ECLI:NL:RBOBR:2026:7472

ECLI:NL:RBOBR:2026:7472

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 01-044021-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

De verdachte gedroeg zich als bestuurster van een auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend door met een te hoge snelheid een kruising te naderen, daarbij onvoldoende te letten op het verkeer en aangekomen op die kruising een van rechts komende fietser geen voorrang te verlenen. Als gevolg daarvan kwam de verdachte in botsing met het slachtoffer die zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 uur en een rijontzegging van 9 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De verdachte moet het slachtoffer een schadevergoeding betalen van 2.500 euro.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer : 01.044021.26

Datum uitspraak : 21 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 september 2026 en 14 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 augustus 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 21 mei 2025 te Veghel, gemeente Meierijstad, althans in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de Pater van de Elsenlaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- terwijl zij beginnend bestuurder was,

- (tijdens het rijden) met een mobiele telefoon een bericht te sturen via Snapchat en/of te bellen (via Snapchat) en/of die mobiele telefoon op andere wijze te bedienen (terwijl zij deze in haar hand had) en/of

- te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of

- bij het naderen van de kruising met de Lage Landstraat, het Binnenveld en/of de J.G. Wiebengastraat niet, althans in onvoldoende mate, haar snelheid aan te passen aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden en/of

- in onvoldoende mate te letten of te blijven letten op het van rechts komende verkeer vanuit de J.G. Wiebengastraat, waar zich op dat moment een van rechts komende fietser bevond en/of

- haar, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was en/of

- (vervolgens) deze van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang te verlenen en/of ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en die fiets en/of de bestuurder van die fiets,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de schedel en/of een gebroken rib en/of een gebroken vinger en/of een klaplong en/of een kaakluxatie werd toegebracht en/of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie heeft verdachte een aan haar schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag te vertonen, als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit, omdat de gedragingen van verdachte zijn aan te merken als één enkele verkeersfout. Dat is volgens de raadsman onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Ook heeft de raadsman aangevoerd dat het letsel van het slachtoffer niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel en dat evenmin is gebleken dat sprake is van zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsbeslissing.

Feiten en omstandigheden.

Op 21 mei 2025 reed de verdachte in haar auto over de Pater van den Elsenlaan in Veghel, in de richting van het Binnenveld. Het slachtoffer reed op zijn fiets over de J.G. Wiebengastraat in de richting van de Lage Landstraat. Op de kruising van voornoemde straten heeft de verdachte geen voorrang verleend aan het slachtoffer, die voor haar van rechts kwam. Als gevolg daarvan heeft de verdachte het slachtoffer aangereden.

Uit onderzoek door de politie naar camerabeelden met zicht op de kruising is gebleken dat het slachtoffer de kruising nadert, zijn linkerarm zijwaarts en horizontaal uitsteekt en vervolgens een bocht maakt op de kruising, in de richting van de Pater van den Elsenlaan. De verdachte komt uit de richting van de Pater van den Elsenlaan en rijdt in een rechte lijn door, zonder uit te wijken voor het slachtoffer. Pas nadat zij het slachtoffer raakt, wijkt zij uit naar rechts. De verdachte komt met haar auto in de groenstrook terecht. Het slachtoffer komt op het wegdek terecht en houdt ernstige verwondingen over aan het ongeval.

Bij de politie en op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij niet begrijpt hoe het ongeval heeft kunnen gebeuren en dat zij het slachtoffer helemaal over het hoofd heeft gezien. Ook heeft zij verklaard dat zij voorafgaand aan en tijdens het ongeval haar mobiele telefoon niet handmatig heeft bediend.

Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte door haar gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW en zo ja, in welke mate. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van de verkeersovertreding(en) en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW. Van schuld is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid. Het rijgedrag van de verdachte moet daarvoor worden afgezet tegen dat wat van de gemiddelde verkeersdeelnemer mag worden verwacht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte schuld aan het verkeersongeval en is haar verkeersgedrag aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat op de beschikbare camerabeelden te zien is dat de verdachte, terwijl het slachtoffer de kruising op draait en daarbij zijn hand uitsteekt, op geen enkele manier op hem reageert. Zij rijdt in een rechte lijn door, zonder uit te wijken of snelheid te verminderen. Dit terwijl de verdachte, nu zij een kruising naderde, gehouden was om haar snelheid daarop aan te passen, zodanig dat zij in staat was haar auto tijdig tot stilstand te brengen. Nu het slachtoffer voor haar van rechts kwam had zij hem voorrang moeten verlenen. Bovendien vond het ongeval plaats bij daglicht, waren de weersomstandigheden goed en had de verdachte vrij zicht. Bij het naderen en oversteken van de kruising had de verdachte het slachtoffer dus moeten kunnen zien. Het slachtoffer is op het moment dat de verdachte de kruising nadert ook al dermate ver de kruising op gefietst dat hij niet verscholen kan zijn geweest achter de A-stijl van de auto, zoals de verdachte als mogelijkheid naar voren heeft gebracht.

De rechtbank volgt de verdediging in het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte tijdens het autorijden haar mobiele telefoon handmatig heeft bediend. De reden daarvoor is dat uit het dossier weliswaar blijkt van een “outcoming message” van Snapchat, maar dit bericht is enkele seconden nadat het ongeval heeft plaatsgevonden, verstuurd. De verdachte heeft hierover bovendien verklaard dat deze registratie vermoedelijk ziet op het beëindigen van een telefoongesprek via Snapchat. Enkel op basis van de registratie van deze “outcoming message” kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de verdachte kort voor of tijdens het ongeval haar telefoon handmatig heeft bediend. De verdachte zal op dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Aard van het letsel.

Het slachtoffer heeft aan het ongeval een breuk in de schedel, een gebroken rib, een gebroken vinger, een klaplong en een kaakluxatie overgehouden. Als gevolg daarvan heeft hij na het ongeval twee dagen in het ziekenhuis verbleven en is er enkele dagen later opnieuw onderzoek gedaan vanwege toenemende klachten. Uit contact tussen het slachtoffer en de politie in februari 2026 is gebleken dat het slachtoffer in de eerste maanden na het ongeval hoofdpijn had en slecht sliep, dat het sinds december 2025 wat beter met hem gaat, maar ook dat hij in het eerste kwartaal van 2026 opnieuw naar de neuroloog moet. Gelet op de verwondingen in zijn totaliteit, de klachten die het slachtoffer maandenlang heeft ervaren en het gegeven dat hij (in elk geval) 9 maanden na het ongeval nog altijd onder controle staat van de neuroloog, is de rechtbank van oordeel dat het letsel moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en daarmee schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het ten laste gelegde feit is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de bij dit vonnis gevoegde bijlage – bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 21 mei 2025 te Veghel, gemeente Meierijstad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een personenauto (een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] ) daarmede rijdende over de weg, de Pater van den Elsenlaan,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- terwijl zij beginnend bestuurder was,

- te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en

- bij het naderen van de kruising met de Lage Landstraat, het Binnenveld en de J.G. Wiebengastraat niet, althans in onvoldoende mate, haar snelheid aan te passen aan de situatie en/of plaatselijke omstandigheden en

- in onvoldoende mate te letten of te blijven letten op het van rechts komende verkeer vanuit de J.G. Wiebengastraat, waar zich op dat moment een van rechts komende fietser bevond en

- haar, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was en

- vervolgens deze van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang te verlenen ten gevolge waarvan een botsing of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door verdachte bestuurde motorrijtuig en de bestuurder van die fiets,

waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de schedel en een gebroken rib en een gebroken vinger en een klaplong en een kaakluxatie werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen – bepleit dat de rechtbank zal volstaan met het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf. Ook heeft hij zich op het standpunt gesteld dat een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen achterwege moet blijven of hooguit geheel voorwaardelijk moet worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De aard en ernst van het feit.

Verdachte heeft zich als bestuurster van een auto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen door met een te hoge snelheid een kruising te naderen, daarbij onvoldoende te letten op het verkeer en aangekomen op die kruising een van rechts komende fietser (het slachtoffer) geen voorrang te verlenen. Als gevolg daarvan is verdachte in botsing gekomen met het slachtoffer die zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Met haar handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke gezondheid en integriteit van het slachtoffer en in meer algemene zin ook de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het ongeval een grote impact heeft gehad en nog steeds heeft op het leven van het slachtoffer. De rechtbank realiseert zich dat verdachte dit ongeval nooit heeft gewild en dat ook zij de gevolgen ervan betreurt. Dat neemt echter niet weg dat de verdachte, juist als beginnend, onervaren bestuurster, meer voorzichtigheid had moeten betrachten.

De persoon van verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor enig strafbaar feit. In het strafblad van verdachte zijn dan ook geen strafverzwarende omstandigheden gelegen.

De op te leggen straffen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Bij een verkeersongeval met aanmerkelijke schuld, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en waarbij verdachte niet verkeerde onder invloed van alcohol of drugs, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uur én een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

De door de verdediging bepleitte afdoening acht de rechtbank geen recht doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit. Wel zal de rechtbank iets afwijken van voornoemd uitgangspunt om de reden dat verdachte een schuldbewuste proceshouding heeft aangenomen, first offender is en haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk. Dit neemt niet weg dat verdachte de consequenties van haar handelen wel behoort te ondervinden.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht. Daarnaast zal de rechtbank opleggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid dient als stok achter de deur, zodat de verdachte ook in de toekomst extra goed oplet in het verkeer.

De rechtbank zal hiermee een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan waar de strafeis van de officier van justitie op is gebaseerd en zij van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 26,04 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding bestaat uit reiskosten die gemaakt zijn ten behoeve van een bespreking op het kantoor van de raadsman (€ 19,83) en ten behoeve van het bijwonen van de zitting (€ 6,21).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het geheel aan fysiek en psychisch letsel een vergoeding van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, kan rechtvaardigen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat de vordering in strijd is met de beginselen van behoorlijke procesorde. De vordering is namelijk op een zeer laat moment ingebracht, waardoor de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest tot het voeren van verweer. Bovendien is het civiele schaderegelingstraject niet doorlopen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, omdat de beoordeling van de gestelde psychische en lichamelijke klachten nader onderzoek vergt en daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Uiterst subsidiair heeft de raadsman bepleit dat een aanzienlijk gematigd bedrag aan immateriële schadevergoeding toegekend moet worden.

Het oordeel van de rechtbank.

De ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde partij zich niet alleen voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting met een vordering in het strafgeding kan voegen, maar dat hij dit ook nog op de terechtzitting, vóór het moment van het requisitoir, kan doen. De onderhavige vordering van de benadeelde partij is weliswaar laat, maar wel voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting ingebracht. In zoverre is de vordering dan ook tijdig ingediend. Dit neemt echter niet weg dat de rechtbank volgens vaste jurisprudentie zich ervan moet verzekeren dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering, kunnen aanvoeren en voor zover nodig en mogelijk daarvan bewijs te leveren.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij overzichtelijk en niet complex van aard is en dat de raadsman van verdachte, getuige het vijf pagina’s tellend pleidooi ten aanzien van de vordering, uitvoerig verweer heeft kunnen voeren. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de raadsman voldoende in de gelegenheid is geweest om verweer te kunnen voeren tegen deze vordering. Dat de raadsman daarvoor alles uit zijn handen heeft moeten laten vallen, zoals door hem is aangevoerd, maakt niet dat in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde is gehandeld. Verder overweegt de rechtbank dat geen rechtsregel de verplichting voorschrijft dat de benadeelde partij zich voor de door hem geleden schade eerst tot de verzekeraar van de verdachte moet wenden. Het staat de benadeelde partij vrij om de weg te bewandelen die hem juist en gepast voorkomt om zijn schade vergoed te krijgen. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd tast de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering dan ook niet aan. Dit betekent dat de benadeelde partij ontvankelijk is in de vordering en dat de rechtbank de vordering inhoudelijk zal beoordelen.

De inhoudelijke beoordeling van de vordering.

De rechtbank stelt in het algemeen voorop dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden en dat deze schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij in beginsel dan ook recht op een vergoeding van de door hem geleden schade.

