ECLI:NL:RBOBR:2026:7220

ECLI:NL:RBOBR:2026:7220

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 01.180849.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewezenverklaring van diefstal met geweld in vereniging van 200 euro, een tas en een horloge (feit 1) en belediging van verbalisanten (feit 2). Met betrekking tot feit 1 acht de rechtbank de verklaring van de aangever betrouwbaar, omdat deze gedetailleerd is en op essentiële onderdelen steun vindt in het dossier. Oplegging van de ISD-maatregel (zonder aftrek van voorarrest) voor feit 1 en toepassing van artikel 9a Sr voor feit 2, omdat strafoplegging voor dat feit niet opportuun is. Beslagbeslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.180849.26]

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.180849.26

Datum uitspraak: 12 oktober 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1989] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 augustus 2026.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 juni 2026 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag (ongeveer 200 euro), een horloge en/of een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [slachtoffer 1] een zogeheten kopstoot te geven,

- die [slachtoffer 1] te slaan,

- die [slachtoffer 1] (met geschoeide voet) tegen het hoofd te schoppen en/of

- die [slachtoffer 1] met een (hard) voorwerp te slaan;

2.

hij op of omstreeks 23 juni 2026 te Eindhoven opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 2] (hoofdagent bij Eenheid Oost-Brabant, [slachtoffer 3] (agent bij Eenheid Oost-Brabant) en/of [slachtoffer 4] (hoofdinspecteur bij Eenheid Oost-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,

in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen:

- "jullie zijn kankerjoden",

- "jullie zijn kankerhonden",

- "jullie zijn kankerlijers",

- "ik maak jullie kapot",

- "fuck you hoerenzoon" en/of

- "kankerjood",

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen.

Op 23 juni 2026 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van diefstal met geweld van een geldbedrag van 200 euro, een Louis Vuitton tas en een horloge. De aangever bevond zich op 23 juni 2026 samen met [getuige] in het [adres] in Eindhoven. Hij zat daar op een handdoek en zijn portemonnee lag naast hem. Op enig moment zag de aangever een man van Somalische afkomst, samen met een andere man, naar hem toe komen lopen. Hij zag dat de man van Somalische afkomst zijn portemonnee pakte en daar een geldbedrag uit pakte. Toen de aangever zijn geld wilde terugpakken, gaf de man hem een kopstoot. De andere man gaf de aangever toen een harde klap tegen zijn slaap. De aangever viel hierna op de grond en hij voelde dat hij toen met een hard voorwerp tegen zijn hoofd werd geslagen. Volgens de aangever is hij daarna kort buiten bewustzijn geraakt. Op het moment dat hij weer bijkwam, zag hij dat zijn Louis Vuitton tas, zijn horloge dat eerder om zijn pols zat en een geldbedrag van 200 euro waren gestolen. Toen de aangever in de ambulance lag, werd hem door een verbalisant gevraagd of hij de man herkende die een stukje verderop bij andere verbalisanten stond. De aangever herkende die man als de Somalische man die geweld had gepleegd en hem had beroofd. De man die bij de politie stond en was aangehouden, was de verdachte.

Bij de politie heeft de verdachte de beroving ontkend. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij één van beide mannen was die naar de aangever toeliep en een bedrag van 200 euro pakte. Naar eigen zeggen was de aangever de verdachte dat bedrag nog schuldig. De verdachte heeft ontkend dat hij meer geld heeft gepakt uit de portemonnee en ook de diefstal van de Louis Vuitton tas en het horloge heeft hij ontkend. Over het toegepaste geweld heeft de verdachte enkel verklaard dat de aangever alles erger maakt dan het in werkelijkheid was.

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging van 200 euro en de tas gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het horloge, omdat dit horloge nergens is aangetroffen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht de verklaring van de aangever betrouwbaar. Zijn verklaring is gedetailleerd en vindt op essentiële onderdelen steun in de overige inhoud van het dossier.

Getuige [getuige] heeft ter plaatse tegenover verbalisant [verbalisant] een korte verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat de aangever door twee Somaliërs is beroofd, dat de aangever eerst een kopstoot kreeg en dat toen hij op de grond lag nog tegen zijn hoofd is geschopt.

