onder invloed van alcohol was en is doorgereden na het ongeval. De rechtbank leg een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden op. Daarnaast mag verdachte 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk niet rijden (ontzegging rijbevoegdheid).

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.223715.25

Datum uitspraak: 9 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2025 en 25 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

3.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 juli 2026.

Aan verdachte is, nadat de tenlastelegging op de terechtzitting 21 juli 2026 is gewijzigd, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Best, althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (merk: Volkswagen, type: Passat, kenteken: [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, de A2,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,

- zijn aandacht niet voortdurend op de weg en/of het verkeer vóór hem te houden en/of

- niet tijdig op te merken dat er een motorrijtuig, te weten een motor, bestuurd door [slachtoffer] , voor hem reed en/of

- onvoldoende afstand te houden tot zijn voorganger en/of

- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- (vervolgens) in botsing of aanrijding te komen met een vóór hem rijdend motorrijtuig, te weten een motor, bestuurd door [slachtoffer] ,

- ten gevolge waarvan die Smits ten val is gekomen,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of een gebroken kuitbeen en/of een gebroken scheenbeen, althans een gebroken onderbeen, werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.

2.

hij op of omstreeks 5 augustus 2025 te Best, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 750 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt,

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Best op/aan de A2, op of omstreeks 6 augustus 2025

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

een ander (te weten [slachtoffer] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht,

in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 5 augustus 2025 vond in Best op de A2 een aanrijding plaats tussen een motor en een personenauto. Door de aanrijding is de bestuurder van de motor ten val gekomen en hij heeft daardoor ernstig letsel opgelopen. De personenauto is na het ongeval doorgereden. Naar aanleiding van een melding heeft de politie het kenteken van de auto die bij de aanrijding betrokken was achterhaald. Het bij de aanrijding betrokken voertuig bleek op naam van verdachte te staan. De politie is naar het woonadres van verdachte gegaan waar de auto vervolgens in zwaar gehavende staat werd aangetroffen. Verdachte verklaarde ten overstaan van de verbalisanten ter plaatse dat hij weliswaar kort daarvoor in de auto had gereden, maar niets van een aanrijding had gemerkt. Na onderzoek bleek verdachte onder invloed van alcohol.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zeer aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden waardoor verdachte schuld heeft aan het door hem veroorzaakte verkeersongeval. Dat brengt mee dat een bewezenverklaring voor het onder 1 tenlastegelegde dient te volgen. Ook het onder 2 en 3 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Volgens de raadsvrouw brengt het geheel van gedragingen mee dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Verzocht is om verdachte van de zwaarste schuldcategorie, de roekeloosheid, vrij te spreken. Daarnaast is partieel vrijspraak bepleit ten aanzien van het eerste, derde en vierde gedachtestreepje van feit 1 op de tenlastelegging. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de feiten 2 en 3 betreft.

Het oordeel van de rechtbank.

Schuld aan verkeersongeval (feit 1)

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘schuld’ aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is/zijn begaan. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994. Al met al moet er worden bekeken of de verdachte de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die een normaal voorzichtige en oplettende bestuurder behoort te betrachten.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte het slachtoffer, die op zijn motor voor de verdachte reed, van achteren heeft aangereden. Hierdoor is het slachtoffer met zijn motor ten val gekomen waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Verdachte heeft meermaals verklaard niets van een aanrijding te hebben gemerkt. Niet is gebleken dat verdachte tijdens het rijden zijn telefoon heeft gebruikt of met een te hoge snelheid heeft gereden. Wel staat vast dat verdachte op het moment van de aanrijding onder invloed van alcohol verkeerde. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol het reactie en waarnemingsvermogen kan verminderen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het bij verdachte gemeten ademalcoholgehalte zich bijna twee uur na het ongeval nog altijd aanzienlijk (750 ug/l) boven de wettelijke toegestane limiet (220 ug/l) bevond.

Uit het dossier volgt dat het op het tijdstip van de aanrijding niet druk was. Niet is gebleken dat het zicht voor verdachte werd belemmerd door de wegsituatie, de inrichting van de weg, de weersgesteldheid of anderszins. Ook komen uit het dossier geen aanwijzingen naar voren die duiden op verminderde overige rijcondities de avond van de aanrijding. Het gegeven dat verdachte desondanks, terwijl van andere oorzaken of gedragingen die hebben geleid tot het ongeval niet is gebleken, tegen het slachtoffer is aangereden op een brede overzichtelijke snelweg brengt mee dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich heeft gedragen zoals in de tenlastelegging is beschreven. Het alcoholgebruik van de verdachte draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Dat verdachte stelt niets van het ongeval gemerkt te hebben lijkt de rechtbank overigens ongeloofwaardig, gelet op het feit dat verdachte volgens het onderzoek naar het ongeval na de aanrijding slingerend over de vluchtstrook en twee rijbanen van de A2 moet hebben gereden en de aanrijding ook een behoorlijke impact op de auto van verdachte heeft gehad. Zo is zijn linker voorband drukloos geraakt en heeft hij bijna 11 kilometer uitsluitend op de velg van die band naar zijn woning gereden.

Conclusie

Gelet op het voorgaande in samenhang met de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte, die onder invloed was van alcohol, zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en daardoor niet tijdig heeft opgemerkt dat er een motor voor hem reed. Verdachte heeft onvoldoende afstand gehouden tot de voor hem rijdende motor en zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Hiermee heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank zodanig onvoorzichtig en onoplettend gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden en waardoor het slachtoffer zwaar gewond is geraakt.

Mate van schuld

Anders dan de officier van justitie, die zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt. De rechtbank betrekt het de omstandigheid dat verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank niet bij de beoordeling van de mate van schuld. Het alcoholgebruik vormt een strafverzwaringsgrond op grond van artikel 175, derde lid, van de WVW 1994.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank verdachte, zoals ook door de verdediging is bepleit en ook impliciet uit het requisitoir van de officier van justitie volgt, partieel zal vrijspreken van het roekeloos handelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1.

op of omstreeks 5 augustus 2025 te Best , althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto ( merk: Volkswagen, type: Passat, kenteken: [kenteken] ) , daarmede rijdende over de weg, de A2,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en /of onoplettend,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8 , eerste , tweede of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994,

- zijn aandacht niet voortdurend op de weg en /of het verkeer vóór hem te houden en /of

- niet tijdig op te merken dat er een motorrijtuig, te weten een motor, bestuurd door [slachtoffer] , voor hem reed en /of

- onvoldoende afstand te houden tot zijn voorganger en /of

- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en /of

- ( vervolgens ) in aanrijding te komen met een vóór hem rijdend motorrijtuig, te weten een motor, bestuurd door [slachtoffer] ,

- ten gevolge waarvan die Smits ten val is gekomen,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en /of een gebroken kuitbeen en /of een gebroken scheenbeen , althans een gebroken onderbeen, werd toegebracht..

2.

op of omstreeks 5 augustus 2025 te Best , althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, ( personenauto ) , dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 750 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram , alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

3.

als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt,

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Best op /aan de A2, op of omstreeks 5 augustus 2025

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden ,

een ander ( te weten [slachtoffer] ) , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht,

in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake het tenlastegelegde wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft erop gewezen dat verdachte een eigen garagebedrijf heeft en dat bij oplegging van een gevangenisstraf een faillissement van dat bedrijf onafwendbaar zal zijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij het slachtoffer zwaar gewond is geraakt. Na het veroorzaken van het verkeersongeval heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten. Anderen hebben gemeld dat een ernstig verkeersongeval had plaatsgevonden en dat er een slachtoffer gewond langs de snelweg lag. Zoals eerder al overwogen acht de rechtbank het volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte niets van het ongeval heeft gemerkt en neemt zij het de verdachte zeer kwalijk dat hij daarna met een zwaar gehavende auto is doorgereden naar huis zonder zich om het slachtoffer te bekommeren.

Het rechtbank zoekt bij de strafoplegging aansluiting bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot het veroorzaken van een verkeersongeval. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van alcoholgebruik van meer dan 570 ug/l en van ernstige schuld, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaren.

De rechtbank sluit aan bij bovengenoemd oriëntatiepunt omdat verdachte zwaar onder invloed van alcoholhoudende drank op een brede overzichtelijke snelweg een motorrijder, die gedurende langere tijd voor hem zichtbaar moet zijn geweest niet heeft opgemerkt en van achteren heeft aangereden, waarna hij is doorgereden en het zwaar gewonde slachtoffer in hulpeloze toestand op een donkere snelweg in een zeer kwetsbare positie heeft achtergelaten, terwijl het niet de eerste keer is dat verdachte onder invloed van middelen heeft gereden. Uit het strafblad van verdachte van 9 juni 2026 volgt namelijk dat hij op 27 februari 2024 een strafbeschikking heeft gekregen voor het rijden onder invloed van drugs.

De rechtbank acht, de persoonlijke belangen van verdachte ten spijt, een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren, zoals ook door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het van belang een deel van de ontzegging, te weten 18 maanden, voorwaardelijk op te leggen om verdachte er van te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te begaan. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat ten gevolge van deze veroordeling het rijbewijs van verdachte van rechtswege ongeldig zal zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 55, 57 van het Wetboek van Strafrecht

6, 7, 8, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1 en 2

de eendaadse samenloop van

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a van deze wet

en

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (750 µg/l)

Ten aanzien van feit 3

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Straffen

Legt op de volgende straffen

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

- Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 waarvan 18 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. W. Heijninck en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,

en is uitgesproken op 9 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.G. Vos
  • mr. W. Heijninck
  • mr. A.M.R. van Ginneken

Griffier

  • mr. G.J.B. van Weegen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand