RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.302690.23
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 juli 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 november 2022 in Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] en/of [verdachte] over:
- het tweede kwartaal van 2021 en/of
- het derde kwartaal van 2022,
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben laten doen, door
(telkens) op/in de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting / voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of te doen/laten opgeven,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
T.a.v. feit 2:
Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 24 juli 2024, in Rotterdam en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] en/of [verdachte] onder meer over:
- het tweede kwartaal van 2020 en/of
- het vierde kwartaal van 2020 en/of
- het derde kwartaal van 2021 en/of
- het eerste kwartaal van 2022 en/of
- het vierde kwartaal van 2022
(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben laten doen,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdediging stelt dat voor beide ten laste gelegde feiten geen sprake is geweest van opzet of van medeplegen.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Vaststelling feiten.
De rechtbank stelt vast dat verdachte als eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf] verplicht was tot het doen van aangifte omzetbelasting.
Voorts is niet in geschil dat de aangiftes omzetbelasting zoals in de tenlastelegging onder feit 1 opgenomen in een lagere omzet voorzagen dan de daadwerkelijk door de onderneming behaalde omzet, en hierdoor ook in een te laag bedrag aan verschuldigde belasting. Ook is niet in geschil dat de aangiften omzetbelasting voor de kwartalen zoals opgenomen onder feit 2 niet tijdig dan wel helemaal niet gedaan zijn.
Nadere overwegingen van de rechtbank.
Opzet.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het onjuist, onvolledig, niet en niet tijdig indienen van de betreffende aangiften omzetbelasting. Verdachte is eigenaar van de eenmanszaak en in die hoedanigheid is verdachte verplicht zorg te dragen voor het tijdig, juist en volledig indienen van aangiften omzetbelasting bij de Belastingdienst en zorg te dragen voor een deugdelijke administratie. Indien de verdachte dit uitbesteedt aan een ander rust op hem niettemin de verplichting de aangiften tijdig in te (laten) dienen en te controleren op juistheid en volledigheid. De verdachte heeft dat nagelaten.
Voorts blijkt uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting dat in 2020 derdenbeslag is gelegd door de Belastingdienst vanwege een openstaande schuld van de eenmanszaak in verband met foutieve aangiften loonbelasting. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] hem op de hoogte heeft gebracht van dit beslag. Desondanks heeft verdachte geen actie ondernomen ten aanzien van de aangiften omzetbelasting, terwijl hij wel degelijk met medeverdachte [medeverdachte] overleg had over bepaalde financiële keuzes van de onderneming, zoals het aanschaffen van een nieuw voertuig. Als eigenaar van de eenmanszaak was het de verantwoordelijkheid van verdachte om op zijn minst toezicht te houden op de belastingaangiftes. Door dit niet te doen heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook de aangiftes omzetbelasting niet, niet tijdig of onjuist werden gedaan.
Strekkingsvereiste.
De rechtbank oordeelt dat aan het strekkingsvereiste is voldaan. In de onjuiste aangiften is een te laag bedrag aan te betalen belasting aangegeven. Ten aanzien van de niet tijdig gedane aangiften is relevant dat het niet tijdig doen van aangifte omzetbelasting ten aanzien van een periode waarin wel omzet wordt gemaakt, ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Medeplegen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte heeft bij het begaan van de ten laste gelegde feiten nauw en bewust samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte] . Medeverdachte [medeverdachte] deed de administratie van de onderneming en diende de aangiften omzetbelasting op naam van verdachte in. Verdachte, op wie de aangifteplicht rustte, liet het doen van de aangiften aan haar over. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voerden overleg over financiële keuzes van de onderneming. Verdachte heeft deze taakverdeling ongewijzigd voortgezet, terwijl hij wist dat de Belastingdienst beslag had gelegd.
Conclusie.
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader is omschreven.
Overige verweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal andere verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank niet op die verweren heeft gereageerd, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 5 november 2022 in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] over:
- het tweede kwartaal van 2021 en
- het derde kwartaal van 2022,
telkens onjuist en onvolledig heeft laten doen, door
telkens op de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting te laten opgeven,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;
T.a.v. feit 2:
op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020 tot en met 24 juli 2024, in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van [bedrijf] over:
- het tweede kwartaal van 2020 en
- het vierde kwartaal van 2020 en
- het derde kwartaal van 2021 en
- het eerste kwartaal van 2022 en
- het vierde kwartaal van 2022
telkens niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan of heeft laten doen,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaar. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met gezondheidsproblemen van verdachte. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op financiële problematiek van verdachte. De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Verdachte heeft door het niet tijdig doen en doen van onjuiste en onvolledige aangifte omzetbelasting in de tenlastegelegde periode een aanzienlijk bedrag aan wederrechtelijk belastingvoordeel behaald, becijferd op ruim 220.000 euro. Anders dan de verdediging heeft gesteld, is hierbij niet relevant dat niet alle belastingaangiftes uit deze periode, en die ten grondslag liggen aan de berekening van dit bedrag, expliciet op de tenlastelegging zijn genoemd. Verdachte heeft met zijn handelwijze de Nederlandse Staat en daarmee de Nederlandse gemeenschap benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu door belastingheffing wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor de vervulling van zijn taken nodig zijn. Die gemeenschapsbelangen heeft verdachte door zijn handelwijze geschonden.
Strafmodaliteit.
De rechtbank heeft bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
Gelet op de oriëntatiepunten en het benadelingsbedrag is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf normaal gesproken op zijn plaats zou zijn. Net als de officier van justitie ziet de rechtbank in dit geval in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De strafbare feiten zijn allereerst grotendeels gepleegd in een periode waarin verdachte als gevolg van een covid-besmetting in coma in het ziekenhuis kwam te liggen en zijn toenmalige echtgenoot net was bevallen van hun jongste kind. Ook na ontslag uit het ziekenhuis heeft verdachte nog erg veel last gehad van de gevolgen van deze covid-besmetting waardoor hij niet in staat was te werken zoals voorheen en ook niet in staat om voor de kinderen te zorgen. Hierdoor heeft zijn medeverdachte gedurende een lange periode – feitelijk alleen – geprobeerd om de eenmanszaak door te laten lopen, terwijl zij dit moest combineren met de zorg voor haar drie nog zeer jonge kinderen. Ook op dit moment heeft verdachte nog steeds last van gezondheidsklachten als gevolg van deze covid-besmetting waardoor hij nog altijd niet in staat is om te werken. Daarnaast heeft verdachte een blanco strafblad en is sprake van aanzienlijke schulden, waarvoor verdachte al uit eigen beweging op zoek is gegaan naar een oplossing. Om deze redenen zal de rechtbank lichter straffen dan door het OM is geëist. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf verder rekening met het feit dat de redelijke termijn met vijf maanden is geschonden.
Rekening houdend met al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is aan verdachte een taakstraf op te leggen van 60 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
68, 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 2:
het medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Blanken, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. A.H.J. Saes, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 13 oktober 2026.