Door de aangever is verklaard dat de verdachte vier biljetten van 50 euro uit zijn portemonnee heeft gepakt. Ten tijde van zijn fouillering had de verdachte in zijn broekzak een geldbedrag van in totaal 225 euro en dat geldbedrag bestond uit onder meer vier biljetten van 50 euro. De rechtbank stelt aldus vast dat het aantal van vier gestolen biljetten overeenstemt met de vier bij de verdachte aangetroffen biljetten. De verklaring van de verdachte dat bedrag van hem was, omdat hij eerder een bedrag van 500 euro had gepind en eerst nog was wezen shoppen, acht de rechtbank onaannemelijk en vindt bovendien geen steun in het dossier.

De aangever heeft ook verklaard dat zijn Louis Vuitton tas is weggenomen. Tijdens zijn aanhouding droeg de verdachte twee nektassen en één daarvan betrof een Louis Vuitton tas. De aangever herkende deze tas als zijn eigendom aan de uiterlijke kenmerken. Hij verklaarde na de beroving dat in zijn weggenomen tas een powerbank en oplaadkabels zaten. Door een verbalisant zijn in de Louis Vuitton tas die de verdachte om zijn nek droeg een powerbank en twee oplaadkabels aangetroffen.

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte samen met een ander de aangever met geweld van alle in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen heeft beroofd. De omstandigheid dat het horloge niet is aangetroffen, zoals door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt in dat kader dat de aangever na de beroving niet meer beschikte over zijn horloge en dat buiten de verdachte ook de mededader tijd en gelegenheid heeft gehad om dit horloge weg te nemen, omdat de aangever als gevolg van het door hen toegepaste geweld enige tijd het bewustzijn heeft verloren. Dat niet vastgesteld kan worden wie van de twee daders het horloge heeft weggenomen en evenmin kan worden vastgesteld wie de mededader is, doet aan het vorenstaande niet af nu het ‘medeplegen’ bewezen verklaard is waarvoor niet is vereist dat vast komt te staan wat de precieze rol van iedere medepleger was. De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Het ten laste gelegde onder feit 2 acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen eveneens wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft dit feit ter terechtzitting bekend.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte

1.

op 23 juni 2026 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 200 euro, een horloge en een tas, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- die [slachtoffer 1] een zogeheten kopstoot te geven;

- die [slachtoffer 1] te slaan;

- die [slachtoffer 1] met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en

- die [slachtoffer 1] met een hard voorwerp te slaan;

2.

op 23 juni 2026 te Eindhoven opzettelijk ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] (hoofdagent bij Eenheid Oost-Brabant) en [slachtoffer 3] (agent bij Eenheid Oost-Brabant) en [slachtoffer 4] (hoofdinspecteur bij Eenheid Oost-Brabant), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen:

- "jullie zijn kankerjoden" en/of

- "jullie zijn kankerhonden" en/of

- "jullie zijn kankerlijers" en/of

- "ik maak jullie kapot" en/of

- "fuck you hoerenzoon" en/of

- "kankerjood".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren (hierna ook: ISD-maatregel) zonder aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de maatregel die aan de verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het onder feit 1 bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Zoals blijkt uit het strafblad van de verdachte van 18 augustus 2026, is de verdachte in het verleden voor onder meer vermogensdelicten vaker veroordeeld tot zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke straffen. Deze veroordelingen hebben niet het gewenste effect bereikt: de verdachte blijft recidiveren. De verdachte pleegde het onderhavige strafbare feit zelfs in de proeftijd van een eerdere veroordeling. Met zijn handelen heeft de verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van aangever maar heeft hij ook inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en veel overlast veroorzaakt. De verdachte lijkt van deze gevolgen niet doordrongen en laat zich leiden door zijn eigen belangen, die mede gebaseerd lijken te zijn op financieel gewin.

