ECLI:NL:RBOBR:2026:7290

ECLI:NL:RBOBR:2026:7290

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 82/063347-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling belastingfraude. Geldboete € 10.000

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.063347.24

Datum uitspraak: 13 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

gevestigd te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 februari 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2019 tot en met

1 februari 2022 in Tilburg en/of Apeldoorn, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer (digitale)

aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [verdachte]

over:

- het derde en/of het vierde kwartaal 2019 en/of

- het eerste en/of het derde en/of het vierde kwartaal 2020 en/of

- het eerste en/of het tweede en/of het derde en/of het vierde kwartaal 2021,

(telkens) niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft/hebben gedaan

en/of heeft/hebben doen/laten doen,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt

geheven;

T.a.v. feit 2:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en

met 31 juli 2020 in Tilburg en/of Apeldoorn, althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale)

aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [verdachte]

over:

- het tweede kwartaal 2019 en/of

- het tweede kwartaal 2020,

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben

doen/laten doen, door

(telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan

verschuldigde omzetbelasting / voor in aftrek in aanmerking komende

omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt

geheven.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 29 september 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van wat verdachte ten laste is gelegd. Zij heeft aangevoerd dat de verklaringen van de vertegenwoordiger van verdachte bij de belastingdienst en de FIOD van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat het nemo tenetur-beginsel en het recht op verhoorbijstand zijn geschonden. Verder staat volgens de verdediging onvoldoende vast dat verdachte op de hoogte was van haar verplichting om aangifte omzetbelasting te doen en dat zij opzettelijk heeft gehandeld. Ten slotte is het nadeel volgens de verdediging niet exact vast te stellen.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Vaststelling feiten.

De rechtbank stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Verdachte was ten aanzien van de ten laste gelegde kwartalen aangifteplichtig voor de omzetbelasting. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte voor de in de ten laste gelegde kwartalen niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Ten aanzien van feit 1 acht de rechtbank daarom wettig en overtuigend bewezen dat de aangiften omzetbelasting voor de kwartalen zoals in de tenlastelegging zijn opgenomen niet of niet binnen de gestelde termijn zijn gedaan.

Voorts stelt de rechtbank vast dat [verdachte] aangiften omzetbelasting heeft gedaan voor het tweede kwartaal van 2019 en het tweede kwartaal van 2020. De rechtbank stelt vast dat de aangiften van het tweede kwartaal in 2019 en het tweede kwartaal van 2020 onjuist en onvolledig zijn gedaan. In deze aangiften werd opgenomen dat in de voornoemde kwartalen geen omzet werd behaald, doordat zogenoemde nihilaangiften werden gedaan. Uit de gegevens die de Belastingdienst tijdens zijn controleonderzoek van verdachte heeft ontvangen volgt dat in deze kwartalen wel degelijk omzet door de verdachte werd gegenereerd. Zodoende is sprake van onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting.

Nadere overwegingen van de rechtbank.

Opzet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte telkens opzettelijk onjuist en onvolledig aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Het opzet zit besloten in het feit dat nihilaangiften zijn ingediend, terwijl de vennootschap op dat moment actief was en overduidelijk omzet behaalde met haar bedrijfsactiviteiten. Het kan niet anders dan dat de medewerkers van verdachte die deze aangiften hebben gedaan, dat geweten hebben. Dit opzet kan aan verdachte worden toegerekend.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte is uitgenodigd om aangifte omzetbelasting te doen en ook aangifte omzetbelasting heeft gedaan voor het tweede kwartaal van 2019. Daaruit volgt dat verdachte op de hoogte was van haar verplichting tot het doen van aangifte omzetbelasting. De onder feit 1 opgenomen aangiften omzetbelasting dateren alle van na deze aangifte. Door die aangiften desondanks niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn te doen, heeft verdachte opzettelijk gehandeld.

Strekkingsvereiste.

De rechtbank oordeelt dat aan het strekkingsvereiste is voldaan. In de onjuiste aangiften is een te laag bedrag aan belasting aangegeven. Ten aanzien van de niet tijdig gedane aangiften is relevant dat het niet tijdig doen van aangifte omzetbelasting ten aanzien van een periode waarin wel omzet wordt gemaakt, ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De precieze omvang van het nadeel is daarvoor niet van belang.

Toerekening aan de rechtspersoon.

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend.

Daarvoor is onder andere van belang of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en in dat verband is van belang of de gedraging past binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Het doen van belastingaangifte is bij uitstek een gedraging die plaatsvindt in de sfeer van de rechtspersoon en past binnen de normale bedrijfsvoering. De gedraging kan daarom aan verdachte worden toegerekend.

Conclusie.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader is omschreven.

Overige verweren.

Ter terechtzitting heeft de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren gebracht ten aanzien van in het procesdossier opgenomen verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte, de heer [medeverdachte] bij de belastingdienst en de FIOD. De rechtbank heeft de verklaringen waarop dit standpunt betrekking heeft, niet voor het bewijs gebruikt. Daarom wordt dit verweer niet verder besproken.

Daarnaast heeft de verdediging ter terechtzitting een aantal andere verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gereageerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren worden weerlegd in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

T.a.v. feit 1:

op tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met

1 februari 2022 in Nederland,

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale

aangiften voor de omzetbelasting ten name van [verdachte]

over:

- het derde en het vierde kwartaal 2019 en

- het eerste en het derde en het vierde kwartaal 2020 en

- het eerste en het tweede en het derde en het vierde kwartaal 2021,

telkens niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd

geheven;

T.a.v. feit 2:

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2019 tot en

met 31 juli 2020 in Nederland,

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale

aangiften voor de omzetbelasting ten name van [verdachte]

over:

- het tweede kwartaal 2019 en

- het tweede kwartaal 2020,

telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan door

telkens op de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan

verschuldigde omzetbelasting op te geven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd

geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota opgenomen gronden heeft de verdediging de rechtbank verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de draagkracht van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Verdachte heeft door het niet tijdig doen en doen van onjuiste en onvolledige aangifte omzetbelasting een aanzienlijk bedrag aan wederrechtelijk belastingvoordeel behaald. Het bedrag dat door de Belastingdienst is misgelopen bedraagt in ieder geval ruim € 150.000,-. Verdachte heeft met haar handelwijze de Nederlandse Staat en daarmee de Nederlandse gemeenschap benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu door belastingheffing wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor de vervulling van zijn taken nodig zijn. Die gemeenschapsbelangen heeft verdachte door haar handelwijze geschonden.

Schending redelijke termijn.

Elke verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In de onderhavige zaak oordeelt de rechtbank dat deze termijn op 25 september 2023 bij het verhoor van de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [medeverdachte] , is aangevangen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren stelt de rechtbank vast dat deze termijn met ruim één jaar is geschonden. De rechtbank heeft de overschrijding verdisconteerd in de bij medeverdachte [medeverdachte] opgelegde straffen.

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, geen aanleiding om met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat, overeenkomstig de door de officier van justitie gevorderde straf, passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een geldboete van € 10.000,-.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23, 51, 57 Wetboek van Strafrecht

68, 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

een geldboete van € 10.000,-.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,

mr. G.M. Blanken en mr. A.H.J. Saes, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,

en is uitgesproken op 13 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. G.M. Blanken
  • mr. A.H.J. Saes

Griffier

  • mr. J. Beex

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand