RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.123353.24
Datum uitspraak: 19 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2004] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 4 september 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] ,
wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
die [slachtoffer 1] (aan haar haren) uit een auto te trekken, althans die [slachtoffer 1] (onder dwang) uit een auto te laten stappen en/of die [slachtoffer 1] in en/of tegen haar gezicht en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in een andere auto te trekken en/of te gooien en/of terwijl die [slachtoffer 1] in een staat van bewusteloosheid, althans verminderd bewustzijn, verkeerde, met die [slachtoffer 1] in de auto hard weg te rijden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in bewusteloze, althans kwetsbare, toestand en/of in een dubbelgevouwen houding achter de voorstoelen, in de auto achter te laten;
subsidiair [medeverdachte] op of omstreeks 28 januari 2024 te Oirschot, in elk geval in Nederland,opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] (aan haar haren) uit een auto te trekken, althans die [slachtoffer 1] (onder dwang) uit een auto te laten stappen en/of die [slachtoffer 1] in en/of tegen haar gezicht en/of haar lichaam te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in een andere auto te trekken en/of te gooien en/of terwijl die [slachtoffer 1] in een staat van bewusteloosheid, althans verminderd bewustzijn, verkeerde, met die [slachtoffer 1] in de auto hard weg te rijden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in bewusteloze, althans kwetsbare, toestand en/of in een dubbelgevouwen houding achter de voorstoelen, in de auto achter te laten,bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 januari 2024te Oirschot, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door met de auto, waarin die [slachtoffer 1] zich in bewusteloze, althans kwetsbare, toestand, bevond, weg te rijden, althans die auto te verplaatsen.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde bepleit. Toen verdachte in de auto van de medeverdachte wegreed, was hij er niet van op de hoogte dat zich daar nog iemand in bevond. Daarom heeft verdachte geen opzet gehad op de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Het oordeel van de rechtbank
De gebezigde bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage I.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte en zijn neef, medeverdachte [medeverdachte] waren op zoek naar het zusje van medeverdachte [medeverdachte] : [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Toen medeverdachte [medeverdachte] door kreeg waar [slachtoffer 1] was, is hij op 28 januari 2024 in zijn auto naar het tankstation te Oirschot gereden. Daar zat [slachtoffer 1] met drie jongens in een auto. Medeverdachte [medeverdachte] is op die auto afgelopen, heeft het portier van de bijrijderskant open getrokken en [slachtoffer 1] op boze toon gesommeerd uit de auto te stappen. Hierbij heeft medeverdachte [medeverdachte] bedreigingen geuit richting de drie jongens die in de auto zaten, waarop de drie jongens zijn weggerend. Medeverdachte [medeverdachte] heeft vervolgens [slachtoffer 1] vastgehouden en haar in zijn eigen auto gegooid. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verdachte, gebeld, waarop verdachte in zijn eigen auto naar het tankstation is gereden. Toen verdachte bij het tankstation was, heeft medeverdachte [medeverdachte] tegen hem gezegd dat verdachte [slachtoffer 1] naar het bos moest brengen. Daarop is verdachte met de auto van medeverdachte [medeverdachte] (waarin [slachtoffer 1] zich bevond) weggereden. Inmiddels was de politie naar aanleiding van een melding naar het tankstation gekomen en werd het tankstation met meerdere dienstauto’s dichtgezet. Verdachte is in de auto van medeverdachte [medeverdachte] (met [slachtoffer 1] op de achterbank) tegen de rijrichting in weggereden van het tankstation en vervolgens omgedraaid om de auto op de parkeerplaats neer te zetten en de auto te verlaten. [slachtoffer 1] is vervolgens door een politieagent in die auto aangetroffen in een staat van verminderd bewustzijn, ondersteboven, met haar hoofd naar beneden, klem tussen de achterbank en de voorstoelen.
De rechtbank zal allereerst ingaan op het verweer van verdachte dat hij, toen hij wegreed met de auto van medeverdachte [medeverdachte] , niet wist dat zijn nichtje [slachtoffer 1] zich daarin bevond. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 1] heeft gehoord dat medeverdachte [medeverdachte] tegen verdachte heeft gezegd dat verdachte [slachtoffer 1] naar het bos moest brengen. [slachtoffer 1] bevond zich op dat moment in de auto van medeverdachte [medeverdachte] . Ook medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat [slachtoffer 1] in de auto zat. Bovendien was verdachte volgens zijn eigen verklaring al de hele dag op zoek naar [slachtoffer 1] en is hij juist naar het tankstation gereden omdat medeverdachte [medeverdachte] hem had verteld dat [slachtoffer 1] daar zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij niet wist dat [slachtoffer 1] in de auto zat omdat hij dit niet heeft gehoord van medeverdachte [medeverdachte] én hij haar niet in de auto heeft zien zitten, onder deze omstandigheden ongeloofwaardig. Hiermee is medeverdachte [medeverdachte] degene geweest die [slachtoffer 1] in de auto heeft gedwongen en haar als het ware heeft overgedragen aan verdachte, die [slachtoffer 1] verder van haar vrijheid beroofd heeft gehouden door met haar in de auto weg te rijden.
Gelet op bovenstaand samenstel van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat sprake was van een onderlinge rolverdeling en afstemming tussen verdachten en de bijdrage van verdachte aan de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] van voldoende gewicht is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking (medeplegen) tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .
De rechtbank concludeert dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] . De rechtbank acht aldus het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 28 januari 2024 te Oirschot tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] onder dwang uit een auto te laten stappen en die [slachtoffer 1] vast te pakken en vast te houden en vervolgens die [slachtoffer 1] in een andere auto te gooien en terwijl die [slachtoffer 1] in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, met die [slachtoffer 1] in de auto hard weg te rijden en vervolgens die [slachtoffer 1] in kwetsbare toestand en in een dubbelgevouwen houding achter de voorstoelen, in de auto achter te laten.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 304 dagen, waarvan 182 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – ten aanzien van de strafmaat slechts subsidiair opgemerkt dat verdachte geen strafblad heeft en met de beste intenties ter plaatse is gegaan. Ook betreft het een oude zaak en is de redelijke termijn geschonden.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 28 januari 2024 samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn minderjarige nichtje [slachtoffer 1] . Wederrechtelijke vrijheidsberoving is een ernstig feit, waarbij een grote inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Daar waar verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 1] vermist werd en met de verkeerde mensen omging, heeft [slachtoffer 1] zelf verklaard dat zij op pad was met enkele vrienden. Dit samenzijn is hardhandig opgebroken door medeverdachte. Op het moment dat verdachte ter plaatse is gekomen – naar eigen zeggen omdat [slachtoffer 1] terecht zou zijn – treft hij een woedende medeverdachte, een auto met kapotte ruiten en een van de vrienden van [slachtoffer 1] , bloedend op de grond. [slachtoffer 1] zelf bevindt zich op dat moment opgevouwen in de auto van medeverdachte, tussen de achterbank en de voorstoelen. Op verzoek van medeverdachte is verdachte vervolgens in de auto met [slachtoffer 1] weggereden. Verdachte en medeverdachte hebben zich daarbij niet bekommerd om de gevoelens van angst bij [slachtoffer 1] en dit moet grote impact op haar hebben gehad. Dat zij kort daarop is bevrijd, is te danken aan het snelle optreden van de politie.
De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte niet aanwezig was toen [slachtoffer 1] door de medeverdachte uit de auto werd gehaald en in de auto van de medeverdachte werd gegooid. Verdachte heeft bovendien niet actief deelgenomen aan het geweld. Hiermee heeft verdachte een aanzienlijk kleinere rol gehad dan de medeverdachte. Het lijkt erop dat verdachte – overvallen door de situatie – een verkeerde keuze heeft gemaakt.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft ook gezien dat verdachte niet eerder vanwege een strafbaar feit is veroordeeld. Verdachte kent naar eigen zeggen geen problemen op leefgebieden en is voornemens opnieuw te starten aan een opleiding in de beveiliging. Sinds het tijdstip waarop het door hem gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad, is ruim 2,5 jaar verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal dit in de strafoplegging betrekking.
Overschrijding redelijke termijn
Iedere verdachte heeft het recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat tegenover verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. De rechtbank neemt in deze zaak bij de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn de dag van inverzekeringstelling, 28 januari 2024, als uitgangspunt. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar stelt de rechtbank vast dat deze termijn met circa negen maanden is overschreden. De rechtbank zal dit gegeven in matigende zin in de strafoplegging betrekken.
De strafoplegging
Gelet op enerzijds de ernst van het feit en anderzijds de – ten opzichte van de medeverdachte – kleinere rol bij het bewezenverklaarde, de gedateerdheid van het feit en de overschrijding van de redelijk termijn is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 200 uur met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
De rechtbank legt daarmee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde, rekening houdend met de hiervoor genoemde omstandigheden, voldoende tot uitdrukking brengt.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificatie en strafbaarheid
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
primair
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
strafoplegging
legt op de volgende straf:
een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.M. Hettinga, voorzitter,
mr. A. van der Hilst en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 19 oktober 2026.