beschikking op een verzoek tot opheffing van bewind en mentorschap
op verzoek van:
[naam] ,
geboren te [plaatsnaam] op [datum] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: mr. B.J. van Schijndel,
met als bewindvoerder en mentor: Almass Bewindvoering B.V, Kvkno. 55819125, Postbus 173, 5430 AD Cuijk.
procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoek met bijlagen tot opheffing van het bewind en mentorschap, ontvangen op
3 juli 2026;
De zaak is behandeld ter zitting van 22 september 2026. Van hetgeen is besproken op de zitting zijn aantekeningen gemaakt. Op de zitting zijn betrokkene, zijn gemachtigde mr. B.J. van Schijndel, en de bewindvoerder-mentor, de heren [naam] en [naam] van Almass Bewindvoering B.V., verschenen.
beoordeling
Bij beschikkingen van 25 juni 2025 heeft de rechtbank [plaatsnaam] een bewind en een mentorschap ingesteld ten behoeve van betrokkene vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van Almass Bewindvoering B.V. tot bewindvoerder en mentor.
Betrokkene verzoekt opheffing van het bewind en het mentorschap. Aan het verzoek legt hij ten grondslag dat hij zelf weer in staat is zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen te behartigen, dat voortzetting van de maatregelen niet zinvol is en dat de grond voor instelling van de maatregelen niet meer aanwezig is. Hij wil zijn eigen verantwoordelijkheid en de regie over zijn leven terugkrijgen. De beschermingsmaatregelen werden destijds ingesteld in een hectische en emotioneel zware periode rondom de ziekte en het overlijden van de echtgenote van betrokkene. De huidige situatie is wezenlijk anders: betrokkene woont zelfstandig, onderhoudt een actief sociaal netwerk en voert zelfstandig de regie over zijn dagelijks leven. Dit blijkt onder meer uit het nakomen van afspraken en zelfstandige deelname aan het verkeer. Betrokkene acht zich, zo nodig met de ondersteuning van [naam] , prima in staat zijn eigen belangen naar behoren te behartigen. Het standpunt van betrokkene wordt ondersteund door de overgelegde schriftelijke verklaringen van derden uit zijn directe omgeving.
Hoewel de maatregelen volgens de rechtbank [plaatsnaam] op eigen verzoek van betrokkene zijn ingesteld, is betrokkene het daar niet mee eens, meent hij dat de bij de rechtbank gevoerde procedure niet juist is doorlopen en voelt hij zich oneerlijk behandeld. Betrokkene ervaart de maatregelen als een grote inbreuk op zijn vrijheid, privacy en beschikkingsbevoegdheid, wat leidt tot een sterk verminderd levensgenot.
De bewindvoerder-mentor is het niet eens met opheffing. Het verzoek tot instelling van het bewind en het mentorschap is destijds ingediend op aangeven van de maatschappelijk werker van [naam] , mede wegens escalerende onenigheid in de familie van betrokkene en de onmogelijkheid voor zorgmedewerkers om stabiele afspraken met hem te maken. De intakefase verliep moeizaam door onrust in de woonomgeving. Er zijn vier huisbezoeken nodig geweest om de aanvraag te bespreken en de vereiste documenten met betrokkene in te vullen. Betrokkene heeft het verzoek, het plan van aanpak en het mentorschapsplan zelf ondertekend. Tijdens de contacten bleek het een uitdaging om tot een inhoudelijke dialoog te komen, doordat betrokkene steeds van het onderwerp afweek.
De bewindvoerder-mentor geeft aan dat er destijds concrete signalen waren van financieel misbruik. Hij heeft de verhuizing van betrokkene naar een particulier verzorgingshuis na het overlijden van zijn echtgenote in nauw overleg met de zorginstelling, de Rabobank en de testamentair executeur gerealiseerd. Toen al bleek dat betrokkene grote moeite had met de inperking van zijn financiële autonomie. Van een zelfstandigheidsperiode wilde hij echter niets weten. De huidige woonplek acht het onwenselijk als het mentorschap wordt opgeheven. Betrokkene bevindt zich in een kwetsbare positie en de situatie is op dit moment niet anders dan ten tijde van de instelling van de maatregelen. De bewindvoerder-mentor acht de maatregelen nog noodzakelijk.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Bezwaren tegen de instelling van de maatregelen
In de stukken en tijdens de zitting heeft betrokkene een aantal bezwaren naar voren gebracht tegen de gang van zaken rondom de instelling van de maatregelen door de rechtbank [plaatsnaam] . De gemachtigde van betrokkene heeft namens betrokkene gesteld dat hij het verzoek destijds niet zelf heeft ondertekend, dat er aanwijzingen zijn van onregelmatigheden en dat – anders dan door de bewindvoerder-mentor eerder is gesteld - geen zitting heeft plaatsgevonden. De bewindvoerder-mentor heeft daar zijn visie tegenover gezet en onder meer gewezen op de handtekeningen van betrokkene onder het verzoek, plan van aanpak en mentorschapsplan, die in zijn aanwezigheid zijn gezet.
Of de geplande instellingszitting heeft plaatsgevonden kan de kantonrechter niet met zekerheid vaststellen, omdat de vindplaats van het dossier van de rechtbank [plaatsnaam] op dit moment onbekend is. Tegen de beide instellingsbeschikkingen is echter geen hoger beroep ingesteld, zodat zij definitief zijn geworden. Om die reden passeert de kantonrechter de bezwaren van betrokkene die zien op de instelling van de maatregelen. In deze procedure gaat het om het opheffingsverzoek.
Opheffingsverzoek
Om de beschermingsmaatregelen ten behoeve van betrokkene te kunnen opheffen, moet vaststaan dat de noodzaak daartoe niet meer bestaat. Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter echter gebleken dat de maatregelen nog altijd noodzakelijk zijn en dat zij ook zinvol zijn. Dit oordeel baseert de kantonrechter op het volgende.
Betrokkene heeft tijdens de zitting vier keer opnieuw verteld dat hij naar de bank is geweest, dat hij daar heeft gemeld dat zijn huis was verkocht na het overlijden van zijn vrouw en dat de bankmedewerker tot zijn grote (onaangename) verrassing aangaf dat hij hier al van op de hoogte was en dat er een bewind was ingesteld. Daarnaast bleef betrokkene ter zitting herhalen dat hij geen bankafschriften heeft ontvangen en dat hij de bewindvoerder sinds februari niet meer heeft gezien. De bewindvoerder-mentor heeft hierover uitleg gegeven, maar betrokkene reageerde daar niet op en bleef er toch steeds op terugkomen. Op de vraag van de kantonrechter hoeveel hij heeft ontvangen uit de nalatenschap van zijn vrouw heeft betrokkene geantwoord dat hij een paar honderdduizend euro mist, maar dat hij het maar laat gaan omdat hij toch niet meer zo lang te leven heeft. Ook heeft hij aangegeven dat hij twee kettingen van zijn vrouw nog altijd mist nadat deze door een bekende van hem ter taxatie meegenomen waren naar een juwelier, maar dat hij daar overheen is gestapt. Betrokkene heeft gezegd dat hij zijn computer sinds zijn verhuizing niet meer gebruikt, maar dat er genoeg personen in de familie zijn die zijn financiën voor hem kunnen doen.
Betrokkene woont intussen al enige tijd in een verzorgingshuis. Het CIZ heeft in 2023 de indicatie VV06 (beschermd wonen met 24 uurs zorg) afgegeven.
De bewindvoerder-mentor heeft onder meer toegelicht dat de bankrekeningen waren geblokkeerd na het overlijden van de partner van betrokkene en dat hij heeft geregeld dat ze gedeblokkeerd werden. De bank stuurt betrokkene maandelijks bankafschriften per post en hij heeft inmiddels ook inzage via een bankapp. Tot februari 2026 zag de bewindvoerder-mentor betrokkene bijna maandelijks. Na een verzoek van de gemachtigde van betrokkene om het contact uitsluitend via de gemachtigde te laten lopen is hij niet meer bij betrokkene langs geweest en heeft hij op andere wijze contact gehouden. De financiële zaken lopen nu goed. Er is voldoende bestedingsruimte voor de wensen van betrokkene, maar er is ook veel vermogen dat goed moet worden beheerd. Ook de zorg moet worden gecoördineerd. De instelling waar betrokkene verblijft wil dat het mentorschap wordt gehandhaafd. Er is wekelijks contact met de zorg en hij is ook betrokken bij de afstemming van medische zaken, zoals ziekenhuiszorg in verband met hartproblemen en een gebroken voet.
De zus van betrokkene heeft ter zitting gezegd dat zij ziet dat betrokkene opstandig is sinds de instelling van het bewind. Betrokkene heeft in het verleden altijd zijn eigen geldzaken geregeld, met hulp van een boekhouder, en zij meent dat hij het met enige hulp kan zonder bewind. Maar zij heeft ook aangegeven dat zij eerder een gesprek heeft gehad met de huisarts, die haar nadrukkelijk heeft gezegd dat betrokkene zijn financiële zaken niet meer zelf kon regelen.
Gelet op het voorgaande en de observaties van de kantonrechter tijdens de zitting, is de kantonrechter van oordeel dat betrokkene op dit moment onvoldoende in staat is om zijn vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelfstandig te behartigen. Betrokkene geeft deels zelfstandig invulling aan zijn dagelijks leven en ontleent daar een gevoel van autonomie en eigenwaarde aan. Maar zoals ter zitting ook duidelijk is geworden, ontbreekt op belangrijke punten overzicht en inzicht. De kantonrechter begrijpt dat betrokkene frustratie en onmacht ervaart door de beperking van zijn autonomie door het bewind en het mentorschap. De feitelijke grondslag voor het bewind en het mentorschap is echter ongewijzigd aanwezig. Gelet hierop zal de kantonrechter het verzoek tot opheffing van het bewind en het mentorschap afwijzen.
beslissing
De kantonrechter:
- wijst het verzoek tot opheffing van het bewind en het mentorschap af.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.