Als het gaat om de door de benadeelde partij gevorderde materiële schadevergoeding voor reiskosten naar het kantoor van de raadsman overweegt de rechtbank dat dergelijke kosten volgens vaste jurisprudentie geen rechtstreekse materiële schade ten gevolge van het strafbare feit zijn en daarom niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. De vordering van de benadeelde partij zal op dit punt worden afgewezen. De reiskosten die gemaakt zijn ten behoeve van het bijwonen van de zitting zijn evenmin aan te merken als rechtstreekse schade. De benadeelde partij zal voor dat gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Deze kosten kunnen wel als proceskosten worden aangemerkt, maar omdat de benadeelde partij zich op de terechtzitting door een advocaat heeft laten bijstaan, biedt de civiele proceskostenregeling geen basis voor vergoeding voor deze kosten.

De benadeelde partij heeft de vordering ten aanzien van de immateriële schadevergoeding gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek. Vergoeding van immateriële schade op grond daarvan is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of “op andere wijze” in zijn persoon is aangetast. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit en dat reeds daarom een grondslag aanwezig is voor een vergoeding van immateriële schade.

Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding wegens lichamelijk letsel, mogen ook de psychische gevolgen van lichamelijk letsel worden betrokken zonder dat daarvoor geestelijk letsel in rechte hoeft te zijn vastgesteld, mits de psychische gevolgen – zoals in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank aan de orde – voldoende verband houden met het lichamelijk letsel. Ook is niet nodig dat de aard en de ernst van de normschending en de in dat verband relevante gevolgen voor de benadeelde partij kunnen worden aangemerkt als persoonsaantasting op andere wijze. De verweren die de raadsman op dit punt heeft aangevoerd, worden dan ook verworpen.

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt. Bij letselschade moet daarbij onder meer worden gedacht aan de aard en de ernst (waaronder de duur en de intensiteit) van het letsel en de verwachting ten aanzien van het herstel.

Uit het procesdossier blijkt dat de toen 66-jarige benadeelde partij bij het verkeersongeval een schedelbreuk, een gebroken rib, een gebroken vinger, een klaplong en een kaakluxatie heeft opgelopen. Hij heeft enkele dagen in het ziekenhuis gelegen en na zijn ontslag is hij nog één keer in het ziekenhuis geweest in verband met toenemende hoofdpijn en sufheid. Over het verdere herstel heeft de benadeelde partij verklaard dat hij in de eerste maanden na het ongeval vooral hoofdpijn had en slecht sliep, dat het pas sinds december 2025 wat beter met hem gaat en dat hij in het eerste kwartaal van 2026 nog een afspraak heeft bij de neuroloog. Buiten deze gegevens bevat noch het dossier noch de vordering van de benadeelde partij medische stukken waaruit de rechtbank kan afleiden dat de benadeelde partij niet volledig zou zijn hersteld of dat (alsnog) noodzaak bestaat tot medisch ingrijpen en voor welk letsel dat ingrijpen dan nodig zou zijn.

De rechtbank heeft bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Nu onvoldoende onderbouwd is dat sprake is van letsel dat niet volledig herstelt of ook na zes maanden nog medisch ingrijpen vergt en evenmin concreet is betoogd binnen welke specifieke categorieën van de Rotterdamse schaal het letsel van de benadeelde partij zou passen, is naar het oordeel van de rechtbank categorie 13, onderdeel a, met bandbreedte van € 1.450,00 – € 2.675,00 de meest aangewezen categorie voor het letsel van de benadeelde partij. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals gebleken uit het procesdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, acht de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Hij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op € 217,00. Dit bedrag is gebaseerd op de liquidatietarieven in kantonzaken, waarbij de rechtbank één procespunt bij een bedrag van € 2.500,00 in acht heeft genomen.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht alsmede op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het wijzen van dit vonnis rechtens gelden.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen:

 een taakstraf voor de duur van 120 uren;

bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht;

 een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging, te weten 7 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

legt op de volgende maatregel:

 de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer], van een bedrag van € 2.500,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

voormeld bedrag bestaat uit een immateriële schadevergoeding;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], van een bedrag van € 2.500,00 bestaande uit een immateriële schadevergoeding;

de immateriële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op € 217,00, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade in de vorm van reiskosten voor het bijwonen van de zitting;

wijst het gevorderde aan materiële schadevergoeding voor het overige af;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

verdachte is van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. M. Kleijn Hesselink, leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 21 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.W.M. Bankers
  • mr. M.L.W.M. Viering
  • mr. M. Kleijn Hesselink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand