RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.065474.25
Datum uitspraak: 16 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
thans gedetineerd te: [verblijf plaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2025, 2 september 2025, 10 november 2025, 20 januari 2026, 2 februari 2026,
1 mei 2026, 13 juli 2026 en 2 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 mei 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt
en/of dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden, althans telkens samendrukkend geweld op de keel van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, [slachtoffer] , opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en/of dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden, althans telkens samendrukkend geweld op de keel van die [slachtoffer] heeft uitgeoefend,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, aan zijn levensgezel, [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten tweedegraads brandwonden aan haar onderrug en/of billen en/of heup en/of handen, heeft toegebracht door olie te verhitten en/of die hete olie over die [slachtoffer] heen te gooien;
t.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, olie heeft verhit en/of die hete olie over de rug en/of billen en/of heup van die [slachtoffer] heen heeft gegooid en/of vervolgens wederom olie heeft verhit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk,
zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
die [slachtoffer] met een telefoon in het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan, en/of meermalen met zijn vuist(en) op/tegen het lichaam te slaan en/of
door een of meer plukken haar van die [slachtoffer] af te knippen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Inleiding.
Op 1 maart 2025 omstreeks 20.30 uur komt een melding bij de politie binnen met het verzoek te gaan naar een locatie in Wanroij. [slachtoffer] (hierna te noemen: aangeefster) is hier bij haar zus en verklaart ten overstaan van de politie hevig geëmotioneerd over een zware mishandeling en bedreiging met de dood door haar toenmalige partner, te weten verdachte, die afgelopen nacht zou hebben plaatsgevonden. De politie heeft een onderzoek ingesteld op de [camping 1] , de plek waar aangeefster woont.
Naar aanleiding hiervan wordt het bovenstaande aan verdachte ten laste gelegd.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat niet is gebleken dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood of zwaar lichamelijk letsel van aangeefster waardoor het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Mocht de rechtbank opzet wel aannemen, dan was sprake van vrijwillige terugtred door verdachte.
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging – kort gezegd – betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de verhitte olie opzettelijk naar aangeefster heeft gegooid. Daarom dient vrijspraak te volgen.
Verder is het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel te kwalificeren, zodat in ieder geval vrijspraak moet volgen van het primair ten laste gelegde.
Met betrekking tot feit 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd, in die zin dat hij heeft verklaard met zijn vuisten op/tegen het lichaam van aangeefster te hebben geslagen en dat hij haar haren heeft afgeknipt.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Vaststelling van de feiten.
Op 1 maart 2025 is verdachte met aangeefster in haar chalet op de [camping 2] . Wanneer er een ruzie tussen beiden ontstaat, pleegt verdachte diverse geweldshandelingen jegens aangeefster.
Verdachte erkent dat hij eenmalig de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen, dat hij haar heeft geslagen met zijn vuist op verschillende plekken op haar lichaam en dat hij haar haren heeft afgeknipt. De andere geweldshandelingen die ten laste zijn gelegd, heeft verdachte ontkend.
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en steunbewijs.
Voor de beoordeling van de feiten gaat de rechtbank uit van de verklaringen die aangeefster heeft afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat zij in de kern steeds een gedetailleerde en consistente verklaring heeft afgelegd. Aangeefster heeft helder verklaard over de volgorde van de gebeurtenissen, de locatie waar deze hebben plaatsgevonden en over de handelingen die verdachte heeft verricht.
De getuigenverklaringen ondersteunen de aangifte in die zin dat hetgeen zij van aangeefster gehoord hebben overeenkomt met de verklaring die aangeefster bij de politie heeft afgelegd.
Bovendien geven ze een duidelijk beeld over de gemoedstoestand waarin aangeefster verkeerde (kort) na hetgeen heeft plaatsgevonden.
Verder wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de bevindingen over het bij haar vastgestelde letsel, de bevindingen in het chalet (aangetroffen oliesporen, aangetroffen plukken haar en kapotte spiegel in de badkamer) en de conclusies van de deskundige over de gestelde hypothesen met betrekking tot de oorzaak van de door aangeefster opgelopen brandwonden.
Verklaring verdachte.
Verdachte heeft zich eerst op zijn zwijgrecht beroepen. Hij heeft pas later, mogelijk met kennis van het dossier, een verklaring afgelegd. In die verklaring geeft hij enkele geweldshandelingen toe, maar minimaliseert hij deze of ontkent hij dat er opzet in het spel was.
De verklaring van verdachte vindt in veel mindere mate steun in het dossier dan de verklaring van aangeefster. Met name de verklaring van verdachte over de toedracht van de brandwonden wordt door de deskundige als minder waarschijnlijk beoordeeld dan de door aangeefster beschreven toedracht. Daarbij wijst de deskundige erop dat er geen brandwonden op de handen en voeten van verdachte zijn beschreven, terwijl het spatpatroon van de brandwonden bij aangeefster wel past bij haar verklaring.
De rechtbank hecht al met al geen geloof aan de verklaringen van verdachte over de gang van zaken in het chalet en zal, zoals hierboven al beschreven, bij de beoordeling van de tenlastelegging de verklaring van aangeefster als uitgangspunt nemen.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair.
Opzet op de dood.
Verdachte heeft meerdere malen met beide handen en zijn arm de keel van aangeefster dichtgedrukt met zodanige kracht dat dit heeft geleid tot letsel aan de hals en ademnood bij aangeefster.
Het is een feit van algemene bekendheid dat uitoefening van samendrukkend geweld op de hals in de vorm van een verwurging fataal kan aflopen. De risico’s worden uitgebreid beschreven in de letselrapportage.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster bewust aanvaard.
De verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred, aangezien verdachte de keel van aangeefster losliet voordat het gevolg (de dood) was ingetreden. De rechtbank verwerpt dat verweer.Het risico op overlijden van aangeefster had zich namelijk al verwezenlijkt vóórdat verdachte haar keel (steeds) losliet. Daarmee was op het moment van loslaten reeds sprake van een voltooide poging en kan in het algemeen van vrijwillige terugtred slechts nog sprake zijn als verdachte actieve handelingen verricht om de gevolgen van zijn daad te voorkomen. Verdachte heeft niet gesteld dergelijke handelingen te hebben verricht en daarvan is ook anderszins niet gebleken. Integendeel, door steeds opnieuw de keel van aangeefster dicht te knijpen heeft verdachte de kans op het intreden van de dood telkens opnieuw aanvaard.
Gelet op het bovenstaande kan de primair ten laste gelegde poging doodslag wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 primair.
Ten aanzien van hetgeen onder feit 2 primair ten laste is gelegd heeft aangeefster verklaard dat verdachte zonnebloemolie in een pan deed en dit op het vuur opwarmde. Hij wachtte tot de olie heet was en heeft dit vervolgens in een zwaaiende beweging naar haar gegooid.
Als gevolg hiervan heeft aangeefster een aanzienlijke hoeveelheid hete olie op haar lichaam gekregen met eerste- en tweedegraads brandwonden tot gevolg.
Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat verdachte de hete olie opzettelijk over haar heen heeft gegooid. Dit wordt ondersteund door de forensisch medische letselrapportage van 22 september 2025 waarin de conclusie wordt getrokken dat het geconstateerde letsel ‘waarschijnlijker’ is onder hypothese I (verklaring aangeefster) dan onder hypothese II (verklaring verdachte). Uit de bijlage van het rapport volgt dat de verbale term ‘waarschijnlijker’ een bewijskracht van 10-100 heeft. Verder blijkt uit de verklaring van aangeefster dat verdachte de pan met olie op het vuur heeft gezet en dat hij heeft gewacht totdat de olie heet was, zodat hij voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen daad en de gevolgen hiervan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het enige tijd kost voordat olie heet genoeg is om dergelijke brandwonden te veroorzaken, zodat verdachte in ieder geval die tijd heeft gehad om zich op zijn plannen te beraden.
Opzet en voorbedachte raad zijn hiermee bewezen.
Zwaar lichamelijk letsel.
Aangeefster heeft zeer grote en meerdere eerste- en tweedegraads brandwonden overgehouden aan het incident. Hiervoor staat een genezingsduur van 1,5 tot 2 jaar. Ook bestaat het risico dat schade aan de zenuwen in de huid is veroorzaakt waardoor het herstel van de brandwonden gepaard gaat met gevoelsstoornissen en chronische pijnen aan de littekens. Tot op de dag van vandaag heeft aangeefster last van haar brandwonden en is zij nog altijd herstellende. Ook zal zij blijvende littekens overhouden aan het handelen van verdachte.
Het letsel van aangeefster is naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie.
Het onder 2 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
t.a.v. feit 1 primair:
op 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
t.a.v. feit 2 primair:
op 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, aan zijn levensgezel, [slachtoffer] ,
opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten tweedegraads brandwonden aan haar onderrug en billen en heup, heeft toegebracht door olie te verhitten en die hete olie over die [slachtoffer] heen te gooien;
t.a.v. feit 3:
op 1 maart 2025 te Overloon, gemeente Land van Cuijk, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een telefoon tegen het hoofd te slaan en meermalen met zijn vuisten tegen het lichaam te slaan en plukken haar van die [slachtoffer] af te knippen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist dat aan verdachte wordt opgelegd:
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft persoonlijke omstandigheden aangevoerd en verzoekt de rechtbank daar rekening mee te houden bij de strafoplegging en het bepalen van de hoogte van de straf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging doodslag en zware mishandeling met voorbedachten rade tegen zijn toenmalige vriendin. Verdachte heeft haar meermalen gewurgd, eerste- en tweedegraads brandwonden op haar lichaam veroorzaakt door hete olie over haar heen te gooien en haar mishandeld door haar meermalen te slaan en plukken haar af te knippen. Verdachte heeft aangeefster urenlang mishandeld en vernederd. Het door verdachte gepleegde geweld had fataal kunnen aflopen. Aangeefster heeft doodsangsten uitgestaan en veel pijn geleden. De littekens van de brandwonden zijn tot op de dag van vandaag zichtbaar.
Met zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van aangeefster in zeer ernstige matige geschonden. Verdachte heeft de geweldshandelingen gepleegd in de woning van aangeefster, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen.
Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting naar voren is gebracht en de toelichting op de ingediende vordering tot schadevergoeding, blijkt dat aangeefster nog steeds kampt met de lichamelijke en psychische gevolgen van de geweldshandelingen.
Houding verdachte.
Verdachte neemt nauwelijks verantwoordelijkheid voor zijn daden en bagatelliseert hetgeen is gebeurd. Hij legt zelfs een deel van de schuld bij aangeefster. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft geen relevante justitiële documentatie.
Verdachte is onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Hij weigerde zijn medewerking aan dit onderzoek te verlenen. Uit de rapportage van 25 augustus 2026 blijkt dat de deskundigen, mede gelet op die weigering, geen conclusies kunnen trekken over het wel of niet aanwezig zijn van stoornissen bij verdachte en of deze mogelijk van invloed waren bij het plegen van de feiten.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan enkel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doen aan de ernst van de gepleegde feiten.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr passend en geboden.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De gevorderde maatregel ex artikel 38v Sr.
Anders dan door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank geen reden om aan verdachte in dit verband een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr op te leggen. Verdachte heeft de strafbare feiten gepleegd binnen zijn relatie met aangeefster. Nadat verdachte is aangehouden heeft – voor zover de rechtbank bekend – geen contact meer plaatsgevonden tussen aangeefster en verdachte. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot oplegging van de maatregel.
De gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr.
In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft betoogd, ziet de rechtbank eveneens geen aanleiding over te gaan tot het opleggen van de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
Onvoldoende is komen vast te staan dat oplegging van de maatregel gewenst dan wel noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank betrekt hierbij de duur van de door haar opgelegde gevangenisstraf en het feit dat aan verdachte in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling desgewenst bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd als daar op dat moment aanleiding voor bestaat.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van 25.473,35 euro aan materiële en een bedrag van
36.500,00 euro aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1 en 2 stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat de vordering grotendeels dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft zij betoogd dat de vordering (deels) onvoldoende is onderbouwd dan wel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering zou dan ook geheel of ten dele niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Meer specifiek verwijst de verdediging naar de gevorderde kosten ten aanzien van de posten van de iPhone 13, de zelfredzaamheid en de studievertraging/afbreking opleiding. Ook de immateriële schadevergoeding moet in de visie van de verdediging worden gematigd, aangezien aangeefster zich na de strafbare feiten niet medisch heeft laten verzorgen wat het herstel van de verwondingen zou hebben vertraagd en dat kan verdachte niet worden verweten.
Beoordeling.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:- materiële schadevergoeding ten bedrage van 24.998,20 euro;- immateriële schadevergoeding ten bedrage van 25.000,00 euro,beide vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Materiële schadevergoeding.
De rechtbank acht de gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar met uitzondering van de post die ziet op de iPhone 13.
De rechtbank overweegt daartoe dat dit gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd en onduidelijk is gemotiveerd. Nader onderzoek naar de juistheid van deze post van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overige posten voldoende onderbouwd en staat deze gevorderde schade voldoende in causaal verband met de gepleegde strafbare feiten om voor toewijzing in aanmerking te komen.
Immateriële schadevergoeding.
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, gelet op de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij. Hieruit volgt dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het feit, namelijk een posttraumatische stressstoornis. Verder is sprake van lichamelijk letsel.
De rechtbank ziet, gelet op de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, de aard en ernst van de normschending en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, aanleiding een aanzienlijk deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank zoekt bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen vergoeding onder meer aansluiting bij de categorisering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Rotterdamse schaal. De rechtbank is van oordeel dat schadevergoeding ter hoogte van 25.000,00 euro in onderhavige kwestie passend is.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering, te weten de meer gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van 11.500,00 euro. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken dienen te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36b, 36d, 36f, 45, 57, 287, 300, 303, 304 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1 primair:
poging tot doodslag
t.a.v. feit 2 primair:
zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen zijn levensgezel
t.a.v. feit 3:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en maatregel.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3:
legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 49.998,20 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 224 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 24.998,20 euro materiële schadevergoeding en 25.000,00 euro immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 49.998,20 euro, bestaande uit 24.998,20 euro materiële schadevergoeding en 25.000,00 euro immateriële schadevergoeding.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
- 2 ZAK Verdovende Middelen;
- 1 ZAK Verdovende Middelen; en
- 1 STK Verdovende Middelen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. van der Hilst, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en A.M. de Koning, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 16 oktober 2026.