RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.302711.23
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
Zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 november 2022 in Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] en/of de heer [medeverdachte] over:
- het tweede kwartaal van 2021 en/of
- het derde kwartaal van 2022,
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben laten doen, door
(telkens) op/in de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting / voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
Zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 5 november 2022, in Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
Een (of meerdere) geschrift(en) die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit
te dienen, te weten een of meer (digitaal) ingediende aangifte(n) omzetbelasting ten
name van [bedrijf 1] en/of de heer [medeverdachte] over:
- het tweede kwartaal van 2021 en/of
- het derde kwartaal van 2022,
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
immers heeft zij, verdachte, toen aldaar valselijk en/of in strijd met de waarheid op
die voornoemde aangifte(n) een onjuist, zijnde een te laag, bedrag aan omzet
doorgegeven.
met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of
door (een) ander(en) te doen gebruiken;
T.a.v. feit 2:
Zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 24 juli 2024, in Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] en/of de heer [medeverdachte] onder meer over:
- het tweede kwartaal van 2020 en/of
- het vierde kwartaal van 2020 en/of
- het derde kwartaal van 2021 en/of
- het eerste kwartaal van 2022 en/of
- het vierde kwartaal van 2022
(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben laten doen,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdediging stelt dat voor beide primair ten laste gelegde feiten verdachte niet de aangifteplichtige was en zij daarom buiten het bereik van de strafbepalingen valt. Verder stelt de verdediging dat er geen sprake is geweest van medeplegen nu niet van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken. Over de subsidiair ten laste gelegde valsheid in geschrifte stelt de verdediging dat geen sprake is geweest van opzet bij verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Vaststelling feiten.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte] als eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 1] verplicht was tot het doen van aangifte omzetbelasting.
Voorts is niet in geschil dat de aangiftes omzetbelasting zoals in de tenlastelegging onder feit 1 opgenomen in een lagere omzet voorzagen dan de daadwerkelijk door de onderneming behaalde omzet, en hierdoor ook in een te laag bedrag aan verschuldigde belasting. Ook is niet in geschil dat de aangiften omzetbelasting voor de kwartalen zoals opgenomen onder feit 2 niet tijdig dan wel helemaal niet gedaan zijn.
Nadere overwegingen van de rechtbank.
Opzet.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het onjuist, onvolledig, niet en niet tijdig indienen van de betreffende aangiften omzetbelasting. Verdachte deed de administratie en de boekhouding binnen de onderneming, waaronder de aangiften omzetbelasting. Verdachte heeft verklaard dat zij de aangiften omzetbelasting vanaf het moment dat Belastingdienst beslag heeft gelegd op betalingen van opdrachtgever [bedrijf 2] heeft ingediend op basis van de daadwerkelijke ontvangsten minus dat derdenbeslag. De rechtbank is van oordeel dat deze werkwijze zodanig in strijd is met de meest elementaire regels voor het doen van belastingaangifte dat niet geloofwaardig kan worden geacht dat verdachte, die financieel is onderlegd, daadwerkelijk dacht dat hiermee op een juiste wijze belastingaangifte werd gedaan. Verdachte heeft verklaard dat zij deze werkwijze zou hebben besproken met een accountant en een boekhouder, maar dat wordt ontkend door de betreffende accountant en boekhouder. Dat deze werkwijze berust op deskundig advies van anderen is daarom niet aannemelijk geworden. Bij een werkwijze die zo duidelijk afwijkt van de regels, en van haar eerdere eigen werkwijze, had het bovendien op de weg van verdachte gelegen om deze aan de Belastingdienst voor te leggen. Dat heeft zij niet gedaan.
Verdachte deed de volledige administratie van de eenmanszaak en diende over de jaren 2020 tot en met 2022 per kwartaal de aangiften omzetbelasting in. De rechtbank leidt daaruit af dat zij wist dat ieder kwartaal tijdig aangifte moest worden gedaan. Zij heeft vier aangiften geruime tijd na afloop van de termijn ingediend en één aangifte in het geheel niet.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij onjuist, onvolledig niet en niet tijdig aangifte omzetbelasting heeft gedaan.
Strekkingsvereiste.