Op 17 augustus 2026 heeft de verslavingsreclassering GGZ Eindhoven een rapport over de verdachte uitgebracht. In dat rapport wordt (kort gezegd) geadviseerd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Het risico op herhaling van delictgedrag wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Datzelfde geldt voor het risico op letsel en het risico dat de verdachte zich aan eventueel op te leggen voorwaarden zal onttrekken. Volgens de reclassering bestaat er bij de verdachte problematiek op vrijwel alle leefgebieden. In januari 2026 werd de verdachte uit zijn woning gezet. Doordat zijn uitkering is stopgezet, ontbreekt het hem eveneens aan een inkomen. De verdachte pleegt delicten om zichzelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Daarnaast is er ook sprake van dagelijks problematisch alcohol- en cocaïnegebruik. De reclassering heeft de indruk dat de verdachte over een beperkte emotie- en agressieregulatie beschikt. Hij schuwt geweld niet en vindt het ten laste gelegde handelen een passende reactie op het gedrag van anderen, wat de reclassering als een pro-criminele houding beschouwt. De verdachte is geneigd om de oorzaak van zijn problemen buiten zichzelf te leggen, waarbij hij een houding aanneemt dat het aan anderen is om zijn problemen op te lossen.

De verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij zich niet verzet tegen het opleggen van een ISD-maatregel. Hij wil zijn leven weer op de rails krijgen. Hij wil graag hulp accepteren om van zijn cocaïneverslaving af te komen en bij het verkrijgen van werk en huisvesting. Hij wil verder met zijn leven, maar is niet in staat een positieve wending aan zijn leven te geven. Hij beseft dat hij hiervoor zelf hard aan de slag moet gaan.

De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie een ISD-maatregel opleggen als aan de in artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde vereisten is voldaan. In dit kader stelt de rechtbank het volgende vast. Het onder feit 1 bewezen verklaarde is een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is volgens zijn strafblad in de vijf jaar voorafgaand aan het nu begane feit ten minste driemaal wegens misdrijven onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf. Het feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Bovendien moet er, mede gelet op wat in voormeld advies van de verslavingsreclassering is vermeld, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en goederen eist het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte is in de afgelopen jaren herhaaldelijk door de strafrechter veroordeeld voor vermogensdelicten en bedreiging. Daarbij zijn hem meerdere keren gevangenisstraffen opgelegd. Dit alles heeft hem er niet van kunnen weerhouden steeds opnieuw te recidiveren.

De ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en tot beëindiging van de recidive van de verdachte. Door de reclassering is het risico op recidive ingeschat als hoog. Omdat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel is voldaan en er volgens de reclassering momenteel geen andere mogelijkheden zijn om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken, concludeert de rechtbank dat het opleggen van de ISD-maatregel de enige passende maatregel is. Uit alles is gebleken dat de verdachte niet zelf in staat is om zijn verslaving te bedwingen. Hij legt veelal de schuld buiten zichzelf. De verdachte beschikt niet over een vaste huisvesting en een vast inkomen. Feitelijk is er op dit moment op geen enkel levensgebied stabiliteit.

Om de beëindiging van de recidive en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van de verdachte alle kansen te geven, is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om ambtshalve te beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Gelet op de hierna aan de verdachte op te leggen ISD-maatregel acht de rechtbank strafoplegging voor feit 2 niet opportuun. De rechtbank zal dan ook voor dit feit toepassing geven aan het bepaalde in art. 9a Sr.

De motivering met betrekking tot het beslag.

De rechtbank stelt vast dat er nog beslag rust op de volgende voorwerpen:

De rechtbank zal de teruggave aan [slachtoffer 1] gelasten van het geldbedrag van 200 euro, een powerbank en twee oplaadkabels. Immers, naar het oordeel van de rechtbank heeft [slachtoffer 1] te gelden als degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Verder zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte als beslagene gelasten van het geldbedrag van 25 euro. Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave van deze in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 en feit 2 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt ten aanzien van feit 1 op de volgende maatregel:

* plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren;

bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd;

gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- een geldbedrag van 200 euro (goednummer BZBE8934, voorwerp 1a);

- een powerbank, kleur zwart (goednummer 2499592);

- twee oplaadkabels, kleur wit (goednummer 2499591);

gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van 25 euro (goednummer BZBE8934; voorwerp 1b).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. A. Maas en mr. S. van den Akker, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 12 oktober 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H.P.G. Wielders
  • mr. A. Maas
  • mr. S. van den Akker

Griffier

  • mr. I.J.M. Weemers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand