ECLI:NL:RBOBR:2026:7334

ECLI:NL:RBOBR:2026:7334

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 01-138102-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Drie tenlastegelegde feiten. Vrijspraak diefstal met geweld en vrijspraak poging toebrengen van zwaar lichamelijk letsel subsidiair mishandeling. Veroordeling ter zake poging tot doodslag. Met een persoon gelegen op de motorkap van een auto met aanzienlijke snelheid door de stad rijden en daarbij trachten die persoon van de auto te laten vallen. Voorwaardelijk opzet bewezen. Noodweerverweer verworpen. Overweging ten aanzien van redelijke termijn na art. 12 Sv procedure. Gevangenisstraf van negen maanden met aftrek van voorarrest. Benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard. Art. 150 BR. Afwijzing verzoek om oplegging maatregel ex art. 36f.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.138102.25

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,

domicilie kiezende ten kantore van [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 oktober 2026, nadat het onderzoek ter terechtzitting toen opnieuw is aangevangen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 april 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1 primair:

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Eindhoven, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1] ,

van het leven te beroven,

- (met hoge) snelheid en/of slingerend is gaan rijden terwijl die [slachtoffer 1] voor de auto stond en/of op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing en/of

- tijdens het rijden meermalen, althans eenmaal, hard heeft geremd en/of tegen een geparkeerd busje aan is gereden terwijl die [slachtoffer 1] op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - (met hoge) snelheid en/of slingerend is gaan rijden terwijl die [slachtoffer 1] voor de auto stond en/of op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing en/of - tijdens het rijden meermalen, althans eenmaal, hard heeft geremd en/of tegen een geparkeerd busje aan is gereden terwijl die [slachtoffer 1] op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Eindhoven, althans in Nederland,

een geldbedrag (van ongeveer 73.000 euro), in elk geval enig goed/goederen, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of diens broer en/of zus en/of moeder,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreigingen met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- (met hoge) snelheid en/of slingerend is gaan rijden terwijl die [slachtoffer 1] voor de auto stond en/of op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing en/of

- tijdens het rijden meermalen, althans eenmaal, hard heeft geremd en/of tegen een geparkeerd busje aan is gereden terwijl die [slachtoffer 1] op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing;

T.a.v. feit 3 primair:

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Eindhoven, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer 2] ,

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- de deur van de auto heeft dicht gemaakt en/of (met hoge snelheid) is weggereden, zulks terwijl die [slachtoffer 2] de deur van de auto vasthad/vasthield,

T.a.v. feit 3 subsidiair:

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Eindhoven, althans in Nederland,

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door,

de deur van de auto dicht te maken en/of (met hoge snelheid) weg te rijden, zulks terwijl die [slachtoffer 2] de deur van de auto vasthad/vasthield;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van hetgeen onder feit 2 en feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd. Feit 1 primair kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken van alle feiten. De verdediging heeft, indien de rechtbank de verdediging hierin niet volgt, bij wijze van voorwaardelijk verzoek verzocht om de aangever en zijn moeder als zogenaamde Keskin-getuigen te horen.

Het oordeel van de rechtbank.

Feit 2

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van feit 2 (diefstal met geweld) te komen. De rechtbank kan niet zonder redelijke twijfel vaststellen wie op 12 september 2020 de rechthebbende (verdachte of [slachtoffer 1] ) van het geld was. Dat betekent dat ook niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het geldbedrag van [slachtoffer 1] heeft gestolen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Feit 3

Ten aanzien van feit 3 primair en subsidiair (poging zware mishandeling dan wel mishandeling) overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen. In het dossier bevindt zich slechts een aangifte van [slachtoffer 2] en deze wordt niet gesteund door enig ander bewijsmiddel, waarmee niet voldaan wordt aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Bovendien volgt hieruit niet dat er sprake was van opzet bij verdachte.

Gelet hierop dient de verdachte van zowel het primaire als het subsidiaire feit te worden vrijgesproken

Feit 1

Inleiding

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 12 september 2020 in Eindhoven heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven (primair) of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair), door, - kort gezegd - met die [slachtoffer 1] op de motorkap van zijn, verdachtes auto, met (hoge) snelheid te gaan rijden en daarbij die [slachtoffer 1] , al slingerend en remmend, van de motorkap heeft proberen te krijgen.

De feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 12 september 2020 hebben verdachte en [slachtoffer 1] een ontmoeting gehad in het café behorende bij het [hotel] in Eindhoven. Op enig moment na deze ontmoeting is verdachte in zijn auto, die tegenover het hotel geparkeerd stond, gaan zitten waarna aangever [slachtoffer 1] voor de auto van verdachte is gaan staan en op de motorkap is geklommen om zo te beletten dat verdachte weg zou rijden.

Verdachte is, nadat hij een aantal keren zijn motor had laten ronken, gaan rijden met genoemde [slachtoffer 1] op de motorkap. Daarbij heeft verdachte slingerende bewegingen gemaakt, met hoge snelheid gereden en meermalen geremd om zo aangever van de motorkap af te krijgen. De verdachte heeft naar eigen zeggen ongeveer twee minuten met [slachtoffer 1] op de motorkap gereden. Uiteindelijk is aangever van de motorkap gevallen en daardoor gewond geraakt.

Opzet verdachte

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte vol opzet had op de dood van het slachtoffer.

Vervolgens is de vraag aan de orde of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het intreden van de dood – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Door met een personenauto, met op de motorkap daarvan een persoon, met een aanzienlijke snelheid te rijden (een getuige heeft het over 70 tot 90 kilometer per uur en verdachte heeft verklaard dat het kan kloppen dat hij op enig moment een dergelijke snelheid reed) en daarbij te slingeren en te remmen om een persoon van de motorkap af te krijgen, is er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de persoon van de motorkap valt en wordt overreden of met kracht tegen een ander voertuig of voorwerp wordt aan geslingerd en daardoor komt te overlijden. Dit mag bij een ieder – en dus ook verdachte – als bekend worden verondersteld. De gedragingen van verdachte zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Conclusie

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. De onder feit 1 primair aan verdachte ten laste gelegde poging tot doodslag acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Beslissing op voorwaardelijk verzoek

Het (voorwaardelijke) verzoek tot het als getuigen horen van aangever en zijn moeder, wordt verworpen omdat de rechtbank de verklaringen van aangever en zijn moeder niet zal bezigen voor het bewijs.

De bewezenverklaring.

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsmiddelenbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. feit 1 primair:

op 12 september 2020 te Eindhoven,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk

een ander, te weten [slachtoffer 1] ,

van het leven te beroven,

- met hoge snelheid en/of slingerend is gaan rijden terwijl die [slachtoffer 1] op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing en

- tijdens het rijden meermalen heeft geremd en terwijl die [slachtoffer 1] op de motorkap en/of voorruit van de auto lag en/of daaraan hing,

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit en verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat, mocht de rechtbank niet tot vrijspraak komen, de verdachte een beroep op noodweer toekomt en hij heeft de rechtbank verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft gemotiveerd betoogd dat het beroep op noodweer moet worden verworpen.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer slechts kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.

Het door de verdachte gehanteerde verdedigingsmiddel dient in redelijke verhouding te staan tot de ernst van de aanranding.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden. De rechtbank onderkent dat het feit dat aangever op de motorkap is geklommen voor de verdachte intimiderend kan zijn geweest. Nog daargelaten of dit gekwalificeerd kan worden als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is het met hoge snelheid en slingerend rijden met een persoon op de motorkap met het doel om deze van de motorkap te laten vallen in de gegeven omstandigheden buitenproportioneel.

Dit betekent dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en het verweer wordt verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Er zijn evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd. De verdediging heeft zich wel op het standpunt gesteld dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit.

Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte zich zodanig gedragen dat sprake is van een poging doodslag. De verdachte is met het slachtoffer op de motorkap weggereden en heeft bewerkstelligd dat het slachtoffer van de auto zou vallen.

Door deze handelswijze van de verdachte heeft het slachtoffer pijn en letsel bekomen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het gebeuren zowel materieel als emotioneel een flinke impact op het slachtoffer heeft gehad. Het is bovendien niet aan het gedrag van verdachte te danken dat de gevolgen voor het slachtoffer niet veel ernstiger waren.

Daartegenover staat dat het slachtoffer zelf op de motorkap van de auto van verdachte is geklommen en nadrukkelijk niet van plan is geweest daar weer vanaf te gaan. Getuigenverklaringen onderschrijven de lezing van verdachte dat hij eerst een aantal keer met zijn motor heeft geronkt om het slachtoffer te waarschuwen van de motorkap te gaan. Hoewel het feit dat verdachte desalniettemin toch is gaan rijden zoals hij heeft gedaan een ernstig strafbaar feit oplevert waarvoor een gevangenisstraf op zijn plaats is, is deze omstandigheid aan de kant van het slachtoffer wel reden om deze gevangenisstraf in duur enigszins te beperken.

De persoon van verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Wel is de verdachte na dit feit veroordeeld voor drie andere feiten (oplichting en twee maal het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994) en daar houdt de rechtbank rekening mee. De rechtbank stelt zodoende vast dat artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Overschrijding redelijke termijn

Door de raadsman is, niet nader onderbouwd, bepleit dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van schending van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan de verdachte aanspraak maken op een berechting binnen een redelijke termijn vanaf het moment waarop sprake is van een 'criminal charge'. Die termijn vangt met andere woorden aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In dat kader stelt de rechtbank vast dat er een lange periode van bijna zes jaar is verstreken sinds het ten laste gelegde feit werd gepleegd en verdachte in verzekering gesteld is geweest. De zaak tegen verdachte is toen echter geseponeerd en vier jaren later, nadat een zogenaamde art. 12 Sv procedure was gestart, is verdachte gedagvaard. De (eerste) betekening van die dagvaarding, op 6 mei 2026, moet dan ook worden beschouwd als de eerste handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat hij zou worden vervolgd voor onderhavige zaak. De redelijke termijn is dan ook pas op 6 mei 2026 aangevangen, zodat van schending van de redelijke termijn geen sprake is.

De rechtbank zal evenwel bij het bepalen van de straf rekening houden met de ouderdom van de zaak.

De op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat zij niet kan volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair)

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met het verzoek om schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en eveneens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de schade waarover al onherroepelijk door de civiele rechter is beslist, te weten het bedrag van € 73.000,= en de daarbij horende proceskosten, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

De gevorderde immateriële schade van € 10.000,= is, gelet op de Rotterdamse Schaal, niet onredelijk te noemen en derhalve voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, vanwege de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Mocht de rechtbank hierin niet meegaan dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat, nu de vordering van de benadeelde partij wat betreft het materiële deel al door de burgerlijke rechter is toegewezen, welk vonnis kracht van gewijsde heeft, de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De beoordeling van de vordering zou voorts tot een onevenredige belasting van het strafproces leiden en ook daarom dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding is door de verdediging geen standpunt ingenomen.

Beoordeling.

De rechtbank stelt voorop dat het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zo is dat op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de verplichting rust om feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen. De onderbouwing van de in het schadevergoedingsformulier opgenomen schadeposten bestaat kennelijk uit het overleggen van omvangrijke producties. De benadeelde partij heeft verder geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van deze producties. Zo is het zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niet duidelijk op welke feiten die in de producties worden genoemd hij een beroep doet. Dit had wel gemoeten, omdat de rechter slechts heeft te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van het standpunt een beroep heeft gedaan en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken bepaalde feiten kunnen blijken, impliceert niet dat de benadeelde partij zich ter ondersteuning van zijn standpunt op dat feit beroept. Het gevolg is dat de vorderingen niet ontvankelijk zullen worden verklaard, omdat deze niet met voldoende feiten en omstandigheden zijn onderbouwd.

Voorts heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36 f Sr ten aanzien van het bedrag van € 73.000,=. Dit verzoek zal worden afgewezen, omdat ten aanzien van dit deel van de vordering reeds een civielrechtelijk vonnis is gewezen dat een titel biedt tot verhaal van de schade. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, is het de rechtbank niet duidelijk waarom de benadeelde partij nog belang heeft bij dit verzoek.

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 3 primair, subsidiair).

Het standpunt van de officier van justitie.

Gelet op de verzochte vrijspraak heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Het standpunt van de verdediging.

Ook de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, vanwege de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a Sv. Deze kosten worden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

45, 63(oud), 287 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 en feit 3, primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 1:

poging tot doodslag

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

T.a.v. feit 1:

 Een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

De rechtbank wijst af het gevorderde en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. F. Kooijman en mr. W.B. Kok, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 15 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A. Mandemakers
  • mr. F. Kooijman
  • mr. W.B. Kok

Griffier

  • mr. C.A.M. Wentholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand