RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer : 01.210605.25
Datum uitspraak : 21 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 september 2026 en 14 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 september 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 18 juni 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk Audi, type Q2, voorzien van het kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over de weg, de Eindhovenseweg
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of
- te rijden met een snelheid tussen de 89 en 126 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en/of
- te rijden met een gelet op de verkeersveiligheid en/of verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid en/of
- zijn motorrijtuig niet tijdig tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was tengevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met een overstekende fietser, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] werd gedood.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Naar het oordeel van de officier van justitie heeft verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt door roekeloos rijgedrag te vertonen, als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het verwijt dat hem wordt gemaakt, omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor het causaal verband tussen het rijgedrag en ongeval. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen - het rijgedrag van verdachte gekwalificeerd moet worden als zeer onvoorzichtig en onoplettend.
De bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De bewijsbeslissing.
Feiten en omstandigheden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 18 juni 2025 met zijn auto over de Eindhovenseweg reed in de richting van Geldrop. Het slachtoffer reed op zijn fiets over het naast deze weg gelegen fietspad in dezelfde rijrichting. Vanaf ongeveer 1100 meter van de plek van het ongeval heeft de verdachte meerdere verkeersovertredingen begaan. Zo heeft hij op drie opeenvolgende kruispunten via de rijstrook voor afslaand verkeer de auto’s voor hem ingehaald, om vervolgens zijn weg rechtdoor te vervolgen. Bij de eerste inhaalmanoeuvre reed de verdachte 87,8 kilometer per uur en bij de derde inhaalmanoeuvre reed hij 82 kilometer per uur, terwijl de maximumsnelheid ter plaatse 50 kilometer per uur bedroeg. De verdachte heeft zijn snelheid vervolgens nog verder verhoogd. Uit gegevens uit de Event Data Recording (EDR) in de auto van de verdachte blijkt dat zijn snelheid 1,5 seconde voorafgaand aan het ongeval is opgelopen tot 126 kilometer per uur en daaraan voorafgaand sprake is van een voortdurende acceleratie. Bij de oversteekplaats voor voetgangers en fietsers ter hoogte van de T-kruising van de Eindhovenseweg met de Hulsterweg heeft de verdachte het slachtoffer aangereden toen het slachtoffer de Eindhovenseweg overstak. De verdachte heeft nog geremd, maar op het moment van de aanrijding reed hij nog met een snelheid van 89 kilometer per uur, waar nog altijd 50 kilometer per uur was toegestaan. Het slachtoffer is met ernstig letsel naar het ziekenhuis gebracht, waar hij enkele weken later is overleden.
Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) te komen, moet worden bewezen dat een verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het ongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Daarbij komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij de vaststelling van de mate waarin een verdachte schuld heeft aan een ongeval, wordt onderscheid gemaakt tussen roekeloos, zeer onvoorzichtig en onoplettend en aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl deze verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, in samenhang met artikel 6 van de WVW is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de WVW kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid, van de WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Als de verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405).
Causaal verband.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval.
Voor het vaststellen van het causaal verband is, anders dan de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd, in dit geval niet vereist dat sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor het scenario dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden indien de verdachte de maximaal toegestane snelheid zou hebben gereden. De maatstaf bij het vaststellen van het causaal verband is of het ongeval redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen van de verdachte aan de verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat als oorzaak van het ongeval moet worden aangemerkt dat de verdachte bij het naderen van de oversteekplaats waar het ongeval plaatsvond voortdurend zijn snelheid heeft verhoogd en de maximumsnelheid ter plaatse buitengewoon fors heeft overschreden. Hierdoor was het voor de verdachte niet mogelijk om op het slachtoffer te reageren en tijdig voor hem te remmen. Bovendien hoefde het slachtoffer er ook niet bedacht te zijn dat er een auto met een dergelijke snelheid op de oversteekplaats af kwam stormen. Als gevolg van het gedrag van verdachte is hij met het slachtoffer in botsing gekomen. Het ontstaan van het verkeersongeval is dan ook redelijkerwijs aan hem toe te rekenen, zodat er sprake is van het vereiste causale verband.
Mate van schuld.
Vervolgens is het de vraag of de verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval en, zo ja, in welke mate. Nu de officier van justitie ook de zwaarste schuldvorm, roekeloosheid, ten laste heeft gelegd, zal de rechtbank beoordelen of daarvan sprake is.
a. Schenden van de verkeersregels
De verdachte heeft ernstige snelheidsovertredingen begaan en daarnaast heeft hij tot drie keer toe een gevaarlijk inhaalmanoeuvre uitgevoerd. Deze gedragingen zijn in artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder b en g van de WVW uitdrukkelijk benoemd als voorbeelden van het schenden van de verkeersregels. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat de inhaalmanoeuvres niet als zodanig in de tenlastelegging zijn opgenomen, anders dan de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd, niet betekent dat deze niet bij de beoordeling van de (mate van) schuld mogen worden betrokken (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398 rechtsoverweging 2.6.1).
In ernstige mate
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte reed binnen de bebouwde kom en daarmee in een gebied waar zich kwetsbare verkeersdeelnemers, zoals voetgangers en fietsers begeven. Dat heeft de verdachte er niet van weerhouden om tot drie keer toe op hoge snelheid een gevaarlijk inhaalmanoeuvre uit te voeren en om vervolgens bij het naderen van een wegversmalling zijn snelheid nog verder te verhogen tot 126 kilometer per uur. Ter plaatse van het ongeval waren de rijbanen door middel van een vluchtheuvel van elkaar gescheiden. Bovendien was daar sprake van een oversteekplaats voor voetgangers en fietsers. Ondanks deze bijzondere verkeerssituatie reed de verdachte bij het naderen daarvan voortdurende accelererend tweeënhalf keer de maximaal toegestane snelheid. Gelet op dit samenstel van gedragingen van de verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Opzettelijk
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen kan het naar het oordeel van de rechtbank ook niet anders dan dat de verdachte de verkeersovertredingen opzettelijk heeft begaan en dat zijn opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Gevaar te duchten
Met zijn gedragingen heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen. Andere verkeersdeelnemers waren niet bedacht op het gedrag van de verdachte en de snelheid waarmee hij heeft gereden, en konden dat ook niet zijn. Bovendien maakten zijn gedragingen het voor hemzelf ook onmogelijk om tijdig op stuurbewegingen van andere verkeersdeelnemers te reageren. Door zich zodanig te gedragen is het voorzienbaar dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat. Dat een dergelijke situatie zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt wel uit het feit dat de verdachte een dodelijk verkeersongeval heeft veroorzaakt.
Conclusie.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedragingen van de verdachte moeten worden aangemerkt als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a van de WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan het ongeval, namelijk roekeloosheid.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de bij dit vonnis gevoegde bijlage – bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 18 juni 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk Audi, type Q2, voorzien van het kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over de weg, de Eindhovenseweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos
- onvoldoende aandacht te hebben voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en
- te rijden met een snelheid tussen de 89 en 126 kilometer per uur en daarmee harder dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur en
- te rijden met een gelet op de verkeersveiligheid en verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid en
- zijn motorrijtuig niet tijdig tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan hij met zijn motorrijtuig in botsing is gekomen met een overstekende fietser, waardoor [slachtoffer] werd gedood.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden én een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van verdachte heeft – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen – bepleit dat de rechtbank aan verdachte zal opleggen een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uur, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, waarvan een substantieel deel voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De aard en ernst van het feit.
Verdachte heeft als automobilist een onverantwoord risico genomen door met snelheden tot 126 kilometer per uur binnen de bebouwde kom te rijden. Als gevolg daarvan heeft hij niet tijdig kunnen stoppen voor een overstekende fietser en is hij tegen hem aangereden. Het slachtoffer heeft hierbij ernstige verwondingen opgelopen en is later aan de gevolgen daarvan overleden. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit met onomkeerbare gevolgen. Het slachtoffer is door toedoen van verdachte uit het leven weggerukt. Het plotseling overlijden van het slachtoffer heeft groot leed bij de nabestaanden teweeggebracht. Uit de indrukwekkende en invoelbare slachtofferverklaringen van de echtgenote en de kinderen van het slachtoffer blijkt hoe ingrijpend het ongeval voor hen is geweest. Hun wereld is ingestort door het plotselinge verlies van hun echtgenoot en vader.
De rechtbank neemt het verdachte bovendien buitengewoon kwalijk dat hij zich ook in de minuten voorafgaand aan het fatale ongeval volstrekt niets heeft aangetrokken van de verkeersregels, gelet op zijn foutieve inhaalmanoeuvres en snelheidsovertredingen. Dat verdachte zich van dit alles niets kan herinneren acht de rechtbank niet geloofwaardig. Datzelfde geldt voor zijn langere tijd volgehouden stelling dat hij dacht 55 kilometer per uur te rijden. Verdachte heeft met deze proceshouding aangetoond dat hij geen openheid van zaken wil geven en heeft daarmee ook extra leed aan de nabestaanden toegebracht. Ook dat rekent de rechtbank hem aan.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 20 augustus 2026. Daaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. In het strafblad van verdachte zijn daarom geen strafverzwarende omstandigheden gelegen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 8 september 2026 dat over de persoon van verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt dat verdachte een belaste jeugd binnen een problematisch gezinssysteem kent. Daarnaast is er sprake van een licht verstandelijke beperking van waaruit ook problemen kunnen ontstaan op het gebied van impulsiviteit en agressiebeheersing. Sinds 2015 is hulpverlening intensief betrokken. Er is sprake van een WLZ-indicatie voor 24-uurszorg. Sinds het ongeval is het bergafwaarts gegaan met verdachte. Hij ervaart forse psychische klachten die voortkomen uit een trauma. Deze klachten zijn dermate ernstig dat verdachte in de Ziektewet terecht is gekomen en zijn dagelijkse functioneren daardoor wordt belemmerd. De hulpverlening is geïntensiveerd en verdachte zal starten met een EMDR-therapie wanneer de onderhavige strafzaak is afgerond. Vanwege de proceshouding van verdachte kan de reclassering geen criminogene factoren benoemen en ook geen inschatting maken van het eventuele recidiverisico. Wel stelt zij dat er ten tijde van het onderhavige feit geen problemen waren op de diverse leefgebieden. Omdat er geen criminogene factoren te benoemen zijn waar de reclassering eventueel op zou moeten inzetten, de huidige psychische problematiek niet aanwezig was ten tijde van het delict maar juist een gevolg daarvan is en de hulpverlening inmiddels is opgeschaald, ziet de reclassering geen noodzaak voor reclasseringsinterventies. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De rechtbank zal bij de strafmaat ook rekening mee houden met de impact die het strafbare feit op verdachte zelf heeft gehad, zoals hiervoor geschetst. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte op de zitting spijt heeft betuigd, waarin hij oprecht overkomt en dat hij ermee zal moeten leren leven dat door zijn toedoen een mensenleven is ontnomen. Dit alles neemt echter niet weg dat de aard en ernst van het feit zonder meer een forse straf rechtvaardigen.
De straffen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank realiseert zich dat in de ogen van de nabestaanden wellicht geen enkel straf zwaar genoeg is en in ieder het aangedane leed niet kan herstellen. Ook in dat licht bezien
doet de door de raadsvrouw voorgestelde strafafdoening geen recht aan de geschetste ernst van het feit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie daarentegen een weloverwogen eis neergelegd, waar de rechtbank zich in kan vinden.
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. Daarbij is niet alleen vergelding voor het specifieke misdrijf een strafdoel. Ook voor andere weggebruikers moet duidelijk zijn dat dergelijk onverantwoord rijgedrag forse strafrechtelijke consequenties kan hebben.
Daarnaast zal de rechtbank, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Verdachte heeft met zijn rijgedrag bewezen dat hij niet over de vaardigheden van een verantwoorde automobilist beschikt en daarmee een gevaar op de weg vormt. De rechtbank acht daarom een rijontzegging voor de maximale duur passend en geboden. De tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevorderd en ingehouden is geweest, zal hierop in mindering wordt gebracht.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht alsmede op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het wijzen van dit vonnis rechtens gelden.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straffen:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar;
bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,
en is uitgesproken op 21 oktober 2026.