De rechtbank oordeelt dat aan het strekkingsvereiste is voldaan. In de onjuiste aangiften is een te laag bedrag aan te betalen belasting aangegeven. Ten aanzien van de niet tijdig gedane aangiften is relevant dat het niet tijdig doen van aangifte omzetbelasting ten aanzien van een periode waarin wel omzet wordt gemaakt, ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Medeplegen.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet aangifteplichtig was en zodoende buiten het bereik van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zou vallen. De rechtbank verwerpt dit verweer, voor zover daarmee wordt betoogd dat dit niet tot een veroordeling zou kunnen leiden. De verplichting tot het doen van aangifte omzetbelasting rustte (inderdaad) op [medeverdachte] als eigenaar van de eenmanszaak. Dat staat aan een veroordeling van verdachte wegens het medeplegen van de ten laste gelegde feiten niet in de weg. Verdachte heeft bij het begaan van die feiten nauw en bewust samengewerkt met [medeverdachte] . Verdachte deed de administratie van de onderneming en diende de aangiften omzetbelasting op naam van [medeverdachte] in. [medeverdachte] liet het doen van de aangiften aan haar over. Zoals hiervoor is overwogen, hield verdachte bij het doen van de aangiften rekening met het derdenbeslag van de Belastingdienst. [medeverdachte] was op de hoogte van dit beslag. Niettemin hebben verdachte en [medeverdachte] de taakverdeling ongewijzigd voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van medeplegen.
Conclusie.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader is omschreven.
Overige verweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal andere verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gereageerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 november 2022 Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over:
- het tweede kwartaal van 2021 en
- het derde kwartaal van 2022,
telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, door
telkens op ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;
T.a.v. feit 2:
op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 24 juli 2024, in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf 1] over:
- het tweede kwartaal van 2020 en
- het vierde kwartaal van 2020 en
- het derde kwartaal van 2021 en
- het eerste kwartaal van 2022 en
- het vierde kwartaal van 2022
telkens niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan of heeft laten doen,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaar. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar financiële problemen en de zorg voor haar drie minderjarige kinderen. De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was verdachte getrouwd met [medeverdachte] en werkzaam in zijn eenmanszaak. Deze eenmanszaak heeft door het niet tijdig doen en doen van onjuiste en onvolledige aangifte omzetbelasting in de tenlastegelegde periode een aanzienlijk bedrag aan wederrechtelijk belastingvoordeel behaald, becijferd op ruim 220.000 euro. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is hierbij niet relevant dat niet alle belastingaangiftes uit deze periode, en die ten grondslag liggen aan de berekening van dit bedrag, expliciet in de tenlastelegging zijn opgenomen. Verdachte heeft met haar handelwijze de Nederlandse Staat en daarmee de Nederlandse gemeenschap benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu door belastingheffing wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor de vervulling van zijn taken nodig zijn. Die gemeenschapsbelangen heeft verdachte door haar handelwijze geschonden.
Strafmodaliteit.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Gelet op de oriëntatiepunten en het benadelingsbedrag is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf normaal gesproken op zijn plaats zou zijn. Net als de officier van justitie ziet de rechtbank in dit geval in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
De strafbare feiten zijn allereerst grotendeels gepleegd in een periode waarin verdachte net bevallen was van haar derde kind en haar toenmalige echtgenoot als gevolg van een covid-besmetting in coma in het ziekenhuis kwam te liggen. Ook na ontslag uit het ziekenhuis had haar toenmalige echtgenoot nog erg veel last van de gevolgen van deze covid-besmetting waardoor hij niet in staat was te werken zoals voorheen en ook niet in staat om voor de kinderen te zorgen. Hierdoor heeft verdachte gedurende een lange periode – feitelijk alleen – geprobeerd om de eenmanszaak door te laten lopen, terwijl zij dit moest combineren met de zorg voor haar drie nog zeer jonge kinderen. Ook op dit moment heeft verdachte nog steeds de zorg voor haar minderjarige kinderen waarvan de jongste bovendien extra zorg nodig heeft. Daarnaast heeft verdachte een blanco strafblad en is sprake van aanzienlijke schulden, waarvoor verdachte al uit eigen beweging op zoek is gegaan naar een oplossing. Om deze redenen zal de rechtbank lichter straffen dan door het OM is geëist. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf verder rekening met het feit dat de redelijke termijn met vijf maanden is geschonden.
Rekening houdend met al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is aan verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
68, 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 2:
het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Blanken, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. A.H.J. Saes, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 13 oktober 2026.