RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.216909.23
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
1. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 7.785, geadresseerd aan [adres 1] , gedateerd op 25 januari 2022, met als omschrijving “katalysator mix” (DOC-084), en/of
2. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 7.450, geadresseerd aan [adres 2] , gedateerd op 18 juli 2022, met als omschrijving “katalysator mix” (DOC-034), en/of
3. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 6.890, geadresseerd aan [adres 3] , gedateerd op 21 november 2022, met als omschrijving “katalysator mix” (DOC-134), en/of
4. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.410, geadresseerd aan [adres 4] , gedateerd op 04 januari 2023, met als omschrijving “katalysator mix” (DOC-075), en/of
5. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 1.900, geadresseerd aan [adres 5] , gedateerd op 25 april 2023, met als omschrijving “Printplaat mix” (DOC-090), en/of
B.
6. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 7.710, geadresseerd aan [adres 6] , gedateerd 12 januari 2022, met als omschrijving “Kat mix” (DOC-146), en/of
7. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 6.445, geadresseerd aan [adres 7] , gedateerd 27 juli 2022, met als omschrijving “Katalysator mix” (DOC-069), en/of
8. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.305, geadresseerd aan [adres 8] , gedateerd 08 november 2022, met als omschrijving “Katalysator mix” (DOC-098), en/of
9. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 8.450, geadresseerd aan [adres 9] , gedateerd 27 januari 2023, met als omschrijving “Katalysator mix” (DOC-111), en/of
10. een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 6.620, geadresseerd aan [adres 10] , gedateerd 23 februari 2023, met als omschrijving “Katalysator mix” (DOC-143),
valselijk heeft opgemaakt dan wel doen opmaken en/of heeft vervalst dan wel heeft doen opmaken door (telkens):
(telkens) met het oogmerk om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
Hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2023, te Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen, meermalen, en/of eenmaal, een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
A.
- in het/de hiervoor onder A. (1 tot en met 5) bedoelde geschrift(en) onjuiste en/of in werkelijkheid niet bestaande persoons- en/of adresgegevens van een leverancier op te (laten) nemen, en/of
- in het/de hiervoor onder B. (6 tot en met 10) bedoelde geschrift(en) op te (laten) nemen dat [bedrijf] van de daarin genoemde leverancier(s) een of meer katalysator(en) dan wel enig ander goed heeft (in)gekocht, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van (een) door of namens [bedrijf] enerzijds en die leverancier anderzijds overeengekomen transactie(s), zoals gebruikelijk in het handelsverkeer,
T.a.v. feit 2:
Hij, op of omstreeks 15 juni 2022, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, deze (telkens) opzettelijk in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft doen/laten stellen, door:
- een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.080, geadresseerd aan [adres 11] , gedateerd 16 januari 2022, met als omschrijving “Kat mix” (DOC-001), en/of
- een (inkoop)factuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.750, geadresseerd aan [adres 12] , gedateed 28 maart 2022, met als omschrijving “Katalysator mix” (DOC-012),
ter beschikking te doen/laten stellen aan (een ambtenaar van) de Belastingdienst,
bestaande de valsheid/valsheden hierin dat op/in voornoemde inkoopfactu(u)r(en) was vermeld dat [bedrijf] van de daarin genoemde leverancier(s) een of meer katalysator(en) dan wel enig ander goed heeft (in)gekocht, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van (een) door of namens [bedrijf] enerzijds en die leverancier anderzijds overeengekomen transactie(s), zoals gebruikelijk in het handelsverkeer, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om ten aanzien van beide aan verdachte ten laste gelegde feiten tot een bewezenverklaring te komen. Ten aanzien van het medeplegen heeft de officier van justitie partieel vrijspraak gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken nu verdachte geen opzet had op het benadelen van de Belastingdienst.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2.
Verdachte wordt verweten dat er valse facturen zijn verstrekt aan de Belastingdienst waardoor de Belastingdienst wordt benadeeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de facturen heeft opgemaakt en dat zijn boekhouder deze heeft overhandigd aan de Belastingdienst. Verder overweegt de rechtbank dat uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat de persoonsgegevens op de facturen die genoemd zijn onder feit 2, onjuiste persoonsgegevens vermeld staan nu deze getuigen met betrekking tot die facturen hebben verklaard niet aan verdachte te hebben verkocht. De rechtbank stelt dan ook vast dat de facturen opgenomen onder feit 2 vals zijn.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het benadelen van de Belastingdienst.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt het opzet van verdachte uit zijn handelswijze en de schaal waarop hij heeft gehandeld. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat er 108 facturen zijn aangetroffen met niet bestaande leveranciers, dat adresgegevens niet kloppen of dat getuigen verklaren verdachte niet te kennen of geen katalysatoren aan hem te hebben verkocht. Bovendien is niet op de voorgeschreven wijze gefactureerd. Verdachte heeft met zijn handelen de transacties verhuld. Bovendien kan door deze werkwijze niet worden vastgesteld of de inkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat verdachte deze facturen daarmee mogelijk onterecht als inkoop kosten heeft opgevoerd bij de Belastingdienst en dat verdachte daarmee de Belastingdienst heeft benadeeld. Nu verdachte opzettelijk valse facturen in zijn administratie heeft laten verwerken, en die administratie gebruikt wordt richting de Belastingdienst heeft hij daarmee het risico op de koop toe genomen dat de Belastingdienst door deze handelswijze benadeeld zou kunnen worden. Aan het strekkingsvereiste is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. De rechtbank komt daarmee ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 aan verdachte ten laste gelegde.
Partiële vrijspraak medeplegen feiten 1 en 2.
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen niet vast komen te staan dat verdachte de tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met één of meer anderen heeft gepleegd. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij ten aanzien van het medeplegen.
De bewezenverklaring.
1. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 7.785, geadresseerd aan [adres 1] , gedateerd op 25 januari 2022, met als omschrijving “katalysator mix”, en
2. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 7.450, geadresseerd aan [adres 2] , gedateerd op 18 juli 2022, met als omschrijving “katalysator mix”, en
3. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 6.890, geadresseerd aan [adres 3] , gedateerd op 21 november 2022, met als omschrijving “katalysator mix”, en
4. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.410, geadresseerd aan [adres 4] , gedateerd op 04 januari 2023, met als omschrijving “katalysator mix”, en
5. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 1.900, geadresseerd aan [adres 5] , gedateerd op 25 april 2023, met als omschrijving “Printplaat mix”, en
B.
6. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 7.710, geadresseerd aan [adres 6] , gedateerd 12 januari 2022, met als omschrijving “Kat mix”, en
7. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 6.445, geadresseerd aan [adres 7] , gedateerd 27 juli 2022,met als omschrijving “Katalysator mix”, en
8. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.305, geadresseerd aan [adres 8] , gedateerd 08 november 2022, met als omschrijving “Katalysator mix” en
9. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 8.450, geadresseerd aan [adres 9] , gedateerd 27 januari 2023, met als omschrijving “Katalysator mix”, en
10. een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 6.620, geadresseerd aan [adres 10] , gedateerd 23 februari 2023, met als omschrijving “Katalysator mix”,
valselijk heeft opgemaakt door telkens:
telkens met het oogmerk om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelenbijlage opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen en alles wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
in de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2023, in elk geval in Nederland, meermalen, een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
A.
- in de hiervoor onder A. (1 tot en met 5) bedoelde geschriften onjuiste en/of in werkelijkheid niet bestaande persoons- en/of adresgegevens van een leverancier op te nemen, en
- in de hiervoor onder B. (6 tot en met 10) bedoelde geschriften op te nemen dat [bedrijf] van de daarin genoemde leveranciers een of meer katalysator(en) dan wel enig ander goed heeft (in)gekocht, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van (een) door of namens [bedrijf] enerzijds en die leverancier anderzijds overeengekomen transactie(s), zoals gebruikelijk in het handelsverkeer,
T.a.v. feit 2:
op 15 juni 2022, in elk geval in Nederland, telkens als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, deze telkens opzettelijk in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft laten stellen, door:
- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.080, geadresseerd aan [adres 11] , gedateerd 16 januari 2022, met als omschrijving “Kat mix” en
- een inkoopfactuur op naam van [bedrijf] , ten bedrage van € 9.750, geadresseerd aan [adres 12] , gedateerd 28 maart 2022, met als omschrijving “Katalysator mix”,
ter beschikking te laten stellen aan een ambtenaar van de Belastingdienst,
bestaande de valsheden hierin dat in voornoemde inkoopfacturen was vermeld dat [bedrijf] van de daarin genoemde leveranciers een of meer katalysatoren dan wel enig ander goed heeft ingekocht, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een door of namens [bedrijf] enerzijds en die leverancier anderzijds overeengekomen transacties, zoals gebruikelijk in het handelsverkeer, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om af te zien van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarnaast een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en het ter beschikking stellen van deze vals opgemaakte facturen aan de Belastingdienst. Verdachte heeft gehandeld in katalysatoren en gebruik gemaakt van selfbilling facturen. Daarbij heeft verdachte niet voldaan aan de wettelijke eisen die daaraan worden gesteld. Bovendien heeft verdachte onjuiste klantgegevens op de facturen vermeld. De facturen zijn voor het overgrote deel contant betaald. Verder zijn de vals opgemaakte facturen aan de Belastingdienst overhandigd, waardoor de Belastingdienst hoogst waarschijnlijk is benadeeld. Verdachte heeft het vertrouwen dat aan facturen in het normale handelsverkeer wordt toegekend geschaad. Bovendien overweegt de rechtbank dat het risico wordt vergroot dat het gaat om het verhullen van gestolen katalysatoren en het vermengen van criminele geldstromen met de reguliere geldstromen. Verdachte heeft deze handelswijze op grote schaal toegepast, waardoor in elk geval voor een bedrag van € 785.440,00 aan inkoop is verhuld. Het werkelijke benadelingsbedrag kan echter door deze handelswijze niet worden vastgesteld, verdachte geeft daar evenmin inzicht in. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid neemt en telkens weer de beslissing heeft genomen om door te gaan met deze handelswijze. Daarbij is het de rechtbank gebleken dat verdachte bij de aankoop van katalysatoren geen enkele controle heeft uitgevoerd op de betrouwbaarheid van de verkoper en de herkomst van de diverse goederen, daar waar deze handel daar wel om vraagt. En om die controle ook voor externe partijen te bemoeilijke heeft verdachte vervolgens onjuiste adressen en niet bestaande leveranciers opgeschreven gecombineerd met generieke namen voor de producten en niet nader te controleren omschrijvingen op zijn voorgedrukte facturen geschreven. Hiermee en hierdoor heeft hij een ondoorzichtig systeem opgetuigd, wat de rechtbank hem in strafrechtelijke zin verwijt. Zeker omdat daardoor niet kan worden vastgesteld wat er nu wél allemaal is gebeurd. Dat blijft nu ongewis.
Voorts overweegt de rechtbank dat door de verdediging is aangevoerd dat er naast de strafrechtelijke procedure een fiscale procedure loopt. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om daar rekening mee te houden. De rechtbank stelt vast dat een fiscale procedure naast een strafzaak mag bestaan en aan verdachte heeft door te handelen als hij heeft gedaan zelf ervoor gezorgd dat deze procedures nodig zijn. Bovendien is de uitkomst van de fiscale procedure op dit moment niet bekend omdat het een lopende procedure betreft. De rechtbank zal dan ook geen rekening houden met de fiscale procedure bij de oplegging van een straf.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 juli 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Hieruit volgt dat in beginsel een gevangenisstraf tussen de 18 en 24 maanden opgelegd wordt bij een benadelingsbedrag zoals voornoemd.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving in beginsel niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat het ook van belang is om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen teneinde te voorkomen dat verdachte wederom strafbare feiten zal begaan en aan de andere kant omdat de rechtbank rekening houdt met de omvang van het geheel en de justitiële documentatie van verdachte.
Voorts zal de rechtbank rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn, die is aangevangen op 5 september 2023. De rechtbank zal daarom de op te leggen straf matigen.
Alles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Beslag.
De rechtbank stelt vast dat er nog beslag rust op administratie van verdachte. De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om de administratie - die overigens reeds is vernietigd - te onttrekken aan het verkeer. De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd formeel geen afstand te kunnen doen van de administratie gelet op de nog lopende fiscale procedure.
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen administratie vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer omdat, zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting, dit voorwerpen zijn die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het gaat immers om (grotendeels) valselijk opgemaakte documenten.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht
68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 2:
ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
* een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van 2 jaar de hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
legt op de volgende maatregel:
* onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
1. STK Administratie / valse stukken met Index zie KVI;
1. STK Administratie / valse stukken met index zie KVI.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Langstraat, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. S.J.H. van de Kant, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 14 oktober 2026.