RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.283640.25
Datum uitspraak: 23 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak (279 Sv) gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 september 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, Hugo van der Goeslaan, gaande in de richting van de Piuslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden
door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-na gebruik van (een) in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten, amfetamine en/of MDMA,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof meer dan 700 microgram amfetamine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof(fen) vermelde grenswaarde, en/of
het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 19 microgram MDMA per liter bloed bedroeg,
- de kruising van de Hugo van der Goeslaan en/of Piuslaan met de Geldropseweg te naderen en/of op te rijden en/of (daarbij) een voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren, terwijl dat verkeerslicht reeds 9 seconden rood licht uitstraalde en/of (vervolgens)
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding en/of botsing is ontstaan met een op die kruising overstekende fietser en/of met een op die kruising overstekende bromfietser,
waardoor (een) ander(en),
te weten die fietser genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of een gebroken onderbeen, waarvoor operatie noodzakelijk was, en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond en/of
waardoor die bromfietser, genaamd [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of meerdere kneuzingen, en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede lid en/of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Hugo van der Goeslaan, gaande in de richting van de Piuslaan,
- de kruising van de Hugo van der Goeslaan en/of Piuslaan met de Geldropseweg is genaderd en/of opgereden en/of (daarbij) een voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd, terwijl dat verkeerslicht reeds 9 seconden rood licht uitstraalde en/of (vervolgens)
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor, althans mede waardoor, een aanrijding en/of botsing is ontstaan met een op die kruising overstekende fietser en/of met een op die kruising overstekende bromfietser,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 10 juni 2025 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen,
na gebruik van een of meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 700 microgram bedroeg,
zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsbeslissing.
Inleiding.
Verdachte wordt verweten dat hij door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor twee slachtoffers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen (feit 1 primair, artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW), dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op de weg heeft gehinderd (feit 1 subsidiair, artikel 5 WVW). Daarnaast wordt hem verweten dat hij heeft gereden onder invloed van amfetamine en/of MDMA (feit 2, artikel 8, vijfde lid, WVW).
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit 1 primair en feit 2. Ten aanzien van feit 1 primair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een zeer hoge mate van schuld en dat de slachtoffers door het ongeval (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen. De officier van justitie heeft daarbij naar voren gebracht dat de strafbare grenswaardes van amfetamine ook gelden voor medicijngebruikers, maar dat in dit geval de hoeveelheid amfetamine niet kan worden verklaard door enkel medicatiegebruik.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor feit 1 primair en feit 2. Subsidiair heeft zij ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat hoogstens sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid.
Ten aanzien van feit 1 primair heeft zij daartoe kort samengevat aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte door rood licht is gereden, dat de hoge amfetamineconcentratie in het bloed hoogstwaarschijnlijk is toe te schrijven aan medisch voorgeschreven ADHD-medicatie en dat geen sprake is van een ernstige snelheidsoverschrijding.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de hoeveelheid amfetamine in het bloed mogelijk afkomstig is van medicatiegebruik en dat daarom geen sprake is van rijgevaarlijke bijwerkingen.
De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van feit 1 subsidiair aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De feiten en omstandigheden.
Op 10 juni 2025 omstreeks 17:27 uur heeft er op de Piuslaan met kruising Geldropseweg in Eindhoven een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een personenauto in botsing is gekomen met een fietser en een bromfietser. Door het ongeval hebben de slachtoffers lichamelijk letsel opgelopen.
Niet ter discussie staat dat verdachte de bestuurder was van de personenauto en dat hij reed over de Hugo van der Goeslaan in Eindhoven in de richting van de Piuslaan. [slachtoffer 2] (bestuurster bromfiets, hierna: [slachtoffer 2] ) en [slachtoffer 1] (bestuurder fiets, hierna: [slachtoffer 1] ) kwamen vanaf het centrum van Eindhoven en staken bij het verkeerslicht op de Geldropseweg over in de richting van Geldrop. Uit de verklaringen van getuigen blijkt dat hun verkeerslicht op dat moment groen licht uitstraalde.
Door de raadsvrouw is ter terechtzitting naar voren gebracht dat sprake zou zijn geweest van een chaotische verkeerssituatie. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat van een chaotische verkeerssituatie geen sprake was. De getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) verklaart dat de personenauto’s komende uit de richting van verdachte kort voor het ongeval groen hebben gehad. Hij verklaart dat de stroom auto’s uit die richting voorbij is gereden. Hij ziet dat het verkeersplein vervolgens nagenoeg leeg is, er staan alleen voertuigen op de kruising welke linksaf moeten slaan in de richting van Geldrop. Vervolgens ziet hij de personenauto van verdachte aankomen en in de richting van de Piuslaan rijden. Verdachte raakt vervolgens de slachtoffers. De verklaring van deze getuige past bij de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] . Hij stelt vast dat het op het kruispunt voorafgaand en omstreeks het tijdstip van het verkeersongeval weliswaar druk was, maar dat niet is gebleken van verstoringen in de verkeersafwikkeling die erop wijzen dat het kruispunt op dat moment geblokkeerd was of dat het verkeer onvoldoende kon doorstromen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen ook vast dat verdachte een rood verkeerslicht heeft genegeerd, hetgeen hij ontkent. De rechtbank leidt dit af uit de hiervoor aangehaalde verklaring van [getuige] , de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van het ongeval 30 à 40 km/u reed en de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] . Verbalisant [verbalisant 2] stelt vast dat vlak voor het ongeval een personenauto uit de rijrichting van verdachte de stopstreep is gepasseerd, terwijl het verkeerslicht op dat moment al negen seconden rood licht uitstraalde. De plek van de botsing kan door die personenauto met een snelheid van 40 à 50 km/u bereikt zijn binnen de tijd dat de bromfietser en de fietser overstaken.
Bij verdachte is na het ongeval bloed afgenomen. Het bloed van verdachte is onderzocht. In het bloed van verdachte zat meer dan 700 microgram amfetamine per liter. Dit is ruim meer dan de grenswaarde van 50 microgram amfetamine per liter. Daarnaast zat in het bloed van verdachte 19 microgram MDMA per liter, hetgeen binnen de grenswaarde valt.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte medicatie gebruikte die de hoge waarde van amfetamine in het bloed van verdachte kan verklaren. De rechtbank volgt dit verweer niet. De stelling van de verdediging is onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk geworden.
Bij verdachte is een zeer hoge hoeveelheid amfetamine in zijn bloed aangetroffen. Bovendien heeft verdachte tijdens een politieverhoor ongeloofwaardig verklaard dat hij geen drugs gebruikte, terwijl uit het bloedonderzoek ook het gebruik van MDMA naar voren is gekomen en verdachte bij zijn aanhouding na de cautie spontaan verklaarde dat hij afgelopen vrijdag amfetamine gebruikt had. De rechtbank gaat er daarom van uit dat sprake is geweest van drugsgebruik.
Het juridisch kader 6 WVW.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich als deelnemer aan het verkeer zo heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld.
De mate van schuld.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het rijgedrag van verdachte niet kan worden aangemerkt als roekeloosheid.
De rechtbank is van oordeel dat het rijgedrag van verdachte wel is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend. Verdachte is onder invloed van drugs gaan autorijden en hij is door rood licht gereden. Uit het onderzoek is gebleken dat het verkeerslicht al negen seconden rood licht uitstraalde voordat verdachte het verkeerslicht passeerde. Vervolgens heeft hij de slachtoffers niet tijdig opgemerkt en een aanrijding niet kunnen voorkomen. Dat betekent dat verdachte langere tijd niet oplettend is geweest.
Daarmee is sprake van schuld in de vorm van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van art. 6 WVW.
De aard van het letsel.
De rechtbank kwalificeert het letsel van [slachtoffer 1] , dat bestaat uit een enkelbreuk, als zwaar lichamelijk letsel. Medisch ingrijpen was noodzakelijk; er zijn meerdere pinnen in zijn enkel geplaatst. Hij ondervindt nog dagelijks last.
Ook het letsel van [slachtoffer 2] kwalificeert de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel. Haar letsel bestaat uit een hersenschudding en klachten aan nek en voet. Voor haar voet, die ruim een jaar later nog steeds gezwollen is, staat zij nog altijd onder behandeling van een podotherapeut. Daarnaast zijn haar geheugen en haar concentratie sinds het ongeval sterk achteruitgegaan. Hierdoor heeft zij studievertraging opgelopen. Ook kon zij haar werkzaamheden als schoonmaakster in een bejaardentehuis niet meer uitvoeren. Op dit moment volgt zij een intensief revalidatietraject en is er nog geen uitzicht op volledig herstel.
Conclusie.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde, namelijk overtreding van artikel 6 WVW, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van die wet.
Daarnaast acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde, te weten overtreding van artikel 8, vijfde lid, WVW.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
T.a.v. feit 1 primair:
op 10 juni 2025 te Eindhoven, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, Hugo van der Goeslaan, gaande in de richting van de Piuslaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,
- na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten, amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof meer dan 700 microgram amfetamine per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde,
- de kruising van de Hugo van der Goeslaan en Piuslaan met de Geldropseweg te naderen en op te rijden en daarbij een voor zijn rijrichting bestemd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren, terwijl dat verkeerslicht reeds 9 seconden rood licht uitstraalde en
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
waardoor een aanrijding is ontstaan met een op die kruising overstekende fietser en met een op die kruising overstekende bromfietser,
waardoor anderen,
te weten bij die fietser genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, waarvoor operatie noodzakelijk was, ontstond en
waardoor bij die bromfietser, genaamd [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en meerdere kneuzingen, ontstond,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
T.a.v. feit 2:
op 10 juni 2025 te Eindhoven, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine,
terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 700 microgram bedroeg,
zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Tijdens het spreekrecht is op invoelbare wijze naar voren gekomen welke lichamelijke en psychische gevolgen [slachtoffer 2] ervaart door het ongeval en het daardoor ontstane letsel. Tot op de dag van vandaag werkt zij aan haar fysieke en mentale herstel. Uit het dossier blijkt dat ook [slachtoffer 1] nog dagelijks last heeft van zijn enkel. Die enkel zal nooit meer functioneren zoals voorheen. De levens van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn door de keuze van verdachte om na het gebruik van drugs te gaan autorijden en door zijn rijgedrag ingrijpend veranderd. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij slechts in zeer beperkte mate verantwoordelijkheid neemt.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In het geval van ernstige schuld aan het veroorzaken van een verkeersongeval, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg en ook sprake is geweest van drugsgebruik, is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.
De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een taakstraf met eventueel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar. Een taakstraf in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van het bewezenverklaarde.
De rechtbank zal wel een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank niet uit van een zeer hoge mate van schuld, maar van ernstige schuld.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
57 van het Wetboek van Strafrecht
6, 8, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1 primair:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.
T.a.v. feit 2:
Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.
T.a.v. feit 1 primair, feit 2:
Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. N.A. Schipper, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is uitgesproken op 23 oktober 2026.
Mr. N.A. Schipper is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.