ECLI:NL:RBOBR:2026:7398

ECLI:NL:RBOBR:2026:7398

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 19-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer 01-033174-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling, vernieling en bedreiging. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, op.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.033174.24

Datum uitspraak: 19 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 september 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] (aan haar haren) uit een auto te trekken, althans die [slachtoffer 1] (onder dwang) uit een auto te laten stappen en/of die [slachtoffer 1] in en/of tegen haar gezicht en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in een andere auto te trekken en/of te gooien en/of terwijl die [slachtoffer 1] in een staat van bewusteloosheid, althans verminderd bewustzijn, verkeerde, met die [slachtoffer 1] in de auto hard weg te rijden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in bewusteloze, althans kwetsbare, toestand en/of in een dubbelgevouwen houding achter de voorstoelen, in de auto achter te laten;

2

hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en/of (met gebalde vuisten) in/tegen het gezicht en/of het lichaam te slaan en/of tegen het hoofd te schoppen;

3

hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een lifehammer op/tegen het hoofd te slaan en/of door die [slachtoffer 2] tegen het lichaam te slaan;

4

hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk (een of meer ruiten van) een personenauto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

5

hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door het portier van de auto waar die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] zich in bevonden open te trekken en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, en/of een lifehammer uit zijn, verdachtes, kleding te trekken en/of te halen en/of dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp en/of die lifehammer, aan die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] voor te houden en/of te tonen.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten bepleit. De verweren zullen – voor zover nodig – bij de beoordeling van de rechtbank besproken worden.

Het oordeel van de rechtbank

De gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage I.

Feitenvaststelling

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren op zoek naar het zusje van verdachte: [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Toen verdachte door kreeg waar [slachtoffer 1] was, is hij op 28 januari 2024 in zijn auto naar het tankstation te Oirschot gereden. Daar zat [slachtoffer 1] met drie jongens in een auto. De drie jongens waren [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 3] (hierna [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 4] (hierna [slachtoffer 4] ) en zij zaten in de auto van [slachtoffer 2] . Verdachte is op die auto afgelopen, heeft het portier van de bijrijderskant open getrokken en [slachtoffer 1] op boze toon gesommeerd uit de auto te stappen. Hierbij heeft verdachte bedreigingen geuit richting de drie jongens die in de auto zaten, waarop de drie jongens zijn weggerend. Verdachte heeft vervolgens [slachtoffer 1] vastgehouden en haar in zijn eigen auto gegooid. Verdachte is [slachtoffer 2] daarop te lijf gegaan met een lifehammer en heeft ook de auto van [slachtoffer 2] hiermee beschadigd. Verdachte heeft zijn neef, medeverdachte [medeverdachte] gebeld, waarop medeverdachte [medeverdachte] in zijn eigen auto naar het tankstation is gereden. Toen medeverdachte [medeverdachte] bij het tankstation was, heeft verdachte tegen hem gezegd dat hij [slachtoffer 1] naar het bos moest brengen. Daarop is medeverdachte [medeverdachte] met de auto van verdachte (waarin [slachtoffer 1] zich bevond) weggereden. Inmiddels was de politie naar aanleiding van een melding naar het tankstation gekomen en werd het tankstation met meerdere dienstauto’s dichtgezet. Medeverdachte [medeverdachte] is in de auto van verdachte (met [slachtoffer 1] op de achterbank) tegen de rijrichting in weggereden van het tankstation en vervolgens omgedraaid om de auto vervolgens op de parkeerplaats neer te zetten en de auto te verlaten. [slachtoffer 1] is vervolgens door een politieagent in die auto aangetroffen in een staat van verminderd bewustzijn, ondersteboven, met haar hoofd naar beneden, klem tussen de achterbank en de voorstoelen.

Feit 1 (vrijheidsberoving [slachtoffer 1] )

De rechtbank overweegt dat op basis van de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte [slachtoffer 1] tegen haar wil in heeft gedwongen uit de auto van [slachtoffer 2] te stappen en haar in zijn eigen auto heeft gezet. Door haar onder dwang de auto uit te laten stappen, haar vast te houden, haar met geweld in zijn auto te gooien en de drie jongens met wie zij in de auto zat te bedreigen, heeft hij een dusdanig bedreigende situatie gecreëerd voor [slachtoffer 1] , dat zij geen reële mogelijkheid meer had om vrijwillig de situatie te verlaten. Bovendien heeft hij haar door haar vast te houden fysiek gedwongen zijn auto in te gaan en daar te blijven, waarna zij in een staat van verminderd bewustzijn tussen de achterbank en voorstoelen gepropt niet meer in staat was weg te gaan. Verdachte heeft hier minst genomen opzettelijk de indruk gewekt bij [slachtoffer 1] dat zij niet weg kon uit de auto van verdachte. Gezien de bedreigende situatie waarin [slachtoffer 1] zich bevond, maakt het feit dat de deur van de auto niet afgesloten was, dit niet anders.

Het handelen van verdachte wijst naar de uiterlijke verschijningsvorm op vol opzet op het tegen haar wil in verplaatsen van [slachtoffer 1] naar zijn auto en haar vervolgens door medeverdachte [medeverdachte] naar een andere plek te laten brengen. Hiermee is verdachte degene geweest die [slachtoffer 1] in de auto heeft gedwongen en haar als het ware heeft overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte] , die [slachtoffer 1] verder van haar vrijheid beroofd heeft gehouden door met haar in de auto weg te rijden.

Gelet op bovenstaand samenstel van feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .

De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] . De rechtbank acht aldus het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, inclusief het medeplegen, maar met uitzondering van een groot deel van de daarin opgenomen geweldshandelingen.

Feit 2 (mishandeling [slachtoffer 1] )

De rechtbank overweegt dat het trekken aan de haren, schoppen en slaan van [slachtoffer 1] door verdachte enkel uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt. Hoewel de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer 1] is hiervoor geen steunbewijs, zoals bijvoorbeeld een letselverklaring, in het dossier te vinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van mishandeling van [slachtoffer 1] te komen en spreekt verdachte hiervan vrij.

Feit 3 (mishandeling [slachtoffer 2] )

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] door hem met een lifehammer op zijn hoofd te slaan.

Feit 4 (vernieling autoruiten)

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de ruiten van de auto van [slachtoffer 2] .

Feit 5 (bedreiging [slachtoffer 3] / [slachtoffer 2] / [slachtoffer 4] )

De rechtbank acht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd door hen een lifehammer voor te houden. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een lifehammer in zijn handen heeft gehad en [slachtoffer 2] daarmee op zijn hoofd heeft geslagen. Deze lifehammer is ook aangetroffen achter het tankstation. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] verklaren te zijn bedreigd en ook [slachtoffer 1] verklaart te hebben gehoord dat [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zijn bedreigd. De rechtbank kan niet vaststellen dat verdachte hierbij een mes of vuurwapen heeft gebruikt en concludeert dat verdachte de lifehammer in zijn hand heeft gehad en deze aan [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft voorgehouden. Dat zij zich daadwerkelijk bedreigd hebben gevoeld, blijkt uit hoe zij als reactie daarop hebben gehandeld. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn immers weggerend en hebben zich langere tijd verborgen gehouden.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1

op 28 januari 2024 te Oirschot tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] onder dwang uit een auto te laten stappen en die [slachtoffer 1] vast te pakken en vast te houden en vervolgens die [slachtoffer 1] in een andere auto te gooien en terwijl die [slachtoffer 1] in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, met die [slachtoffer 1] in de auto hard weg te rijden en vervolgens die [slachtoffer 1] in kwetsbare toestand en in een dubbelgevouwen houding achter de voorstoelen, in de auto achter te laten;

3

op 28 januari 2024 te Oirschot [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met een lifehammer op/tegen het hoofd te slaan;

4

op 28 januari 2024 te Oirschot opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een personenauto die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield;

5

op 28 januari 2024 te Oirschot [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met zware mishandeling door het portier van de auto waar die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] zich in bevonden open te trekken en een lifehammer uit zijn, verdachtes, kleding te halen en die lifehammer aan die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] voor te houden.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht – mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen – rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat verdachte zich tot dusver aan de bij de schorsing van de voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden heeft gehouden. De raadsman heeft bepleit bij een bewezenverklaring te volstaan met een taakstraf. De door de reclassering geadviseerde contra-indicatie daartoe is slechts gebaseerd op het niet tot stand komen van contact tussen de reclassering en verdachte, terwijl verdachte hiertoe wel bereid en in staat is. Tot slot heeft de raadsman verzocht in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de redelijke termijn is geschonden en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 28 januari 2024 samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn minderjarige zusje [slachtoffer 1] . Wederrechtelijke vrijheidsberoving is een ernstig feit, waarbij een grote inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Daar waar verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 1] vermist werd en met de verkeerde mensen omging, heeft [slachtoffer 1] zelf verklaard dat zij op pad was met enkele vrienden. Dit samenzijn is hardhandig opgebroken door verdachte. Verdachte heeft daarbij het gebruik van geweld en het uiten van bedreigingen niet geschuwd. Waar hij [slachtoffer 1] hardhandig in zijn eigen auto – opgevouwen tussen de achterbank en de voorstoelen – heeft geplaatst, is hij slachtoffer [slachtoffer 2] te lijf gegaan met een lifehammer en heeft hij slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] daarmee bedreigd. Ook de auto van deze [slachtoffer 2] moest het ontgelden en is met de lifehammer door verdachte vernield. Op verzoek van verdachte is medeverdachte vervolgens met [slachtoffer 1] achter in de auto weggereden. Verdachte en medeverdachte hebben zich daarbij niet bekommerd om de gevoelens van angst bij [slachtoffer 1] en dit moet grote impact op haar hebben gehad. Dat zij kort daarop is bevrijd, is te danken aan het snelle optreden van de politie. Ook op de overige slachtoffers hebben de bedreigingen en het geweld een diepe indruk gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Het zeer gewelddadige karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om geweld tegen andere mensen te gebruiken. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Het strafblad van verdachte telt zes pagina’s, maar hij is niet eerder vanwege geweldsdelicten veroordeeld. Daarnaast blijkt dat verdachte op 31 maart 2025 ter zake de Opiumwet is veroordeeld tot 100 uur taakstraf, waarvan 40 uur voorwaardelijk. Aangezien de bewezenverklaarde feiten dateren van 28 januari 2024, betekent dit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 september 2026. Het rapport is opgesteld op basis van het reeds bestaande reclasseringsdossier en referenteninformatie, omdat het de reclassering – ondanks herhaaldelijke pogingen daartoe – niet is gelukt in contact te komen met verdachte. Ook in het verleden is dit de reclassering nooit gelukt. Om die reden heeft de reclassering geen betrouwbare inschatting kunnen maken van het recidiverisico, het risico op letselschade of het risico op onttrekken aan voorwaarden. Wel worden er meerdere zorgelijke signalen gezien. Uit de beschikbare informatie is het beeld ontstaan dat verdachte weinig openheid geeft over eigen handelen, verantwoordelijkheid vooral buiten zichzelf lijkt te plaatsen en structureel niet bereikbaar is voor toezicht, hulpverlening en reclassering. Bij een veroordeling worden door de reclassering contra-indicaties gezien voor het opleggen van een taakstraf, nu verdachte niet bereikbaar is voor de reclassering en niet reageert op contactverzoeken.

Verdachte heeft er op geen enkel moment blijk van gegeven dat hij zich bewust is van het kwalijke en strafwaardige van zijn handelen. Dit blijkt uit zijn verklaring bij de politie, maar ook door niet te verschijnen ter terechtzitting. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee. Bovendien heeft verdachte niet meegewerkt aan het reclasseringsadvies, zodat de rechtbank weinig inzicht in de persoon van verdachte heeft gekregen en daar slechts beperkt rekening mee kan houden.

Overschrijding redelijke termijn

Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat tegenover verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. De rechtbank neemt in deze zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van inverzekeringstelling, 28 januari 2024, als uitgangspunt. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met circa negen maanden is overschreden. De rechtbank zal dit gegeven in matigende zin in de strafoplegging betrekken.

De strafoplegging

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

De rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, onder meer omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De rechtbank zal ook geen contactverbod opleggen aan verdachte met betrekking tot [slachtoffer 2] . Verdachte is al geruime tijd op vrije voeten en er zijn geen aanwijzingen dat hij in die tijd contact heeft gezocht met [slachtoffer 2] , terwijl een contactverbod geen deel uitmaakt van de schorsingsvoorwaarden. Daarom ziet de rechtbank hier niet de noodzaak toe.

De rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde, rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden, voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 282, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificatie en strafbaarheid

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 3:

mishandeling;

feit 4:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 5:

bedreiging met zware mishandeling;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

strafoplegging

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. A. van der Hilst en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,

en is uitgesproken op 19 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. A. van der Hilst
  • mr. I.C. Meuris

Griffier

  • mr. R. van Warners

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand